Monday, September 13, 2004

moeder, ik ben hier niet gekomen om te sterven

NOOT: Eindelijk toegang gekregen tot deze tekst; dit is alweer meer dan een week geleden.



Oke schoft, nu zullen we wel eens zien wie hier de sterkste is.
De voorbije anderhalve week heeft de bergkam waar ik vanuit mijn woonst op uitkijk, me getreiterd en uitgedaagd: 'Je zal nooit te zien krijgen wat ik achter mijn rug verberg! Ga jij maar pootjebaden in de zee!'
Dus vanochtend samen met de honden opgestaan (voor zessen; je ziet hier overigens vooral puppy's, wat enerzijds wel schattig is, aan de andere kant ook heel logisch, want oude beesten smaken niet, schijnt het) en wijle weg, nog een beetje slaperig, want gisteravond laat uit mijn bed gebeld door een studente van me (geen idee dewelke, maar ze komt vandaag langs).

Die twee bergen liggen brutaal dichtbij. Ik moet wel bekennen dat we niet met gelijke wapens vochten: mijn tegenstander is verminkt door enkele nieuwe grote villa's op zijn voeten, en de menselijke parasiet eet steen recht uit zijn buik. Je hoort hier overigens constant geknal, want alle bergen worden hier aan stukken gereten. Nu goed, na een heel eind geklommen te hebben langs een gewone weg, kom ik plots de Chinese Muur tegen. Dat had ik hier niet meteen verwacht. Er is een soort poortgebouw over de weg, en aan weerskanten vond de een of andere bouwheer het blijkbaar een leuk idee vijftig meter Muur te bouwen. Altijd te vinden voor een grap, die bouwheren, zoals met het Europees Parlement, waar niet 1 raampje open kan.

Ik dwaal af. Terug naar de hoofdweg, die me verder omhoog leidt naar mijn uitdager. Langs de kant van de weg enkele bakstenen graftombes. Dan begint de soundtrack van dit verhaal: voor mij staat plots een tempel (hier houdt de weg ook op), waar muziek uit de luidsprekers komt, muziek die je op dergelijke plaatsen verwacht, ingetogen gepingelpangel.

Een werkmens, aan wie ik 'vraag' hoe ik over de berg kom, wijst me welke richting ik uit moet (achter de tempel). Dus ik ga op pad, maar niet lang, want al na drie meter blijkt er helemaal geen pad te zijn dat me over de berg kan brengen. De werkmens moet een sluwe handlanger van de tempel zijn geweest. Inderdaad, de bergen zijn hier goden, geloof ik.
Maar 't zal geen waar zijn. Het maquis lijkt niet onoverkomelijk, en ik ben niet zover gekomen om uiteindelijk het onderspit te delven.

Na vier stappen betreur ik mijn koppigheid. Het blijkt dat er muggen zijn in China, en niet zo'n beetje. En spinnen, fluogele spinnen, met dikke webben waar ik met mijn stomme kop enkele keren recht inloop. In plaats van verstandig te zijn, klim ik verder, nu en dan mijn bril verliezend aan een struik of aan mezelf, wanneer ik de muggen van me afsla. Wat heb ik toch een bloedhekel aan beesten, bedenk ik, nog steeds zachtkens begeleid door vegetarisch-boeddhistisch gezang.

Dan houdt het struikgewas op en sta ik oog in oog met de berg. Er is enkel nog berg en mens. De wolken komen hier slapen, dus het is nu glibberig (de berg is pure klei!). Nog even en ik kan de andere vallei zien. Dus ik begin te klimmen, zonder verder na te denken.

Halverwege mijn klimpartij realiseer ik me dat ik helemaal niet kan klimmen. Ik kan dan ook geen kant meer op. Ik kijk naar beneden en denk:
1. als ik nu val, klets ik vijf meter steil omlaag.
2. als ik zou vallen, en ik zou nog bij bewustzijn zijn maar niet in staat om nog te lopen, zou ik dan mijn woordenboekje uit mijn rugzak halen om het gepaste woord op te zoeken dat ik moet roepen?
3. ik ben dus nog stommer dan ik dacht.
4. ik kan hier niet lang blijven staan, ik hang half, en mijn voeten blijven wegglijden.
5. Wat was dat optreden van Boudewijn de Groot op de Grote Markt toch schitterend.

Ik sta daar maar en sta daar maar, gekruisigd aan mijn vijand. Mijn armen wijdopen, de handen in de berg geklauwd (de muggen hebben nu vrij spel). Mijn ene voet op de andere. Dat kan niet lang meer duren. Ik maak een eersteklas pirouette, en kan eindelijk verder. Eenmaal boven ontdek ik ongeveer vijftig meter verder een pad. Sic transit gloria mundi, of hoe heroiek en dwaasheid eens te meer hetzelfde blijken te zijn.

De berg geeft zich gewonnen: ik sta boven op hem.
Wanneer ik later weer afdaal, dit keer langs het pad, loop ik nog even door de tempel (lang leve den dikken!). Om het helemaal mooi te maken, word ik daarbij aangestaard door een reusachtig albino konijn. Ik zou me wel in de ogen willen wrijven, maar die hangen vol klei, dus ik moet het geloven.

wanneer ik terug thuis kom en door mijn raam kijk, zie ik hoe de berg zich vol schaamte verbergt in de wolken.