naast mij wakker worden
Elke ochtend ligt de wereld aan mijn (of jouw) voeten en kan ik Bush de verkiezingen doen verliezen vorig jaar of een lieveheersbeestje de klas laten binnenvliegen en doen landen op het neusje van Xu PanPan. Alles kan als je niet bang bent van een wit blad papier.
Vanochtend werd ik wakker en keek recht in de reusachtige ogen van Kikker. Kikker is een grote pluchen kikkerkop die ik van mijn studenten heb gekregen. Dag Kikker, dacht ik, want hij heeft geen oren. En toen: ik zou wel eens een kroniek willen opstellen van iedereen met wie ik ooit een bed deelde. Bijvoorbeeld met mijn zus, toen ik nog klein was en we bij meme bleven slapen. 's Ochtends kloeg ze dan altijd dat ik haar de hele nacht had liggen schoppen. Of: met de hond op mijn voeten. Wel warm maar bewegen kon niet. Het was mijn eigen schuld want ik was de deur van mijn slaapkamer vergeten sluiten en dat stout beest was midden in de nacht zomaar binnen komen wandelen. En ik was te lui om haar buiten te jagen. Of: met de broer van een studente van me in een Chinees dorpje, ziek als een ijlbeer... Maar dat verhaal ken je.
Nadat ik Kikker een stomp had gegeven, begon ik te lachen. Dat doe ik soms als ik aan iets grappigs denk. De mensen rondom me zijn dan altijd boos omdat ik met mezelf praat en niet met hen. Goed. Vanochtend moest ik denken aan een rationeel plan.
Ik ben in Gent eens naar een feestje in een krakerspand geweest. Mijn vooroordelen over krakers zijn daar die avond roemloos gesneuveld want het bleek dat de krakers - enkele studenten en een Finse (jawel, Finse) gewetensweigeraar, of liever -bezwaarde - door hun renovatiewerken zelfs het respect van de eigenaar hadden gewonnen, een man die eerder met processen-verbaal en uitzettingsbevelen had staan zwaaien.
Het was rond drie uur 's ochtends toen de hoeveelheid drank gevaarlijk begon te slinken. Er moesten dus dringend boodschappen worden gedaan. Een stuk of zeven mensen, geen van allen nuchter, zou dat wel even regelen. De krakers hadden een bakfiets, die zouden we gebruiken om de drank te vervoeren. Het probleem was dat die bakfiets tussen boompjes, kratten, vuilniszakken, fietsen en ander materiaal geprangd stond. Komt in orde, dachten we, en in het pikkedonker begonnen we met zijn allen aan de bakfiets te trekken en te sleuren in alle richtingen tegelijk, elkaar op zoveel mogelijk gedempte toon (drie uur 's ochtends!) aanwijzingen toeschreeuwend terwijl we eigenlijk stikten van het lachen. En boven dat alles voortdurend de wanhopige stem van J., kraker, die vergeefs de boel probeerde te bestieren: 'Vrienden! Ik heb een rationeel plan! Een rationeel plan! Vrienden...!'
Het mocht niet baten. Toen we een beetje uitgelachen waren, gaven we het bakfietsplan op en gingen op cafe. Wie drank wilde, moest maar volgen. Verder herinner ik me niet veel van die nacht, alleen nog dat er iemand met een vreselijke tijgersprong een sparretje in een bloembak te lijf is gegaan.
Ik lag nog steeds in bed en had nog niet besloten wat die ochtend op papier moest. Ja, dat ik zomaar begin te lachen is wel vreemd, dacht ik, en begon te lachen want ik moest denken aan de schrijver in mijn familie aan vaders kant. Die heeft me eens verteld hoe dat gaat als hij ergens een lezing geeft of een school bezoekt. Dan komt na afloop steevast iemand naar hem toe en zegt: 'Ja, ik schrijf dus ook.'
Waarna hij geinteresseerd moet doen over wat de schooljuffrouw -'Poezie moet ook weer niet al te vrolijk zijn'- of concierge hem openbaart, alsof ze twee leden van een geheim genootschap zijn. Het ergste is als ze een mapje onder de arm dragen met daarin hun oeuvre. Dat moet hij dan ter plekke lezen en beoordelen. Hij kan natuurlijk niet zeggen dat het barslecht is (al voegde hij er wel aan toe dat er uitzonderingen zijn; sommige schoolmeesters of culturelecentrumvrouwen kunnen schrijven) en mompelt iets van: o, op die manier, of: mooie stijlfiguur hier, ja.
Een keer was ik er zelf bij. De liefhebberende dichter in kwestie -ik zal niet verklappen wie, maar het is een bekende en eigenlijk best sympathieke mens- las voor een klein publiek enkele gedichten van eigen hand. Nu weet ik hoegenaamd niets van poezie en daar ben ik best trots op want ik ben tegen poezie. Maar ik weet (dankzij mijn eigen indrukwekkend hopeloze onkunde) wat slecht is, en dit was dus werkelijk oerslecht. Na afloop en na zich (gretig en bescheiden) door het zaaltje felicitaties te hebben gewerkt, kwam de voorlezer aan ons tafeltje terecht en vroeg: 'Nou, wat vond je ervan? Eerlijk zijn hoor!'
Met een stalen gezicht (dankzij jarenlange training en een slecht karakter) zei de schrijver dat het interessant was en dat hij het nog nooit eerder had gehoord, waarna de bekende mens naar de volgende vermeende felicitatie fladderde.
'Je bent een schoft,' zei ik.
'Maar het is waar! Ik heb het nog nooit gehoord!'
En ik dacht: slecht nieuws voor die schrijver in mijn familie (aan vaders kant): ik schrijf dus ook.
Maar voorlopig lag ik nog in bed en had ik nog niks op papier gezet.
Vanochtend werd ik wakker en keek recht in de reusachtige ogen van Kikker. Kikker is een grote pluchen kikkerkop die ik van mijn studenten heb gekregen. Dag Kikker, dacht ik, want hij heeft geen oren. En toen: ik zou wel eens een kroniek willen opstellen van iedereen met wie ik ooit een bed deelde. Bijvoorbeeld met mijn zus, toen ik nog klein was en we bij meme bleven slapen. 's Ochtends kloeg ze dan altijd dat ik haar de hele nacht had liggen schoppen. Of: met de hond op mijn voeten. Wel warm maar bewegen kon niet. Het was mijn eigen schuld want ik was de deur van mijn slaapkamer vergeten sluiten en dat stout beest was midden in de nacht zomaar binnen komen wandelen. En ik was te lui om haar buiten te jagen. Of: met de broer van een studente van me in een Chinees dorpje, ziek als een ijlbeer... Maar dat verhaal ken je.
Nadat ik Kikker een stomp had gegeven, begon ik te lachen. Dat doe ik soms als ik aan iets grappigs denk. De mensen rondom me zijn dan altijd boos omdat ik met mezelf praat en niet met hen. Goed. Vanochtend moest ik denken aan een rationeel plan.
Ik ben in Gent eens naar een feestje in een krakerspand geweest. Mijn vooroordelen over krakers zijn daar die avond roemloos gesneuveld want het bleek dat de krakers - enkele studenten en een Finse (jawel, Finse) gewetensweigeraar, of liever -bezwaarde - door hun renovatiewerken zelfs het respect van de eigenaar hadden gewonnen, een man die eerder met processen-verbaal en uitzettingsbevelen had staan zwaaien.
Het was rond drie uur 's ochtends toen de hoeveelheid drank gevaarlijk begon te slinken. Er moesten dus dringend boodschappen worden gedaan. Een stuk of zeven mensen, geen van allen nuchter, zou dat wel even regelen. De krakers hadden een bakfiets, die zouden we gebruiken om de drank te vervoeren. Het probleem was dat die bakfiets tussen boompjes, kratten, vuilniszakken, fietsen en ander materiaal geprangd stond. Komt in orde, dachten we, en in het pikkedonker begonnen we met zijn allen aan de bakfiets te trekken en te sleuren in alle richtingen tegelijk, elkaar op zoveel mogelijk gedempte toon (drie uur 's ochtends!) aanwijzingen toeschreeuwend terwijl we eigenlijk stikten van het lachen. En boven dat alles voortdurend de wanhopige stem van J., kraker, die vergeefs de boel probeerde te bestieren: 'Vrienden! Ik heb een rationeel plan! Een rationeel plan! Vrienden...!'
Het mocht niet baten. Toen we een beetje uitgelachen waren, gaven we het bakfietsplan op en gingen op cafe. Wie drank wilde, moest maar volgen. Verder herinner ik me niet veel van die nacht, alleen nog dat er iemand met een vreselijke tijgersprong een sparretje in een bloembak te lijf is gegaan.
Ik lag nog steeds in bed en had nog niet besloten wat die ochtend op papier moest. Ja, dat ik zomaar begin te lachen is wel vreemd, dacht ik, en begon te lachen want ik moest denken aan de schrijver in mijn familie aan vaders kant. Die heeft me eens verteld hoe dat gaat als hij ergens een lezing geeft of een school bezoekt. Dan komt na afloop steevast iemand naar hem toe en zegt: 'Ja, ik schrijf dus ook.'
Waarna hij geinteresseerd moet doen over wat de schooljuffrouw -'Poezie moet ook weer niet al te vrolijk zijn'- of concierge hem openbaart, alsof ze twee leden van een geheim genootschap zijn. Het ergste is als ze een mapje onder de arm dragen met daarin hun oeuvre. Dat moet hij dan ter plekke lezen en beoordelen. Hij kan natuurlijk niet zeggen dat het barslecht is (al voegde hij er wel aan toe dat er uitzonderingen zijn; sommige schoolmeesters of culturelecentrumvrouwen kunnen schrijven) en mompelt iets van: o, op die manier, of: mooie stijlfiguur hier, ja.
Een keer was ik er zelf bij. De liefhebberende dichter in kwestie -ik zal niet verklappen wie, maar het is een bekende en eigenlijk best sympathieke mens- las voor een klein publiek enkele gedichten van eigen hand. Nu weet ik hoegenaamd niets van poezie en daar ben ik best trots op want ik ben tegen poezie. Maar ik weet (dankzij mijn eigen indrukwekkend hopeloze onkunde) wat slecht is, en dit was dus werkelijk oerslecht. Na afloop en na zich (gretig en bescheiden) door het zaaltje felicitaties te hebben gewerkt, kwam de voorlezer aan ons tafeltje terecht en vroeg: 'Nou, wat vond je ervan? Eerlijk zijn hoor!'
Met een stalen gezicht (dankzij jarenlange training en een slecht karakter) zei de schrijver dat het interessant was en dat hij het nog nooit eerder had gehoord, waarna de bekende mens naar de volgende vermeende felicitatie fladderde.
'Je bent een schoft,' zei ik.
'Maar het is waar! Ik heb het nog nooit gehoord!'
En ik dacht: slecht nieuws voor die schrijver in mijn familie (aan vaders kant): ik schrijf dus ook.
Maar voorlopig lag ik nog in bed en had ik nog niks op papier gezet.

<< Home