Wednesday, April 13, 2005

boontje voor tang

10 april
Het zijn de laatste momenten van mijn leven voor ik ‘Pieter Daens’ begin te lezen. Ik wil van de gelegenheid gebruik maken om nog enkele bedenkingen op te schrijven. Ze op deze blog te lezen zal niettemin voor een andere keer zijn, want ik ben mijn notities thuis vergeten.
Anderzijds kan ik wel met vreugde melden eindelijk de deel- en andere tekens gevonden te hebben.

13 april
Zomaar een citaat: ‘Sla hem dood, ‘t is een socialist.’
Er zijn enkele studenten gearresteerd afgelopen weekend omdat ze pamfletten uitdeelden in verband met de heibel tussen China en Japan. Het komend weekend schijnt er een protestmeeting gepland te zijn in Dalian, ik heb alle hens aan dek geroepen om te weten te komen wie, wat, waar en wanneer. Ik zou wel eens willen zien hoe dat er hier aan toegaat.
Een collega vertelt: ‘In 1989 zat ik op de middelbare school in Harbin. De studenten van de universiteit waren heel erg opgewonden, maar wij wisten niet waarom. Op een dag mochten we ‘s middags de school niet verlaten. Ik heb eigenlijk nooit begrepen wat er aan de hand was tot ik enkele jaren terug een Canadees ontmoette die het me allemaal heeft uitgelegd.’

Zou ‘Pieter Daens of hoe in de negentiende eeuw de arbeiders van Aalst vochten tegen armoede en onrecht’ vertaald zijn in het Chinees?

Miss Lu vertelt over een leerling van ons beiden, Song Peng. De arme kerel is met zijn voet in een stuk glas getrapt, hij ligt al weken met de een of andere complicatie in het ziekenhuis en heeft al meer dan tweeduizend yuan uitgegeven. Tweeduizend yuan, een enorm bedrag. ‘t Is maar te hopen dat hij verzekerd is.

Ik zou hier wel enkele huistaken volledig willen weergeven, maar ‘t zal bij een beperkte bloemlezing moeten blijven.
‘Ukraine is a state in the Eastern Europe and Western Europe.’
‘I am a heavy curiosity girl.’
Chang Yuan –le papillon, c’est un mot d’amour plié en deux- schrijft over Italië: ‘I’m not interested in the culture and economies, but I’m fond of the other things... The cold times in Italy are stupid... Coffee is the most important thing for the people who living in Italy. It can’t produce coffee, but the people can cook coffee with their superb skills... If they haven’t drunk coffee, they would have paralyzed... People in Italy are very clever, but only one thing is quite foolish, that is the count,’ waarna ze wegijlt over hoe je in Italië onderhandelt (ik denk dat ze bedoelt dat het erg traag gaat).
Teveel om op te noemen; er is de studente die schrijft over de spanningen tussen China en Japan en eindigt met een citaat uit de bijbel ‘The God love fish. So he creates the brook and lake. People love fish too, I don’t want people eat the fish as eat the other people.’ Er is de studente die hoopt dat ze ooit ‘The Iceland’ kan bezoeken: ‘I hope my dream will finish in the future,’ enzovoort enzovoort... Van Ostaijen, vriend, ge hebt afgedaan. Gaat gij uw verzen maar afroepen aan de schenkbank.

(Voorlopig favoriete passage in ‘Pieter Daens’: ‘de historie van ‘t wijf’.)

Nog meer creativiteit met Engels viel gisteren te horen op een voordrachtwedstrijd waar ik jurylid moest spelen. Het onderwerp kwam al bij voorbaat mijn strot uit: ‘The greatest invention in my eyes.’ De voorbije week kon ik mijn hoofd niet laten zien of iemand klampte me aan: of ik even haar/zijn opstel kon nalezen en, als het slecht was, herschrijven.
Van een tot halfvijf raffelden meer dan honderdtwintig studenten hun uit het hoofd geleerde tekstje af. Van die honderdtwintig waren er tweehonderd die over de computer praatten. Zeven vergaten na drie lijntjes hun tekst en dropen af. Zowat iedereen begon alsvolgt:
‘The greatest invention in my eyes. In my eyes, the greatest invention is... Of course there are many great inventions, such as the telephone, tv and so on.’
Er waren een berg stijve harken bij, maar ook de overacting was niet van de lucht; sommigen probeerden zoveel mogelijk gebaren te maken om hun woorden kracht bij te zetten (luisteren: hand aan de oren; twee: twee vingers in de lucht; vrij komisch effect, dat wel). Er waren studenten die het koppig hadden over ‘the greatest inventation’, studenten die zeiden ‘Mijn naam is Pol, ik studeer Business Adminis... Stramini...’ om het dan maar in het Chinees te zeggen. Studenten die tegen de stoel van een medejurylid aanliepen, te zelfzekere jongens die veel te snel praatten...
En dan nadien aan elkaar vragen ‘en, hoe was ik?’ om het antwoord natuurlijk niet te willen geloven. Sommigen vonden de liefde of relaxatie de beste uitvinding.
Er was één studente die ik het maximum van de punten heb gegeven. Zij sprak –met verstand en in fatsoenlijk Engels- over het condoom en waarom dat zo’n belangrijk ding is. Iedereen (die het begreep) lichtjes geschokt. Jureren, dat is politiek, dus ik aarzelde niet: het maximum. Miss Lu, die naast me zat, aarzelde ook niet: zwaar gebuisd. Tang Ying heette ze, ik heb me voorgenomen haar te feliciteren als ik haar kan vinden.
(In België heb ik eens gebabbeld met een jurylid; er moest een boek bekroond worden, de strijd ging tussen een katholieke auteur en een niet-katholieke; dat de katholieke auteur verloor, had niets met zijn boek te maken.)
Een jongen vindt taal het schoonste wat er is. In groepsverkracht Engels zegt hij: ‘Chinese is very complicated, but English is too simple.’

Morgen is het finale. Zou Tang Ying de eindselectie gehaald hebben? Ik betwijfel het en vind de hele finale daarom nu al een anticlimax. Maar ja, ‘t is zoals Boon zegt: ‘daar, op de plaats waar ge mislukt zijt, hoort ge thuis.’