ongecensureerd reisverslag, deel 1
donderdag 30/09
Na het versturen van een massamail (want Inktkussen doet weer niet mee) kuier ik naar Xiong Hao om mijn loon te innen. Ik ben amper binnen of ze hyperventileert volgende boodschap mijnswaarts: probleem met je paspoort!, namelijk: ik heb het niet! (dat is natuurlijk vrij problematisch gezien ik binnen enkele uren op reis vertrek.) Dus sommeert ze me binnen dertig minuten klaar te zijn, gepakt en gezakt.
Maar eerst krijg ik nog mijn Eerste Voltijdse WerkmensLoon: een stapeltje cash in een bruine envelop. I'm a made guy!
Nu goed, ik storm dus naar huis, zwier wat kleren in mijn rugzak, tand mijn poetsen -zo snel moet alles gaan!- en word naar de stad gescheurd. Ik heb zelfs amper de tijd om twee bewijzen van vaderlijke en moederlijke liefde te bekijken.
enkele minuten voor sluitingstijd het kantoor binnengeholderdebolderd, en dus veilig alles in orde.
Oke. Mijn eerste zeetocht, het is een bewolkte dag; we hebben dan ook de goedkoopste tickets gekocht. Niettemin, vrij comfortabele zitjes. Van vier tot tien uur, dat is drie uur langer dan ons was verteld, maar een kniesoor die daarover zeurt.
In Yantai volgen we blindelings de Rough Guide, en het hotel is perfect in orde (zij het tevens een bordeel, maar mij hoor je niet klagen).
Vrijdag 01/10
De republiek bestaat 55 jaar. Niemand die er zich wat van aantrekt.
Na flink wat uitleggen en noteren kopen we tickets naar Jin'an. De trein gaat pas in de namiddag, zodat we eerst Yantai verkennen.
Yantai is wat nonchalanter dan Dalian. Hier mag al eens een blad de herfst aankondigen zonder dat het meteen door een bouwvallig oud vrouwtje wordt opgeveegd.
In een tempel wordt, zoals in alle musea ter wereld, gevraagd om milde giften. Wie duizend yuan schenkt, komt op een plaat terecht 'voor honderd generaties' (enkele dagen later zien we de Confuciustempel nog beter doen: voor 1 miljoen yuan krijg je een processie ter jouwer ere in een Chinese stad naar keuze).
14-23u: op de trein, net als bij ons (maar wat is toch die Chinese obsessie met dat constant vegen?). Niet als bij ons: mensen praten met elkaar, hebben het binnen de vijf minuten over 'mijn tante', die ze net ontmoetten. China is een groot land met mais.
Jin'an. De reisgids heeft gelijk: taxidudes zijn inderdaad erg agressief. In het halfuur dat we door de stad stappen op zoek naar een betaalbaar hotel, worden we continu gevolgd door een rijtje taxi's. In het hotel het verplichte nummertje met een kruipend beest.
Zaterdag 02/10
Boot, trein en bus op drie dagen tijd. De bus is net als bij ons, al had ik Dolph Lundgren nog nooit Chinees horen praten. We rijden 100 km naar Tai'an, waar we meteen doorbomen naar de berg Tai (Tai Shan), de meest heilige berg in China. Dat doorbomen doen we middels driewieler, waarvan de uitlaat ongeveer recht in mijn gezicht spuwt. De chauffeur, die drommels goed weet dat we naar de berg willen, brengt ons naar een hotel. Fuck you too, bitch, Tai Shan, Tai Shan en nog eens Tai Shan. Als hij ziet dat hij de kans niet krijgt om ervandoor te gaan omdat we gewoon blijven zitten, geeft hij toe en levert ons netjes af.
Aan het begin van de route bezoeken we een tempelcomplex, alwaar teveel winkeltjes (tot en met in de tempel zelve) enige historische melancholie onmogelijk maken. Ik zou wel als Jezus willen zijn, die de marktkramers uit de tempel schopt, maar hier in Rome moet je doen zoals alle Chinezen.
Grote obeliskachtige dingen die op agressieve schildpadmonsters gemonteerd staan: heerlijk! Wildvreemden willen met ons op de foto. Bon, en dan begint de pret: enkele uren lang trappen beklimmen. tienduizend hello's worden je in het gezicht gesmeten door overvriendelijke/ergerlijke Chinezen. Ik heb er wel lol in, het is lang geleden dat ik mijn rugzak nog eens uitliet.
Bovenaan de berg is het koud, koud en fris bovendien. Om onbestemde redenen -misschien omdat dat toch wel de laatste plaats is waar je zoiets zou verwachten- koop ik van een kraampje op het hoogste punt van China's meest heilige berg, een Amerikaanse kaartenspeelboek van de meest gezochte Iraki's. De realiteit is niets anders dan slechte fictie.
Zondag 03/10
03.40u. De Chinezen zijn wakker en wij dus ook.
04.30u. We wandelen naar het oosten van de berg, waar de zonne zich onttrekt van de kimme, en doen dat met 2000 uitgelaten anderen. Complete waanzin: donker, smalle paadjes, en iedereen struikelt over elkaar.
Ik ben groot, groter dan degenen voor mij, en zie hoe de zon -zelf nog niet te zien; 't is het voorprogramma-een rode lijn over de aarschijf scheurt, van links naar rechts (of zoals de eerste zin in een verder te vergeten kortverhaaltje dat ik pleegde, waar een Chinees in Chinees Engels vertelt over een slechte nachtrust:'I saw it when it was dark, and then I saw it becoming a light'). Aardig.
En dan wordt het plots dag en zien we de eerste contouren van de zon, onder luid ge-oeh en -aah. Inderdaad de klimtocht waard.
Tot zover deel 1 van het ongecensureerd reisverslag.
Na het versturen van een massamail (want Inktkussen doet weer niet mee) kuier ik naar Xiong Hao om mijn loon te innen. Ik ben amper binnen of ze hyperventileert volgende boodschap mijnswaarts: probleem met je paspoort!, namelijk: ik heb het niet! (dat is natuurlijk vrij problematisch gezien ik binnen enkele uren op reis vertrek.) Dus sommeert ze me binnen dertig minuten klaar te zijn, gepakt en gezakt.
Maar eerst krijg ik nog mijn Eerste Voltijdse WerkmensLoon: een stapeltje cash in een bruine envelop. I'm a made guy!
Nu goed, ik storm dus naar huis, zwier wat kleren in mijn rugzak, tand mijn poetsen -zo snel moet alles gaan!- en word naar de stad gescheurd. Ik heb zelfs amper de tijd om twee bewijzen van vaderlijke en moederlijke liefde te bekijken.
enkele minuten voor sluitingstijd het kantoor binnengeholderdebolderd, en dus veilig alles in orde.
Oke. Mijn eerste zeetocht, het is een bewolkte dag; we hebben dan ook de goedkoopste tickets gekocht. Niettemin, vrij comfortabele zitjes. Van vier tot tien uur, dat is drie uur langer dan ons was verteld, maar een kniesoor die daarover zeurt.
In Yantai volgen we blindelings de Rough Guide, en het hotel is perfect in orde (zij het tevens een bordeel, maar mij hoor je niet klagen).
Vrijdag 01/10
De republiek bestaat 55 jaar. Niemand die er zich wat van aantrekt.
Na flink wat uitleggen en noteren kopen we tickets naar Jin'an. De trein gaat pas in de namiddag, zodat we eerst Yantai verkennen.
Yantai is wat nonchalanter dan Dalian. Hier mag al eens een blad de herfst aankondigen zonder dat het meteen door een bouwvallig oud vrouwtje wordt opgeveegd.
In een tempel wordt, zoals in alle musea ter wereld, gevraagd om milde giften. Wie duizend yuan schenkt, komt op een plaat terecht 'voor honderd generaties' (enkele dagen later zien we de Confuciustempel nog beter doen: voor 1 miljoen yuan krijg je een processie ter jouwer ere in een Chinese stad naar keuze).
14-23u: op de trein, net als bij ons (maar wat is toch die Chinese obsessie met dat constant vegen?). Niet als bij ons: mensen praten met elkaar, hebben het binnen de vijf minuten over 'mijn tante', die ze net ontmoetten. China is een groot land met mais.
Jin'an. De reisgids heeft gelijk: taxidudes zijn inderdaad erg agressief. In het halfuur dat we door de stad stappen op zoek naar een betaalbaar hotel, worden we continu gevolgd door een rijtje taxi's. In het hotel het verplichte nummertje met een kruipend beest.
Zaterdag 02/10
Boot, trein en bus op drie dagen tijd. De bus is net als bij ons, al had ik Dolph Lundgren nog nooit Chinees horen praten. We rijden 100 km naar Tai'an, waar we meteen doorbomen naar de berg Tai (Tai Shan), de meest heilige berg in China. Dat doorbomen doen we middels driewieler, waarvan de uitlaat ongeveer recht in mijn gezicht spuwt. De chauffeur, die drommels goed weet dat we naar de berg willen, brengt ons naar een hotel. Fuck you too, bitch, Tai Shan, Tai Shan en nog eens Tai Shan. Als hij ziet dat hij de kans niet krijgt om ervandoor te gaan omdat we gewoon blijven zitten, geeft hij toe en levert ons netjes af.
Aan het begin van de route bezoeken we een tempelcomplex, alwaar teveel winkeltjes (tot en met in de tempel zelve) enige historische melancholie onmogelijk maken. Ik zou wel als Jezus willen zijn, die de marktkramers uit de tempel schopt, maar hier in Rome moet je doen zoals alle Chinezen.
Grote obeliskachtige dingen die op agressieve schildpadmonsters gemonteerd staan: heerlijk! Wildvreemden willen met ons op de foto. Bon, en dan begint de pret: enkele uren lang trappen beklimmen. tienduizend hello's worden je in het gezicht gesmeten door overvriendelijke/ergerlijke Chinezen. Ik heb er wel lol in, het is lang geleden dat ik mijn rugzak nog eens uitliet.
Bovenaan de berg is het koud, koud en fris bovendien. Om onbestemde redenen -misschien omdat dat toch wel de laatste plaats is waar je zoiets zou verwachten- koop ik van een kraampje op het hoogste punt van China's meest heilige berg, een Amerikaanse kaartenspeelboek van de meest gezochte Iraki's. De realiteit is niets anders dan slechte fictie.
Zondag 03/10
03.40u. De Chinezen zijn wakker en wij dus ook.
04.30u. We wandelen naar het oosten van de berg, waar de zonne zich onttrekt van de kimme, en doen dat met 2000 uitgelaten anderen. Complete waanzin: donker, smalle paadjes, en iedereen struikelt over elkaar.
Ik ben groot, groter dan degenen voor mij, en zie hoe de zon -zelf nog niet te zien; 't is het voorprogramma-een rode lijn over de aarschijf scheurt, van links naar rechts (of zoals de eerste zin in een verder te vergeten kortverhaaltje dat ik pleegde, waar een Chinees in Chinees Engels vertelt over een slechte nachtrust:'I saw it when it was dark, and then I saw it becoming a light'). Aardig.
En dan wordt het plots dag en zien we de eerste contouren van de zon, onder luid ge-oeh en -aah. Inderdaad de klimtocht waard.
Tot zover deel 1 van het ongecensureerd reisverslag.

<< Home