Zaagsel van de voorbije weken
1. Er is dat meisje voor het Vivo-winkelcentrum; daar hebben ze (dure) westerse producten, echt brood bijvoorbeeld. Met een stukje krijt heeft ze op de stoep een hele brief geschreven, tien grote tegels vol. Daar zit ze dan intens naar te staren, in haar vuile schooluniform. Rondom haar liggen enkele muntstukken.
Als je de trappen afdaalt om onder het Shengli-plein (of zoiets) te raken, zie je je eigen grootmoeder languit op de grond liggen, haar hoofd hard tegen de stenen duwend. Ze zit in een hoek waar veel volk voorbijkomt, het levert haar meer stompen dan centen op.
Op weg naar het Zhongshan-plein komt je steeds een klein meisje tegemoet, rinkelend met een potje geld. Westerlingen achtervolgt ze nog een vijftal meter verder dan anderen. ‚She wants money’, lachen vergezellende studenten me steeds toe.
Aan het treinstation zit een getaande kaalgekapte kerel. In plaats van scheenbenen en voeten heeft hij plastic zakken om zijn knieen gebonden. Het is je vader.
In totaal dus erg vergelijkbaar met het thuisland: een enkeling op een plein of kruispunt, niet genoeg om het vrolijke stadsleven in vraag te stellen of te bedreigen.
Volgens Yang Zhe, mijn bekoorlijke collega met wie ik een bureauset deel, loopt er in de stad ook iemand rond die rozen probeert te verkopen aan koppels. Kijk eens aan, het wordt steeds Gentser. Ze vertelt ook dat de mensen na enkele recente krantenberichten niet langer geloven dat die bedelaars bedelaars zijn. Sommigen verdienen meer dan eerlijke werkmensen, anderen moeten 's avonds alles afgeven aan hun slavendrijver. Hoera, terug in Gent!
Yang Zhe weet ook nog te vertellen dat nogal wat vuil werk gedaan wordt door mensen uit het Zuiden. 'People from the North are a bit lazy.'
Mijn studenten vragen me vaak: wat is nu eigenlijk het verschil tussen Chinezen en Belgen? Meestal antwoord ik iets in de trant van: ik word verliefd met mes en vork, jij met je kuaizi. Als ze die vraag stellen, maak ik er altijd een punt van het over de –voor mijn vrede toch veel belangrijkere- overeenkomsten te hebben.
2. Vorige week een serieus gesprek gehad met Angela. Wat ik te zeggen had, kwam ongeveer hierop neer: ofwel verander je iets aan hoe je je leven hier aanpakt, ofwel ga je naar huis; maar er moet iets veranderen.
Angela is ongelukkig. Ze is eenzaam, mist haar moeder, verveelt zich, vindt de Chinezen niet leuk, voelt zich niet uitgedaagd, ergert zich aan alles wat niet gesmeerd loopt (in China is dat nogal wat). Ongelukkig, en ik ben de enige –hier- die ervan weet, al kon ze haar tranen tot tweemaal toe niet bedwingen in bijzijn van studenten. Ik heb me lang op de vlakte gehouden wegens geen enkele legitimiteit om haar als een, euh, vader toe te spreken. Meer nog: ik geloof wel in 'gij moet de berg beklimmen om de top te bereiken'; in donkere tijden of om het even wanneer dat nodig is, pak ik mezelf ook militaristisch aan; maar het gaat hier nu even niet over mij. Die aanpak lijkt voor haar niet te werken: ongelukkig zijn is niet altijd nuttig. Dus: als je denkt hier de rest van het jaar miserabel te zullen zijn, moet je misschien overwegen terug te keren. Het is toch al te gek dat je louter omwille van de trots zou blijven. Want nogmaals: als je er versterkt uit zou komen, zou ik je graag zien lijden. Maar het is niet zo. Je sloopt jezelf.
Wordt vervolgd. De voorbije dagen had ze alvast de handen vol met Thanksgiving voor te bereiden in de keuken.
3. Liu Xiu Li is een vaste gaste in de English Corner, elke donderdagavond. Ik ben deeltijds verslingerd, ik wil er niks aan doen. Ze heeft lang haar dat zomaar om haar hoofd waait; zoals ze ermee schudt, het lijkt wel alsof ze in slow-motion leeft. Toch is er niets aanstellerigs aan haar manier van doen; ze is helemaal naturel, vrank en vrij.
De Chinezen zwaaien voortdurend met hun handen. Als je onderhandelt over de prijs van een hotelkamer en je doet een te laag voorstel, krijg je een hand in je gezicht. Als ik bananen en appels koop en betaald heb, zwaait fruitopa ‚tot ziens’ naar me, ook al staat hij amper een halve meter van me vandaan. Erg schattig. Ook in de klas wordt voortdurend gezwaaid; het lijkt alsof ze hallo zeggen, maar ze bedoelen: neeneen, ik zei niks. Liu Xiu Li doet dat ook. De pret danst in haar ogen en ze zwaait met haar handen en haar haar en lijkt je uit te dagen: 'wat ga je nu weer uit je mouw schudden?'
Ik word er helemaal lyrisch van, dat komt de literatuur vast niet ten goede.
4. Zhang Jiaying en Zhou Yan kwamen vorige woensdagavond voetbal kijken. China speelde tegen Hong Kong en om zich te plaatsen voor de wereldbeker moest China winnen met een berg doelpunten, veel meer dan Koeweit, dat op hetzelfde moment tegen Maleisie speelde. De match werd vrij laat gespeeld, dus bleven de dames slapen ('want een dame kruipt niet over muren'). Koeweit won met 6-1 en China met 7-0. Niet genoeg, exit China. Grappig dat Hong Kong, hoewel een deel van China, nog steeds een eigen nationale voetbalploeg heeft, ook al spelen die mannen niet veel beter dan F.C. Hogerop Kalken. (Wat ik als oudgediende een vrij hoog niveau behoor te vinden.)
Het werd dus vrij laat, waardoor ik de jogronde op donderdagochtend oversloeg. Jawel, zakkenwassers! Somtijdse ochtenden, van 6.30 tot 7, loopt een militaristisch kind van B3 naar het strand, alwaar hij de waterlijn volgt en zich nu en dan op erg veertienjarige wijze optrekt aan een roestbruine stang die zijn pad kruist, dit alles samen met een student. Stel je vooral geen bemeermind hagelwit strand voor. Een hoop rommel ontsiert de boel, er is veel betonnen dijk. Maar we zijn er alleen op twee vroege vissers na, de zee leeft al, er staat al eens een ijzige wind... Een aardige wake-up call dus.
In ieder geval, Zhou Yans familie werkt in de gevangenis, dus ik heb gevraagd of ze wat kan regelen dat ik die plek eens kan bezoeken. ‚t Hoort niet echt bij het verhaal, maar de tak is niet minder dan de hak.
5. Gisteren was Girl’s Day in de school, dan mogen de jongens de meisjes bezoeken. Wang Yan Ling en Han Ting Ting (Han Ting Ting! Wat jammer dat ik alle mooie woorden al heb gebruikt) ontmoeten me om vier uur aan de ingang van hun gebouw. Aan de receptie zitten twee serieus kijkende jongens de namen van de bezoekers plichtbewust neer te pennen. Het blijken studentenvertegenwoordigers (van de students’ union dus) die de goede orde in het gebouw bewaken. Stoort het je niet dat het jongens zijn, vraag ik, maar andere zaken houden de dames bezig: ik mag niet binnen! Haja, legt een van de jongens uit, het is na vier uur. De regel zegt: tot vier uur. Hij spreekt een beetje Engels, dus ik aai hem: deze ene keer, ik ben een leerkracht en moest werken tot halfvier (wat overigens waar is), oke? 'Jammer, gaat niet. De regel, weet je wel.'
Juist. Zulke mensen dus, die hun hele identiteit ontlenen aan het rigoureus naleven van belachelijke regels, mensen die hun enige bestaansreden vinden in het verzekeren van hun plaatsje in de hierarchie. Maar ach, de meisjes voelen zich al schuldig genoeg, dus we maken eenvoudig rechtsomkeert en gaan naar mijn woonst. Maar eerst oefen ik nog even mijn beste Chinees op de Hoofdjongen: 'Ni shi faxisi', je bent een fascist (een zinnetje dat ik goed beheers wegens 'fascist' koosnaam zijnde voor Jiaying sinds ze toneel speelde en als duivel een swastika op haar voorhoofd had geschilderd). Ach, die studentenclubs. In eigen land hebben we ze ook, er zitten heel wat prachtige mensen die fantastisch en nuttig werk leveren, en je vindt er ook absolute onbenullen die het inderdaad moeten hebben van regeltjes, linten, vlaggen, protocol, dit alles om de absolute leegte in hun hoofden te vullen. Symbolen, slogans, titels, patriotten: weg ermee.
6. (Het weblogplan was eigenlijk niet over Belgie te schrijven, maar ik wil de regels niet al te rigoureus volgen.)
Om maar eens te tonen hoe nutteloos mijn familie en vrienden wel zijn; de volgende zaken werden mij meegegeven of opgestuurd:
-een jeugdboek over de relativiteitstheorie
-een schoenenborstel uit de tijd van pijpenkrullen en duels, compleet met portret van Queen Victoria
-een opblaasbare hond (was alreeds voorwerp van fotoreportage in de fotoklas)
-een interview met de een of andere voetballer van een of andere club
-een stuk touw, te kort om iets mee vast te binden, te dik om te gebruiken voor kleine dingetjes
-kauwgom, bergen kauwgom, al mag ik dat wegens al dat ijzer in mijn bek niet eten
-een muts van lamawol; samen met mijn Chinese legerjas zie ik er bedrieglijk multicultureel uit
-een stuk glas van een fles die in het kampvuur belandde op die heerlijke plek in de Ardennen
-een mini-altaartje, heel handig voor reizigers
-het speelgoed uit een Surprise-ei
-een plastic zakje (‘misschien hebben ze dat daar niet’)
-museumgids voor een Fins museum
Nutteloosheid is ongetwijfeld een efficient tegengif voor fascistische rigoureusiteit.
Als je de trappen afdaalt om onder het Shengli-plein (of zoiets) te raken, zie je je eigen grootmoeder languit op de grond liggen, haar hoofd hard tegen de stenen duwend. Ze zit in een hoek waar veel volk voorbijkomt, het levert haar meer stompen dan centen op.
Op weg naar het Zhongshan-plein komt je steeds een klein meisje tegemoet, rinkelend met een potje geld. Westerlingen achtervolgt ze nog een vijftal meter verder dan anderen. ‚She wants money’, lachen vergezellende studenten me steeds toe.
Aan het treinstation zit een getaande kaalgekapte kerel. In plaats van scheenbenen en voeten heeft hij plastic zakken om zijn knieen gebonden. Het is je vader.
In totaal dus erg vergelijkbaar met het thuisland: een enkeling op een plein of kruispunt, niet genoeg om het vrolijke stadsleven in vraag te stellen of te bedreigen.
Volgens Yang Zhe, mijn bekoorlijke collega met wie ik een bureauset deel, loopt er in de stad ook iemand rond die rozen probeert te verkopen aan koppels. Kijk eens aan, het wordt steeds Gentser. Ze vertelt ook dat de mensen na enkele recente krantenberichten niet langer geloven dat die bedelaars bedelaars zijn. Sommigen verdienen meer dan eerlijke werkmensen, anderen moeten 's avonds alles afgeven aan hun slavendrijver. Hoera, terug in Gent!
Yang Zhe weet ook nog te vertellen dat nogal wat vuil werk gedaan wordt door mensen uit het Zuiden. 'People from the North are a bit lazy.'
Mijn studenten vragen me vaak: wat is nu eigenlijk het verschil tussen Chinezen en Belgen? Meestal antwoord ik iets in de trant van: ik word verliefd met mes en vork, jij met je kuaizi. Als ze die vraag stellen, maak ik er altijd een punt van het over de –voor mijn vrede toch veel belangrijkere- overeenkomsten te hebben.
2. Vorige week een serieus gesprek gehad met Angela. Wat ik te zeggen had, kwam ongeveer hierop neer: ofwel verander je iets aan hoe je je leven hier aanpakt, ofwel ga je naar huis; maar er moet iets veranderen.
Angela is ongelukkig. Ze is eenzaam, mist haar moeder, verveelt zich, vindt de Chinezen niet leuk, voelt zich niet uitgedaagd, ergert zich aan alles wat niet gesmeerd loopt (in China is dat nogal wat). Ongelukkig, en ik ben de enige –hier- die ervan weet, al kon ze haar tranen tot tweemaal toe niet bedwingen in bijzijn van studenten. Ik heb me lang op de vlakte gehouden wegens geen enkele legitimiteit om haar als een, euh, vader toe te spreken. Meer nog: ik geloof wel in 'gij moet de berg beklimmen om de top te bereiken'; in donkere tijden of om het even wanneer dat nodig is, pak ik mezelf ook militaristisch aan; maar het gaat hier nu even niet over mij. Die aanpak lijkt voor haar niet te werken: ongelukkig zijn is niet altijd nuttig. Dus: als je denkt hier de rest van het jaar miserabel te zullen zijn, moet je misschien overwegen terug te keren. Het is toch al te gek dat je louter omwille van de trots zou blijven. Want nogmaals: als je er versterkt uit zou komen, zou ik je graag zien lijden. Maar het is niet zo. Je sloopt jezelf.
Wordt vervolgd. De voorbije dagen had ze alvast de handen vol met Thanksgiving voor te bereiden in de keuken.
3. Liu Xiu Li is een vaste gaste in de English Corner, elke donderdagavond. Ik ben deeltijds verslingerd, ik wil er niks aan doen. Ze heeft lang haar dat zomaar om haar hoofd waait; zoals ze ermee schudt, het lijkt wel alsof ze in slow-motion leeft. Toch is er niets aanstellerigs aan haar manier van doen; ze is helemaal naturel, vrank en vrij.
De Chinezen zwaaien voortdurend met hun handen. Als je onderhandelt over de prijs van een hotelkamer en je doet een te laag voorstel, krijg je een hand in je gezicht. Als ik bananen en appels koop en betaald heb, zwaait fruitopa ‚tot ziens’ naar me, ook al staat hij amper een halve meter van me vandaan. Erg schattig. Ook in de klas wordt voortdurend gezwaaid; het lijkt alsof ze hallo zeggen, maar ze bedoelen: neeneen, ik zei niks. Liu Xiu Li doet dat ook. De pret danst in haar ogen en ze zwaait met haar handen en haar haar en lijkt je uit te dagen: 'wat ga je nu weer uit je mouw schudden?'
Ik word er helemaal lyrisch van, dat komt de literatuur vast niet ten goede.
4. Zhang Jiaying en Zhou Yan kwamen vorige woensdagavond voetbal kijken. China speelde tegen Hong Kong en om zich te plaatsen voor de wereldbeker moest China winnen met een berg doelpunten, veel meer dan Koeweit, dat op hetzelfde moment tegen Maleisie speelde. De match werd vrij laat gespeeld, dus bleven de dames slapen ('want een dame kruipt niet over muren'). Koeweit won met 6-1 en China met 7-0. Niet genoeg, exit China. Grappig dat Hong Kong, hoewel een deel van China, nog steeds een eigen nationale voetbalploeg heeft, ook al spelen die mannen niet veel beter dan F.C. Hogerop Kalken. (Wat ik als oudgediende een vrij hoog niveau behoor te vinden.)
Het werd dus vrij laat, waardoor ik de jogronde op donderdagochtend oversloeg. Jawel, zakkenwassers! Somtijdse ochtenden, van 6.30 tot 7, loopt een militaristisch kind van B3 naar het strand, alwaar hij de waterlijn volgt en zich nu en dan op erg veertienjarige wijze optrekt aan een roestbruine stang die zijn pad kruist, dit alles samen met een student. Stel je vooral geen bemeermind hagelwit strand voor. Een hoop rommel ontsiert de boel, er is veel betonnen dijk. Maar we zijn er alleen op twee vroege vissers na, de zee leeft al, er staat al eens een ijzige wind... Een aardige wake-up call dus.
In ieder geval, Zhou Yans familie werkt in de gevangenis, dus ik heb gevraagd of ze wat kan regelen dat ik die plek eens kan bezoeken. ‚t Hoort niet echt bij het verhaal, maar de tak is niet minder dan de hak.
5. Gisteren was Girl’s Day in de school, dan mogen de jongens de meisjes bezoeken. Wang Yan Ling en Han Ting Ting (Han Ting Ting! Wat jammer dat ik alle mooie woorden al heb gebruikt) ontmoeten me om vier uur aan de ingang van hun gebouw. Aan de receptie zitten twee serieus kijkende jongens de namen van de bezoekers plichtbewust neer te pennen. Het blijken studentenvertegenwoordigers (van de students’ union dus) die de goede orde in het gebouw bewaken. Stoort het je niet dat het jongens zijn, vraag ik, maar andere zaken houden de dames bezig: ik mag niet binnen! Haja, legt een van de jongens uit, het is na vier uur. De regel zegt: tot vier uur. Hij spreekt een beetje Engels, dus ik aai hem: deze ene keer, ik ben een leerkracht en moest werken tot halfvier (wat overigens waar is), oke? 'Jammer, gaat niet. De regel, weet je wel.'
Juist. Zulke mensen dus, die hun hele identiteit ontlenen aan het rigoureus naleven van belachelijke regels, mensen die hun enige bestaansreden vinden in het verzekeren van hun plaatsje in de hierarchie. Maar ach, de meisjes voelen zich al schuldig genoeg, dus we maken eenvoudig rechtsomkeert en gaan naar mijn woonst. Maar eerst oefen ik nog even mijn beste Chinees op de Hoofdjongen: 'Ni shi faxisi', je bent een fascist (een zinnetje dat ik goed beheers wegens 'fascist' koosnaam zijnde voor Jiaying sinds ze toneel speelde en als duivel een swastika op haar voorhoofd had geschilderd). Ach, die studentenclubs. In eigen land hebben we ze ook, er zitten heel wat prachtige mensen die fantastisch en nuttig werk leveren, en je vindt er ook absolute onbenullen die het inderdaad moeten hebben van regeltjes, linten, vlaggen, protocol, dit alles om de absolute leegte in hun hoofden te vullen. Symbolen, slogans, titels, patriotten: weg ermee.
6. (Het weblogplan was eigenlijk niet over Belgie te schrijven, maar ik wil de regels niet al te rigoureus volgen.)
Om maar eens te tonen hoe nutteloos mijn familie en vrienden wel zijn; de volgende zaken werden mij meegegeven of opgestuurd:
-een jeugdboek over de relativiteitstheorie
-een schoenenborstel uit de tijd van pijpenkrullen en duels, compleet met portret van Queen Victoria
-een opblaasbare hond (was alreeds voorwerp van fotoreportage in de fotoklas)
-een interview met de een of andere voetballer van een of andere club
-een stuk touw, te kort om iets mee vast te binden, te dik om te gebruiken voor kleine dingetjes
-kauwgom, bergen kauwgom, al mag ik dat wegens al dat ijzer in mijn bek niet eten
-een muts van lamawol; samen met mijn Chinese legerjas zie ik er bedrieglijk multicultureel uit
-een stuk glas van een fles die in het kampvuur belandde op die heerlijke plek in de Ardennen
-een mini-altaartje, heel handig voor reizigers
-het speelgoed uit een Surprise-ei
-een plastic zakje (‘misschien hebben ze dat daar niet’)
-museumgids voor een Fins museum
Nutteloosheid is ongetwijfeld een efficient tegengif voor fascistische rigoureusiteit.

<< Home