Sunday, November 14, 2004

weblog= intensief navelstaren

Het weekend was er een van knus moslimfundamentalisme en gezellig racisme. Pardon, dat is niet helemaal juist. Zaterdag was een dag vol stroperigheid met Zhou Yan en Zhang Jiaying in de stad. Normaal probeer ik de stad te vermijden in het weekend, maar, tja.
Eerst naar de foreign language bookstore. Geimporteerde boeken waren peperduur, de Chinese uitgaven het kopen niet waard, al ben ik benieuwd waarover ‘The count of Mnte Cnsto’ gaat. Degelijke Chinese uitgaven bestaan, ze vinden is wat anders.
Ik lees op dit moment Gulliver’s Travels. Interessant om hier een boek te lezen dat vreemde werelden beschrijft. Het debat in mijn hoofd: wanneer ben je in staat te oordelen, heb je wel het recht te (ver)oordelen, wordt hierdoor weer maar eens nieuwe richtingen uitgestuurd.

Niet alleen in mijn hoofd slaag ik erin alles complex te maken, ook simpele zaken als koken vergen een zorgvuldige planning. Zo komt het dat ik pas gisteren, meer dan twee maanden na het moederland ontvlucht te zijn –vechten jullie de burgeroorlog zelf maar uit-pannen en borden kocht. Een dezer komt er dus een bericht dat ik met een ongevaarlijke voedselvergiftiging in het ziekenhuis ben opgenomen. In ieder geval, het overleg in de winkel was niet van die aard dat ik me er al na vier minuten bij ging vervelen, wat doorgaans wel het geval is bij huishoudelijke dinges.
'Waarom zijn alle pannen zo duur behalve deze?'
'Deze is niet zo stevig. Als je ze laat vallen, is ze stuk. Deze pan is dus niet geschikt voor jou.'

Je hebt hier van die fotomachines, waar je zestien foto’s van jezelf kan nemen tegen verschillende achtergronden. Ik heb nu dus een plaatje van mezelf op de cover van Penthouse, Zhang Jiaying die mijn hoofd afhakt, dat soort gedoe. Het is overgewaaid uit Japen en heel erg populair, elke gsm of notitieschrift hangt vol van die fotootjes.

Zondag is de dag van de rust en de lesvoorbereiding. En van de biecht: ik ben eigenlijk geen echte leraar. Ik ben een ordinaire dief. Neem nu wat ik gisteren –zondag dus- voorbereidde: ik doe gewoon dunnetjes over wat we in het vijfde middelbaar in de les Frans bij die unieke meneer L. deden. Uit erkentelijkheid zou ik zijn naam wel willen noemen, maar je weet nooit dat zich onder de zeven lezers van deze weblog een leerling van Sint-Lieven bevindt die hem vervolgens gaat chanteren of uitlachen of stalken.
De les gaat alsvolgt: de leerlingen maken deel uit van een missie op de maan. Om technische redenen moest hun schip landen op een flinke afstand van het moederschip. Om te overleven moeten ze dat moederschip bereiken. Ze krijgen een lijst met dingen die de landing overleefd hebben en maken een rangschikking: wat moet absoluut mee, wat laten ze achter? Lucifers bijvoorbeeld zijn nutteloos, wegens geen lucht op de maan. Een zelfopblaasbaar reddingsbootje is, ondanks de afwezigheid van water, erg nuttig, want je kan jezelf ermee voortstuwen. Dat de watertanks nogal wegen is geen bezwaar, want op de maan voel je maar een zesde van het aardse gewicht. Dat soort dingen. Destijds was het een erg leuke les en ik hoop dat mijn gasten dat deze week ook zullen vinden. Maar toch nog even een dikke kus aan al die leerkrachten uit de goede oude tijd (behalve die ene die, ach, laten we aardig blijven).

Deze zondag was ook een wandelzondag, je kent dat wel: normale mensen blijven binnen maar voor de verdoemden die zich toch buiten wagen, staat er wat wind om een enkel blad herfstachtig door de straat te jagen om je in de juiste stemming te brengen. Heel toevallig –maar toepasselijk- kwam ik op een begraafplaats terecht. In eigen land ben ik minstens drie keer per maand op het kerkhof terug te vinden. Het is daar nu eenmaal rustig. (Cliches zijn cliches omdat ze de waarheid vertellen.)
Die begraafplaats heeft niet veel gemeen met onze kerkhoven. Om te beginnen: er is geen sprake van een 'officiele begraafplaats'. Geen enkele stadsfunctionaris heeft hiervoor ooit toestemming gegeven, er is geen toegangspoort of omheining. Enkele mensen zijn gewoon overeengekomen dat ze een deel van Prospers maisveld –dat op een helling ligt; 'bergen' zijn heilig- zouden gebruiken om mensen te begraven. Er loopt een miezerig paadje heen (dat ik was beginnen volgen om te proberen verdwalen), dat is alles. Er groeien ook gewoon bomen en je moet jezelf maar een weg banen van het ene graf naar het andere.
In totaal ligt hier een vijftigtal mensen. Ik kan ondertussen cijfertjes lezen: de meesten stierven tussen 1999 en vandaag. Het moet zijn dat in 1998 een ander heuveltje te vol begraven was. Grafzerken kennen ze niet; in de plaats krijgt eenieder een hoop aarde over zich heen. Aan zo’n grafheuveltje (dat me doet vermoeden dat hier minder diep gegraven wordt dan bij ons) wordt dan een kniehoog muurtje gebouwd, de mortel gulpt eruit, zoals kinderen een muurtje bouwen. Daar wordt dan vanalles verbrand, geofferd, achtergelaten. Iemand die is achtergebleven schilde voor een verloren kind of geliefde een banaan en een mandarijntje; ik wist niet dat een halfgeschilde banaan ontroerend kon zijn. Een ander liet wat sigaretten achter. Overal lege flessen en batterijen. Op elk muurtje ligt ook een hoop gele papieren, toegedekt onder een steen opdat ze niet zouden wegwaaien (wat natuurlijk wel gebeurt; en gebeurt het niet, dan vergaan die papieren tot pap). Dat is geld voor in het hiernamaals.

Als ik sterf wil ik niks. Helemaal niks. Wie wat wil doen, moet het maar doen. Ik wil niet zo ijdel zijn de overlevenden te gaan vertellen hoe ze zich moeten gedragen als ik er niet meer ben, naar welke muziek ze moeten luisteren. Wie wat voelen wil, ga je gang. Het is wel zo makkelijk: je weet me te vinden, ik ben altijd thuis. Wil je eindelijk zeggen wat je van me denkt: ga je gang, dit keer loop ik niet weg. Wil je wat voorlezen: graag, die van hiernaast krijgt elke week een huilende weduwnaar op bezoek, daar kan ik niet tegenop.

's Avonds belt Angela: ik moet komen helpen. Zij, Han Ting Ting en Wang Yan Ling (niet te verwarren met Wang Lan Ying) hebben veel te veel dumplings gemaakt. Dus als avondmaal eet ik deeg met iets groens erin, sjalotjes ofzo. De Chinezen zijn dol op dumplings, zelf vind ik er niet veel aan.
Daarna kijken we op Angela's dvd-speler naar de nieuwe Spielberg: The Terminal. In de Verenigde Staten woont een heel erg aardige meneer die het niet vindt kunnen dat de Amerikanen als eersten een film mogen zien. Dus telkens een nieuwe film uitkomt, smokkelt die aardige meneer een camera de zaal binnen. Het resultaat is niet helemaal perfect –geluid en beeld zijn niet perfect synchroon, er loopt al eens een laatkomer door het beeld- maar dat verhoogt enkel het plezier. Hoewel ik Tom Hanks graag zie spelen, maakt de film me een beetje kwaad. Ziehier de plot: man uit Oost-Europees landje landt te JFK in New York, maar mag het land niet binnen omdat, terwijl hij op het vliegtuig zat, in zijn land een staatsgreep plaatsvond. Gevolg: zijn papieren zijn niet meer geldig en hij woont enkele maanden in de luchthaventerminal. Wanneer de burgeroorlog in zijn land ophoudt, komt alles in orde. Wat onthouden we van de film? Een: Oost-Europese landjes verzeilen al eens in een oorlog, maar enkele maanden later komt 'Peace in Krakozhia' op CNN en zijn alle problemen van de baan. Twee: Mensen die geen Engels spreken zijn 'le noble sauvage': een goede inborst en 'boerenverstand' maar toch niet echt verstandig of rationeel ('zoals wij'). Drie: Amerika is het beloofde land.
Nu is dat laatste wel waar, in Amerika is alles nu eenmaal goed en mooi, maar toch, je moet niet overdrijven. Gebuisd, Spielberg!

Vanochtend een wandeling gemaakt van winkeltje tot winkeltje. Je zou denken: dit is China, als er iets alomtegenwoordig is, moet het wel rijst zijn. Niks van. Nergens te vinden. Dat komt doordat al die winkels hier afgestemd zijn op de studenten, die in hun gebouwen geen keukens hebben. Vandaar ook de soms gretige vragen van die arme schapen of ze eens mogen komen koken. In al mijn goedheid zeg ik niet neen, en nu ik eindelijk kookgerei heb, ziet de toekomst er rooskleurig uit. Nu nog religie met wortel en tak en geweldloos uitroeien en we zijn er.