TO MEGA THERION
Oke lezer, het is nu wel mooi geweest: genoeg vogeltjes en wolkjes en toeristisch gezeur over terracottalegers. Zet je schrap.
Voor we het spectaculaire gedeelte, getiteld: Het Hoofdstuk Xixiang, aanvatten, eerst nog wat losse schrijfsels over Xian.
Wandelend door de stad kom ik doorheen heel wat verschillende wijken, maar een ding hebben ze gemeen: er zijn hier ontzettend veel openbare toiletten, bijna letterlijk op elke hoek van de straat. Het moet zijn dat vele huizen nog toiletten ontberen. Ik zie oude huisjes, kraampjes, een kerel speelt fluit voor wie het horen wil. Ik zie de beestenmarkt, waar een soort paling wordt gespiest en opengereten en nog levend terug tussen zijn broertjes wordt gegooid, krabben in een bak met zaagsel, eenden en konijnen samen in een klein hokje (vrienden zijn het niet), ik zie een vrouw die gekeelde geiten verkoopt met op haar borst een badge 'animal friend'; ik bezoek China's grootste moskee die voor mijn onkundig oog niet veel verschilt van de doorsnee Chinese tempel. Ik zie vuilnisbakken met het opschrift 'Protect the envitonment (sic; variant: enviroment) for peace and good luck'.
China is een communistisch land, en dus zit op de hoek van een straat een twaalfjarig meisje met haar kap diep over haar hoofd getrokken, tegen de kou en tegen de schaamte. Op de stoep heeft ze in krijt haar verhaal geschreven; het moet wel vreselijk zijn, want heel wat mensen gooien haar wat centen toe.
Ik zie de No. 92 Middle School, ook de ziekenhuizen krijgen op die manier hun naam (hadden ze maar in Sint-Lucas en co moeten geloven).
Dan reis ik naar Xixiang. De rit zal zes uur duren, ik heb geen ticket met zitplaats kunnen bemachtigen. Ik wandel het station van Xian binnen op meer dan anderhalf uur voor het vertrek van de trein. Er staan al twee rijen van minstens honderd meter wachtenden. Dat wordt dus moord, doodslag en elkaar mattentaarten op de trein, bedenk ik. Maar het zit me weeral mee. Een conductrice toont me waar het gedrum nog meevalt en waar ik een traptreetje kan bemachtigen. Dan komt een studente voorbijgewandeld: kom maar mee, zegt ze en ze sleurt me door de halve trein (ik laat mijn rugzak achter! domme ik!) waar ze me een coupe toont vol klasgenoten. Die hebben een zitje over, het is voor mij.
De studenten zijn rond de 20, ze hebben nog nooit de zee gezien.
'My grandfather also was an English teacher, he taught me a, b, c and d.'
Ik adopteer een baby van een staande moeder die een halte verder opstapt, het is het minste dat ik kan doen.We rijden een tunnel binnen, rijden minstens een halfuur in het donker.
Wanneer we de tunnel verlaten, barst een luid gejuich los: we hebben de smog van Xian achter ons gelaten en de studenten zien voor het eerst in lange tijd de zon. Very straf.
Het landschap: miniterrasjes op de bergflanken, Zuid-Franse riviertjes.
Die bergen, dat zijn natuurlijk ook muren. Dan zie je zo'n jonge kerel een beetje dromerig naar de voorbij razende trein staan staren, misschien wil hij wel weg uit dit prachtig stukje wereld.
HET HOOFDSTUK XIXIANG
(waarin de auteur China op zijn best en op zijn iets minder best leert kennen)
Ik kom aan in het donker. Er is geen perron, want ik zat achter in de trein en spring dan maar gewoon Xixiang tegemoet. Xixiang is een klein stadje in het zuiden van Shaanxi. Wang Yan Ling wacht me op, we nemen de taxi naar haar huis. We rijden door het zwart, verlaten de stad, rijden een halfuur op weggetjes die die naam niet echt verdienen. Wanneer we uitstappen wandelen we nog een kwartier over paadjes naar haar huis. Ze woont dus in wat je met recht en rede een gehucht kan noemen. Nog even de rivier oversteken (een man heeft wat balken in het water gelegd, daarmee kan je dan, als je oplet, je voeten droog houden; hij woont aan dat bruggetje, de passanten geven hem wat geld) en dan zijn we er. Ongeveer twintig huisjes in een soort bamboebosje (hoog dat die dingen zijn!). Iedereen heeft er een koe ('t lijkt meer een soort waterbuffel, zwart en met grote horens), twee varkens en een hond. De mensen werken op het land, de kippen lopen maar wat rond.
Er is geen verwarming en het is hier koud. Ik slaap in het bed van Lings broer; met haar broer dus, een aardige student rechten. Zijn minuscule mp3-speler lijkt niet op zijn plaats.
Fantastisch om nog eens gewekt te worden door een haan. Wanneer ik buitenwandel en nu, bij daglicht, de omgeving kan bekijken, valt mijn mond open: ze wonen ongeveer honderd meter van de rivieroever (in de zomer stijgt het water spectaculair; aan de plastic zakjes die in de struiken hangen, kan je mooi zien tot waar het water gewoonlijk reikt; Ling: elk jaar verdrinkt hier wel een tweetal mensen), rondom ons liggen bergen te vrijen met wolken onder een veelkleurig deken van veldjes en terrasjes, aan de overkant van de rivier tjokt een trein voorbij (vooral in het donker is dat mooi: driehonderd witte hokjes, mooi op een rij).
Broer wandelt naar de publieke douche met me. Op het dorpsplein is een speech aan de gang: een man probeert zijn medicijn te verkopen. De douche is van een andere soort dan die in Shenyang. Proper en warm zijn hier niet aan de orde. Broer, na het douchen: 'Your hair is confused.' Hetzelfde heb ik als klein kind eens tegen vader in de badkamer gezegd: 'Va, je hoofd ligt in de war.'
Om aan een job te raken, vertelt Ling, moet je een gsm hebben. 1000 yuan. Veel meer dan een maandloon, hier in Xixiang.
In de namiddag wandelen we naar een tante in een ander dorpje, waar we de nacht zullen doorbrengen. Wanneer we daar aankomen -ik voel me kiplekker- en ik me op een krukje laat zakken, slaat de hoofdpijn me bijna achterover. Ik voel het binnen de drie minuten: dit zit heel erg fout.
En ja hoor: ik beleef een afschuwelijke nacht. De koorts komt zeer snel opzetten, veel heftiger dan ik het gewend ben van een verkoudheid. Hoewel ik drie truien aanheb en onder twee dikke dekens lig, heb ik het vreselijk koud. Ik lig te ijlen. Echt waar! Ik denk aan zilveren lepeltjes bijvoorbeeld, of schrik van mijn zakdoek, die werkelijk kletsnat is, omdat er een trein uit komt gereden.
Ik probeer een troostende dwanggedachte in mijn hoofd te proppen: morgen ga ik naar een hotel waar het warm is en ik mijn eigen toilet heb.
Want het toilet hier is de definitie van armoede (eindelijk! de definitie van armoede: een toilet waar je niet rustig je ding kan doen; Lings toilet was gewoon de beerput van de beesten: geen probleem; hier, bij tante: armoede). Een klein kamertje zonder raam, vlak naast de keuken, waar alles zwart en nat is tot aan het plafond. Trek je de deur open met 1 vinger, dan heb je 1 zwarte natte vinger. Er zitten twee varkentjes in een klein hokje, waar het een en al nat en vuiligheid is. De beesten hebben geen stro, geen droog plekje. Ik weet genoeg van varkens om te weten dat dat niet is zoals ze het zouden willen, en ook aan hun gedrag zie je dat ze niet gelukkig zijn: ze proberen op elkaar te gaan liggen, om toch een beetje in droogte te kunnen slapen. Ze vechten dus gewoon de hele nacht, ik sta er naar te kijken terwijl ik over hun smalle rioolgeul gebogen sta en wou dat ik iets kon doen.
Ja, ik breng die nacht meer tijd door bij de varkens dan bij Broer, met wie ik het bed deel. Niemand in het huis zal wel veel geslapen hebben, want kotsen, daar ben ik goed in. Dat hoor je tot in Keulen. En ik doe het dus de hele nacht.
Ik slaap niet, maar lig de hele nacht te rillen en te beven.
Merk op, lezer, dat ik hier ongeveer de helft van mijn tijd ben. De eerste nacht in China was niet prettig. Nu ik aan de tweede helft begin, beleef ik een gelijkaardige nacht. Ik denk inderdaad veel aan thuis, waar iemand me zou kunnen troosten door me te beloven dat ik beter word.
Niks daarvan hier. Als je zonodig de held wil uithangen door op je eentje door China te gaan reizen, moet je maar wat haar op je tanden hebben.
's Ochtends vroeg, ik beef nu zo hard dat ik nauwelijks mijn veters kan knopen -het is echt waar; ik maak niet voortdurend aantekeningen om dan vervolgens, als ik achter de computer zit, dingen te beginnen verzinnen!-, gaan we weer op pad. Ik heb krampen en ik verlies de controle over mijn ademhaling (het lijkt wel alsof mijn longen veel te groot zijn, ik krijg veel te veel lucht binnen; hyperventileren dus), maar er is niets aan te doen: er zijn hier geen wegen, enkel kleine paadjes, richeltjes waar je niet vanaf wil vallen, bruggetjes over snelstromende riviertjes. Dus ik wandel het hele eind terug naar Lings huis om mijn rugzak op te pikken. Vandaar stappen we naar de weg, waar we een halfuur staan te wachten op een taxi. Een halfuur, we hebben nog geluk.
Al die tijd denk ik maar aan een ding, en dat is: spoedig lig je in bed in een warme hotelkamer.
Een nonkel van Ling, die in de stad woont, zoekt me een goed hotel. Het duurt even, we houden eerst halt in zijn flat (acht verdiepingen klauter ik omhoog! Acht!), waar ik zit te beven tot vroeg in de namiddag.
Hotel. Oef. Ik kruip in bed, geef Ling wat geld, want ze biedt aan wat medicijnen en voedsel te halen. Ze komt terug met drie grote zakken vol. Ik neem vier pillen die vrij snel beginnen te werken.
Gelukkig maar, want een halfuur nadat Ling is vertrokken -ik lig al wat te soezen en beef haast niet meer, maar heb het wel nog erg koud- wordt er op de deur geklopt.
Raad eens, lieve lezer, raad eens.
Twee nors kijkende mannen komen binngewandeld, tonen me hun badge. Politie. Een beetje Engels volstaat: wat doe je hier in Xixiang? Paspoort! De hotelreceptioniste heeft de politie gebeld, want dat is de wet, zoals de heren me tonen in het boekje 'regulations for aliens'. Aliens! In mijn koortsachtige toestand zie ik me aan een loket aanschuiven met voor mij een tentakelig groenslijmerig gezin van Mars en achter me een Hobbit op zakenreis.
Mijn antwoorden -vrij kortaf, want ik ben te ziek om te beseffen dat ik maar beter beleefd kan zijn- stemmen Jansen en Janssen niet vrolijk. Mitkommen!
Fantastisch! Ik houd me een hele nacht sterk met de hoop op een warm bed, sleur mezelf urenlang over berg en dal met diezelfde gedachte, houd mezelf in dat appartement van nonkel in leven met nog steeds die ene hoop, en wanneer ik dan in dat bed lig, word ik eruit gesleurd.
Naar het politiebureau. 'Xixiang is not open!' Dat is tenminste duidelijke taal. Ik probeer niets te zeggen over Ling, maar de receptioniste heeft alles al verklapt. Dus Ling wordt erbij gehaald, ze fungeert als tolk.
Het is tijd voor mijn penis-egotheorie: wie een ego heeft dat groter is dan zijn penis, die gaat bij de politie. Zulks zit ik dus te bedenken terwijl ik zo traag en onduidelijk mogelijk antwoord geef op hun vragen (want ik weet: het is hier toch al verloren, het heeft geen zin om hielen te likken). Drie mannen houden zich bezig met ons. De ene zit maar wat te lachen. De andere kamt gedurende minstens twintig minuten zijn haar. De derde, die geen woord Engels spreekt, voert meestal het woord en rookt de ene sigaret na de andere. Dat komt door zijn orale obsessie, ontstaan doordat zijn moeder het te druk had met haar werk (zijnde: het smegma verwijderen van de dieren in de zoo). Je zal wel denken dat ik dat hier, nu, achter deze computer, zit te verzinnen. Niks van! Ik probeer zoveel mogelijk ongeinteresseerd te zijn in dat politiekantoor dat ik, net als die sigarettenroker, aantekeningen maak. Jaja, allemaal niet erg slim, ik weet het wel, maar ik was nu eenmaal niet in goeden doen.
Ik stel een hoop vragen terwijl ze hun papierberg afhandelen (ik moet zes keer tekenen, mijn naam is Maybe, waaroverheen mijn handtekening), zoals: waarom is Xixiang eigenlijk gesloten voor vreemdelingen? Antwoord: 'Heb je nog andere vragen?'
Ze geven me een boete van 300 yuan. Ik vraag: waarom 300, wie bepaalt dat bedrag? Dat bepalen ze zelf, van 0 tot 500. Fuck it, ik betaal, want ik wil onderhand wel weer weg. Ik maak nog een grapje en zeg, in mijn beste Chinees: 'Jullie zijn met 1, 2, 3. Hier is honderd, tweehonderd, driehonderd yuan.'
Ze vinden het geen leuk grapje.
Om kort te gaan, ik word eruitgegooid. Met Ling naar het treinstation. Ik vertik het om nog voor die avond een ticket te kopen; ik ga terug naar mijn hotel. Goed, ticket voor de volgende ochtend dus. Waarheen? Maakt niet uit, als het maar niet te ver weg is en als ik er maar heen mag.
Hanzhong dus. Ik vind makkelijk een goed hotel (wel vreemd: de internetconnectie zit in de badkamer). 's Avonds word ik zeven keer gebeld (tot ik, wanneer ik slapen ga, de telefoon ontkabel); ik kan geen Chinees maar begrijp de vraag: of ik geen meisje wil voor de nacht? Telkens wanneer ik inhaak, gaat vier seconden later de telefoon in de kamer naast me.
Vannacht werd ik wakker in een zwembad van mijn eigen zweet. Alle ziekte weg. To mega therion, het grote wilde beest leeft weer! (of is minstens aan de beterhand)
Voor we het spectaculaire gedeelte, getiteld: Het Hoofdstuk Xixiang, aanvatten, eerst nog wat losse schrijfsels over Xian.
Wandelend door de stad kom ik doorheen heel wat verschillende wijken, maar een ding hebben ze gemeen: er zijn hier ontzettend veel openbare toiletten, bijna letterlijk op elke hoek van de straat. Het moet zijn dat vele huizen nog toiletten ontberen. Ik zie oude huisjes, kraampjes, een kerel speelt fluit voor wie het horen wil. Ik zie de beestenmarkt, waar een soort paling wordt gespiest en opengereten en nog levend terug tussen zijn broertjes wordt gegooid, krabben in een bak met zaagsel, eenden en konijnen samen in een klein hokje (vrienden zijn het niet), ik zie een vrouw die gekeelde geiten verkoopt met op haar borst een badge 'animal friend'; ik bezoek China's grootste moskee die voor mijn onkundig oog niet veel verschilt van de doorsnee Chinese tempel. Ik zie vuilnisbakken met het opschrift 'Protect the envitonment (sic; variant: enviroment) for peace and good luck'.
China is een communistisch land, en dus zit op de hoek van een straat een twaalfjarig meisje met haar kap diep over haar hoofd getrokken, tegen de kou en tegen de schaamte. Op de stoep heeft ze in krijt haar verhaal geschreven; het moet wel vreselijk zijn, want heel wat mensen gooien haar wat centen toe.
Ik zie de No. 92 Middle School, ook de ziekenhuizen krijgen op die manier hun naam (hadden ze maar in Sint-Lucas en co moeten geloven).
Dan reis ik naar Xixiang. De rit zal zes uur duren, ik heb geen ticket met zitplaats kunnen bemachtigen. Ik wandel het station van Xian binnen op meer dan anderhalf uur voor het vertrek van de trein. Er staan al twee rijen van minstens honderd meter wachtenden. Dat wordt dus moord, doodslag en elkaar mattentaarten op de trein, bedenk ik. Maar het zit me weeral mee. Een conductrice toont me waar het gedrum nog meevalt en waar ik een traptreetje kan bemachtigen. Dan komt een studente voorbijgewandeld: kom maar mee, zegt ze en ze sleurt me door de halve trein (ik laat mijn rugzak achter! domme ik!) waar ze me een coupe toont vol klasgenoten. Die hebben een zitje over, het is voor mij.
De studenten zijn rond de 20, ze hebben nog nooit de zee gezien.
'My grandfather also was an English teacher, he taught me a, b, c and d.'
Ik adopteer een baby van een staande moeder die een halte verder opstapt, het is het minste dat ik kan doen.We rijden een tunnel binnen, rijden minstens een halfuur in het donker.
Wanneer we de tunnel verlaten, barst een luid gejuich los: we hebben de smog van Xian achter ons gelaten en de studenten zien voor het eerst in lange tijd de zon. Very straf.
Het landschap: miniterrasjes op de bergflanken, Zuid-Franse riviertjes.
Die bergen, dat zijn natuurlijk ook muren. Dan zie je zo'n jonge kerel een beetje dromerig naar de voorbij razende trein staan staren, misschien wil hij wel weg uit dit prachtig stukje wereld.
HET HOOFDSTUK XIXIANG
(waarin de auteur China op zijn best en op zijn iets minder best leert kennen)
Ik kom aan in het donker. Er is geen perron, want ik zat achter in de trein en spring dan maar gewoon Xixiang tegemoet. Xixiang is een klein stadje in het zuiden van Shaanxi. Wang Yan Ling wacht me op, we nemen de taxi naar haar huis. We rijden door het zwart, verlaten de stad, rijden een halfuur op weggetjes die die naam niet echt verdienen. Wanneer we uitstappen wandelen we nog een kwartier over paadjes naar haar huis. Ze woont dus in wat je met recht en rede een gehucht kan noemen. Nog even de rivier oversteken (een man heeft wat balken in het water gelegd, daarmee kan je dan, als je oplet, je voeten droog houden; hij woont aan dat bruggetje, de passanten geven hem wat geld) en dan zijn we er. Ongeveer twintig huisjes in een soort bamboebosje (hoog dat die dingen zijn!). Iedereen heeft er een koe ('t lijkt meer een soort waterbuffel, zwart en met grote horens), twee varkens en een hond. De mensen werken op het land, de kippen lopen maar wat rond.
Er is geen verwarming en het is hier koud. Ik slaap in het bed van Lings broer; met haar broer dus, een aardige student rechten. Zijn minuscule mp3-speler lijkt niet op zijn plaats.
Fantastisch om nog eens gewekt te worden door een haan. Wanneer ik buitenwandel en nu, bij daglicht, de omgeving kan bekijken, valt mijn mond open: ze wonen ongeveer honderd meter van de rivieroever (in de zomer stijgt het water spectaculair; aan de plastic zakjes die in de struiken hangen, kan je mooi zien tot waar het water gewoonlijk reikt; Ling: elk jaar verdrinkt hier wel een tweetal mensen), rondom ons liggen bergen te vrijen met wolken onder een veelkleurig deken van veldjes en terrasjes, aan de overkant van de rivier tjokt een trein voorbij (vooral in het donker is dat mooi: driehonderd witte hokjes, mooi op een rij).
Broer wandelt naar de publieke douche met me. Op het dorpsplein is een speech aan de gang: een man probeert zijn medicijn te verkopen. De douche is van een andere soort dan die in Shenyang. Proper en warm zijn hier niet aan de orde. Broer, na het douchen: 'Your hair is confused.' Hetzelfde heb ik als klein kind eens tegen vader in de badkamer gezegd: 'Va, je hoofd ligt in de war.'
Om aan een job te raken, vertelt Ling, moet je een gsm hebben. 1000 yuan. Veel meer dan een maandloon, hier in Xixiang.
In de namiddag wandelen we naar een tante in een ander dorpje, waar we de nacht zullen doorbrengen. Wanneer we daar aankomen -ik voel me kiplekker- en ik me op een krukje laat zakken, slaat de hoofdpijn me bijna achterover. Ik voel het binnen de drie minuten: dit zit heel erg fout.
En ja hoor: ik beleef een afschuwelijke nacht. De koorts komt zeer snel opzetten, veel heftiger dan ik het gewend ben van een verkoudheid. Hoewel ik drie truien aanheb en onder twee dikke dekens lig, heb ik het vreselijk koud. Ik lig te ijlen. Echt waar! Ik denk aan zilveren lepeltjes bijvoorbeeld, of schrik van mijn zakdoek, die werkelijk kletsnat is, omdat er een trein uit komt gereden.
Ik probeer een troostende dwanggedachte in mijn hoofd te proppen: morgen ga ik naar een hotel waar het warm is en ik mijn eigen toilet heb.
Want het toilet hier is de definitie van armoede (eindelijk! de definitie van armoede: een toilet waar je niet rustig je ding kan doen; Lings toilet was gewoon de beerput van de beesten: geen probleem; hier, bij tante: armoede). Een klein kamertje zonder raam, vlak naast de keuken, waar alles zwart en nat is tot aan het plafond. Trek je de deur open met 1 vinger, dan heb je 1 zwarte natte vinger. Er zitten twee varkentjes in een klein hokje, waar het een en al nat en vuiligheid is. De beesten hebben geen stro, geen droog plekje. Ik weet genoeg van varkens om te weten dat dat niet is zoals ze het zouden willen, en ook aan hun gedrag zie je dat ze niet gelukkig zijn: ze proberen op elkaar te gaan liggen, om toch een beetje in droogte te kunnen slapen. Ze vechten dus gewoon de hele nacht, ik sta er naar te kijken terwijl ik over hun smalle rioolgeul gebogen sta en wou dat ik iets kon doen.
Ja, ik breng die nacht meer tijd door bij de varkens dan bij Broer, met wie ik het bed deel. Niemand in het huis zal wel veel geslapen hebben, want kotsen, daar ben ik goed in. Dat hoor je tot in Keulen. En ik doe het dus de hele nacht.
Ik slaap niet, maar lig de hele nacht te rillen en te beven.
Merk op, lezer, dat ik hier ongeveer de helft van mijn tijd ben. De eerste nacht in China was niet prettig. Nu ik aan de tweede helft begin, beleef ik een gelijkaardige nacht. Ik denk inderdaad veel aan thuis, waar iemand me zou kunnen troosten door me te beloven dat ik beter word.
Niks daarvan hier. Als je zonodig de held wil uithangen door op je eentje door China te gaan reizen, moet je maar wat haar op je tanden hebben.
's Ochtends vroeg, ik beef nu zo hard dat ik nauwelijks mijn veters kan knopen -het is echt waar; ik maak niet voortdurend aantekeningen om dan vervolgens, als ik achter de computer zit, dingen te beginnen verzinnen!-, gaan we weer op pad. Ik heb krampen en ik verlies de controle over mijn ademhaling (het lijkt wel alsof mijn longen veel te groot zijn, ik krijg veel te veel lucht binnen; hyperventileren dus), maar er is niets aan te doen: er zijn hier geen wegen, enkel kleine paadjes, richeltjes waar je niet vanaf wil vallen, bruggetjes over snelstromende riviertjes. Dus ik wandel het hele eind terug naar Lings huis om mijn rugzak op te pikken. Vandaar stappen we naar de weg, waar we een halfuur staan te wachten op een taxi. Een halfuur, we hebben nog geluk.
Al die tijd denk ik maar aan een ding, en dat is: spoedig lig je in bed in een warme hotelkamer.
Een nonkel van Ling, die in de stad woont, zoekt me een goed hotel. Het duurt even, we houden eerst halt in zijn flat (acht verdiepingen klauter ik omhoog! Acht!), waar ik zit te beven tot vroeg in de namiddag.
Hotel. Oef. Ik kruip in bed, geef Ling wat geld, want ze biedt aan wat medicijnen en voedsel te halen. Ze komt terug met drie grote zakken vol. Ik neem vier pillen die vrij snel beginnen te werken.
Gelukkig maar, want een halfuur nadat Ling is vertrokken -ik lig al wat te soezen en beef haast niet meer, maar heb het wel nog erg koud- wordt er op de deur geklopt.
Raad eens, lieve lezer, raad eens.
Twee nors kijkende mannen komen binngewandeld, tonen me hun badge. Politie. Een beetje Engels volstaat: wat doe je hier in Xixiang? Paspoort! De hotelreceptioniste heeft de politie gebeld, want dat is de wet, zoals de heren me tonen in het boekje 'regulations for aliens'. Aliens! In mijn koortsachtige toestand zie ik me aan een loket aanschuiven met voor mij een tentakelig groenslijmerig gezin van Mars en achter me een Hobbit op zakenreis.
Mijn antwoorden -vrij kortaf, want ik ben te ziek om te beseffen dat ik maar beter beleefd kan zijn- stemmen Jansen en Janssen niet vrolijk. Mitkommen!
Fantastisch! Ik houd me een hele nacht sterk met de hoop op een warm bed, sleur mezelf urenlang over berg en dal met diezelfde gedachte, houd mezelf in dat appartement van nonkel in leven met nog steeds die ene hoop, en wanneer ik dan in dat bed lig, word ik eruit gesleurd.
Naar het politiebureau. 'Xixiang is not open!' Dat is tenminste duidelijke taal. Ik probeer niets te zeggen over Ling, maar de receptioniste heeft alles al verklapt. Dus Ling wordt erbij gehaald, ze fungeert als tolk.
Het is tijd voor mijn penis-egotheorie: wie een ego heeft dat groter is dan zijn penis, die gaat bij de politie. Zulks zit ik dus te bedenken terwijl ik zo traag en onduidelijk mogelijk antwoord geef op hun vragen (want ik weet: het is hier toch al verloren, het heeft geen zin om hielen te likken). Drie mannen houden zich bezig met ons. De ene zit maar wat te lachen. De andere kamt gedurende minstens twintig minuten zijn haar. De derde, die geen woord Engels spreekt, voert meestal het woord en rookt de ene sigaret na de andere. Dat komt door zijn orale obsessie, ontstaan doordat zijn moeder het te druk had met haar werk (zijnde: het smegma verwijderen van de dieren in de zoo). Je zal wel denken dat ik dat hier, nu, achter deze computer, zit te verzinnen. Niks van! Ik probeer zoveel mogelijk ongeinteresseerd te zijn in dat politiekantoor dat ik, net als die sigarettenroker, aantekeningen maak. Jaja, allemaal niet erg slim, ik weet het wel, maar ik was nu eenmaal niet in goeden doen.
Ik stel een hoop vragen terwijl ze hun papierberg afhandelen (ik moet zes keer tekenen, mijn naam is Maybe, waaroverheen mijn handtekening), zoals: waarom is Xixiang eigenlijk gesloten voor vreemdelingen? Antwoord: 'Heb je nog andere vragen?'
Ze geven me een boete van 300 yuan. Ik vraag: waarom 300, wie bepaalt dat bedrag? Dat bepalen ze zelf, van 0 tot 500. Fuck it, ik betaal, want ik wil onderhand wel weer weg. Ik maak nog een grapje en zeg, in mijn beste Chinees: 'Jullie zijn met 1, 2, 3. Hier is honderd, tweehonderd, driehonderd yuan.'
Ze vinden het geen leuk grapje.
Om kort te gaan, ik word eruitgegooid. Met Ling naar het treinstation. Ik vertik het om nog voor die avond een ticket te kopen; ik ga terug naar mijn hotel. Goed, ticket voor de volgende ochtend dus. Waarheen? Maakt niet uit, als het maar niet te ver weg is en als ik er maar heen mag.
Hanzhong dus. Ik vind makkelijk een goed hotel (wel vreemd: de internetconnectie zit in de badkamer). 's Avonds word ik zeven keer gebeld (tot ik, wanneer ik slapen ga, de telefoon ontkabel); ik kan geen Chinees maar begrijp de vraag: of ik geen meisje wil voor de nacht? Telkens wanneer ik inhaak, gaat vier seconden later de telefoon in de kamer naast me.
Vannacht werd ik wakker in een zwembad van mijn eigen zweet. Alle ziekte weg. To mega therion, het grote wilde beest leeft weer! (of is minstens aan de beterhand)

<< Home