Friday, January 07, 2005

uitstap onder nul

(donderdagavond) Inktkussen op verplaatsing: het treinstation van Harbin is geen erg boeiende plek, maar er is gelukkig een internetcafe. Twee vragen vallen te beantwoorden: wie of wat is een Harbin en wat heb ik er te zoeken?

Harbin is de hoofdstad van de noordelijke provincie Heilongjiang. Als kind zat ik vaak naar mijn bureaublad te staren. Dat was namelijk een wereldkaart en om de een of andere reden droomde ik altijd dat ik voor de voetbalclub van Vladivostok speelde. Welnu, ik kom onderhand aardig in de buurt. Je moet maar eens op de kaart kijken.
Ook niet heel erg ver is Siberie; alvast het weer is Siberisch, het is hier nu ongeveer min 25 graden. Warm is dat niet. Af en toe steekt een ijswind op, maar het valt allemaal best mee: ik ben stevig ingepakt en die sexy vetlaagjes komen eindelijk eens voor wat anders van pas.

Dinsdagavond vanuit Dalian de slaaptrein genomen, die deed er iets meer dan twaalf uur over.
's Ochtends vroeg aangekomen. Eerste waarneming met betrekking tot koude: binnenkant neus bevriest, maar het is geen erg storend gevoel.
Zonder veel problemen gevonden: ontbijt en de bushalte voor lijn 338 die me naar Pingfang brengt, 30 km verderop. De bussen zijn uitgerust met een toestel dat warme lucht op de voorruit blaast; met plastic tape worden stofzuigerbuizen op de ruit gericht, het ziet er heel erg 'McGyver flanst snel iets ineen' uit, maar het werkt wel.

In Pingfang bezoek ik het Unit 731-museum. Tussen 1932 en 1945 hadden de Japanners het hier voor het zeggen. Zoals herhaaldelijk vermeld, moeten de meeste Chinezen niet veel weten van de Japanners; hier in Pingfang zie ik waarom.
Unit 731 was een onderdeel van het Japanse leger dat onderzoek deed inzake biologische oorlogsvoering. Met Chinese en Russische gevangenen (in principe gevangen verzetsstrijders maar soms gewoon van straat geplukte burgers) werd hier lustig geexperimenteerd: allerlei bacterien en virussen, in vivo-dissecties, luchtledigheid, bevriezen, hitte, zo'n beetje alles wat verschrikkelijk veel pijn veroorzaakt. Rond de 4000 mensen werden hier om zeep geholpen. In het museum, dat gelukkig ook Engelse onderschriften heeft, krijg je het allemaal te zien. Ik ben de enige bezoeker en een bewaakmadam volgt me van zaal tot zaal, knipt de lichten voor me aan en achter me uit. 't Is geen erg vrolijke plek, maar wie geinteresseerd is in geschiedenis moet tegen een stootje kunnen. Erg belangrijk -maar helaas slechts gedeeltelijk in het Engels vertaald- zijn de getuigenissen van oude berouwvolle Japanners die beschrijven wat ze zoal deden.
Een ander keertje, als er niet voortdurend stationsmeldingen gebruld worden, schrijf ik er nog wel wat over.

Behalve het administratieve centrum van het complex, waarin het museum huist, schiet er van de enorme basis niet veel meer over: de Japanners hebben het aan het einde van de oorlog opgeblazen (de onderzoeksresultaten werden aan de Amerikanen gegeven in ruil voor vrijstelling van vervolging wegens oorlogsmisdaden; interessant om weten voor Saddams advocaten?). Er zijn wel nog enkele luchtfoto's, het was een gigantisch grote plaats: een gebouw waar de ratten gehouden werden (die werden besmet en dan losgelaten in een dorp om eens te kijken wat dat aanricht), een gebouw waar lijken werden verbrand, een gebouw waar de virussen werden bewaard...
Vergeten is verraad, waarschuwt een bordje nog.

Terug naar het stadscentrum. 't Is nog maar middag, maar ik wandel toch al eens een hotel binnen om uit te vissen hoeveel ze hier gemiddeld vragen voor een bed of, indien niet te duur, een kamer. In het hotel tegenover het station vragen ze 198 yuan voor een eenpersoonskamer; enkel bedden (in een gedeelde kamer bedoel ik; het Nederlandse woord ontglipt me) hebben ze niet. '198 yuan? Maar madam, bekijk mij eens: met mijn Chinese armoejas en ik-kom-uit-een-andere-windrichting-haardos zie ik er toch zeker niet rijk uit?' Na wat gehassepas schiet haar plots iets te binnen: we hebben ook een kamer voor 80 yuan! Er is wel geen water.

In tegenstelling tot wat ik had gehoord zijn er niet zo heel erg veel Russische prostituees. Allemaal de schuld van een zeer recente opkuisactie van de overheid; met hun Campagnes focussen ze altijd op een welbepaald probleem om het enkele maanden later weer volstrekt te vergeten en negeren.

Harbin zelve. Er is hier veel Russische invloed geweest omdat de trein naar Vladivostok hier passeerde en, na 1917, toen de Russische communisten hun utopie lanceerden, vluchtten veel Russen hierheen.
Zhongyang Dajie is de grote winkelstraat van Harbin. Autovrij, erg breed en erg lang, indrukwekkende Russische gevels... de Veldstraat op Russisch-Chinees formaat.
Net als in de rest van China is ook in Harbin het KFC-gezwel neergestreken. Kentucky Fried Cruelty hier, KFC daar, op twee dagen stadsjokken tijd tel ik er minstens vijf.

De winkelstraat komt uit op de brede rivier die uiteraard dichtgevroren is. Paarden- en hondensleeen, glijbanen en zelfs auto's, het kan allemaal op het ijs. De promenade langs de rivier, gevuld met ijssculpturen van ijsberen en pinguins en mickey moes, heet Stalin Park. Zo komen we de Snor ook nog eens tegen!
Behalve enkele Russische gevels is Harbin gewoon de zoveelste Chinese stad: veel dezelfde winkelcentra, flauwe imitatie van westerse glas-en-staal-gebouwen, veel te veel badkamertegels. Overal sneeuw en ijs samengepakt tot een harde zwarte korst.

Wanneer het begint te schemeren, vind ik mijn weg naar Zhaolin park, waar het werelberoemde Ijsfestival net van start is gegaan. Gigantische ijssculpturen waaronder een tempel en duikboot worden verlicht met fluo-lichten die in het ijs zitten. Best indrukwekkend, maar om echt mooi te zijn mocht al dat rood en groen en geel en blauw wat meer ingetogen. Ik heb het meer voor de kleinere werken: gedetailleerd uitgehakte pauwen of zeemeerminnen en meer van dat fraais. Op een heuveltje zit een dikke ijsbuddha te grijnzen. Hij heeft nochtans niet veel reden tot lachen: een kind staat hem met een boomtak te beknuppelen. Als ik dichterbij kom, zie ik waarom: bezoekers hebben er muntstukjes op geplakt. Ik jaag het kind weg.
Het gebruikte ijs is uit de rivier gemachinezaagd, soms is het gewoon wit, soms zitten er luchtbellen in, ik zie ook een bevroren visje.
Het thema dit jaar is blijkbaar het leger, want behalve een reusachtige duikboot hebben ze ook nog een groot vliegdekschip, vliegtuigen en tanks gebouwd. De bijhorende soundtrack, het themanummer van de StarWars-films, wordt constant herhaald.
(De vergelijking met kinderen gaat alweer op. Het is hetzelfde met de winkelcentra hier; vraag een kind om de Zuid in Gent opnieuw in te richten en je krijgt van alles teveel. Teveel lawaai, teveel schreeuwerige kleuren, niet geheel overzichtelijk.)
Ik neem enkele foto's met mijn gloednieuwe digitale camera, maar niet veel, want mijn vingers vinden het niet leuk zonder handschoenen (opmerking van een studente toen ik haar het woord 'handschoen' leerde: 'Moet dat niet handkous zijn?').

Buiten is het koud, binnen is het te warm. In mijn hotelkamer is het bloedheet. Klein kamertje, grote verwarming, niet veel aan te doen.
Het toilet in het hotel houdt wel van een grapje: het licht werkt alleen als je het plafond aanraakt -echt waar! Op de koop toe ben ikzelf een stom kalf: ik ben toiletpapier vergeten meenemen en ik ben te lui om de hoteljuffrouw te zoeken. Een schrijvende mens heeft evenwel altijd papier bij zich (nogmaals dank aan mijn zus voor het handige notitieboekje).

Donderdag. Terug in de stad zie ik een hond op kousen, een muurkrant (een gewone gedrukte krant waarvan elke pagina apart is opgehangen; blijkbaar een verdwijnende gewoonte want het is pas voor het eerst dat ik dat zie) en de ondergrondse. Dat wil zeggen: toen de relaties met Rusland onder het vriespunt terechtkwamen, hebben ze hier in Harbin een heel netwerk van schuilkelders gebouwd. Vandaag zijn het winkels.

Er is ook nog de Sofia-kerk, een mooi staaltje Russische architectuur met ajuintorens enzo. Daarachter straalt Claudia Schiffer, met haar antirimpelcreme heeft ze niet veel last van de kou.
Ik maak ook kennis met het vuilnisophaalsysteem: voortdurend fietsen Mannen Met een Bak rond, ze kloppen op een emmer en dan komt nu en dan iemand wat papier in hun fietsbak gooien.

Arbeid is goedkoop in China, waardoor er in elk restaurant of winkel gewoonlijk vrij veel personeel rondhangt (soms belachelijk veel). In het Russisch restaurant moet ik dus niet lang wachten op mijn champignonsoep; doet fameus deugd na enkele uren rondwandelen.
Goed. Wanneer ik het restaurant verlaat -ik bevind me op een pleintje met grote winkelcentra rondom me; er is veel volk- zie ik een grote groep mensen samentroepen. Wat zal het nu weer zijn. Een kerel die schoenpoetsmiddel showt? Een of ander spelletje? Ik wurm me wat dichter en zie waar iedereen zich vrolijk over maakt. Rare jongens, die Chinezen: een man ligt op de grond, zijn hoofd opengebarsten in een plas bloed. De mensen rondom me kijken en wijzen naar de wolkenkrabber: blijkbaar is de arme kerel gevallen, geduwd of gesprongen. Wat maakt het uit, de omstaanders vinden het vermakelijk. Enkele politieagenten komen niet erg enthousiast aangewandeld met wat kartonnen dozen die ze onhandig over het lijk leggen.

(terug thuis) Dat is dan ongeveer het laatste wat ik zag van Harbin. In het treinstation dus het internetcafe bezocht, en dan rond negen uur de snelslaaptrein terug huiswaarts. Daar ontmoet ik een leerkracht sport op weg naar een sollicitatiegesprek. Negen uur treinen voor een sollicitatiegesprek, welkom in China. Van zijn foreign teacher, een Amerikaan, herinnert hij zich dat 'de Fransen hun oorlogen altijd verliezen, behalve onder Napoleon.' Mmmm.
Zes uur vanochtend: Dalian.
Halfacht: terug thuis, douche.
Halfnegen: afwerking van dit reisverslagje. Tot uw dienst! (Eigenlijk ben ik te lui om thuis te blijven, waar afwas op me wacht.)