Sunday, September 19, 2004

Omdat ik Vlaming ben

Een doodgewoon weekend: mensen gezien en veel gekletst, flink geschreven aan vanalles, uit eten gegaan en gedronken en het grootste plein van Azie bezocht.

Eerst de mensen: zaterdagvoormiddag kwam de eerstejaarsstudent die Engels leerde aan het raam van zijn zus' klas me opzoeken. Hij brengt een zak vol koekjes en qiaokeli (chocola) voor me mee en het lukt niet om te weigeren. Hij vertelt over de militaire training; dat de meesten die kung fu-pasjes maar flauwekul vinden -al ziet zo'n plein vol synchrone eerstejaars in nep-Nike-pakken die de school hen bezorgt er bij momenten wel indrukwekkend uit- en dat ze nu ook televisielessen krijgen over Irak. De Tweede en Derde Golfoorlog worden geanalyseerd: waarom den Amerikaan die stad op die manier aanviel, dat soort strategoflauwekul voor de grote jongens. Wordt er ook iets gezegd over het waarom van die oorlogen? Neen, niks, maar aan het eind van de televisieles wordt wel beklemtoond dat alle conflicten in vrede moeten worden opgelost. Waarom dan zoveel tijd en energie verspild wordt aan tactiek en strategie en leren marcheren is me niet helemaal duidelijk, maar 't zal wel aan mijn bezoedelde brein liggen.

Ook nauw aan het hart gelegen: de geregelde bezoekjes van Zhang Jiaying, een van de betere studentes, en haar vriendin (zo verlegen dat ik steeds haar naam vergeet). Ik klets de hele namiddag met hen (eigenlijk: haar, en ze vertaalt voor haar vriendin) weg en slaag erin een deel van de chocola weg te geven. Uiteindelijk fluistert Vriendin dan toch: 'Is you think I can pass the exam?' Ik zeg neen, tenzij je hier nu dinsdag terug aanklopt. Je mag Zhang Jiaying meebrengen als je wil, maar ze mag geen woord zeggen.
De situaatsie is namelijk alsvolgt: in december leggen de studenten een CET-examen af (waarmee ze op sollicitaties hun kennis van het Engels officieel kunnen bewijzen), en Jiayings vriendin is nog niet voorbij het A-niveau geraakt (het makkelijkste examen).
's Avonds ga ik uiteten met een jongen en een dame uit de klas P.R. Guo Dong haalt eten en komt terug met o.a. een flinke beker cola en liters bier. 'I want you drunk', kondigt hij aan, om zes flessen later mijn overwinning toe te geven. Niet dat ik zo'n held ben in drinkgelagen, zoals zekere niet te vertellen verhalen verhalen, maar Chinees bier slaat je niet meteen omver.
't Is niet dat ik het zoek, want hij begint er zelf over, maar het gesprek komt weer op Taiwan. Iedereen denkt hier hetzelfde: de Taiwanese regering is een bende zakkenwassers gedirigeerd door de Amerikanen, en de meeste Taiwanezen willen terug bij het vasteland. Daarover kan ik verder niks zinnigs zeggen, dus ik vraag waarom een reusachtig land als China het zo belangrijk vindt dat zuchtje eiland terug te krijgen. Mannelijke trots, antwoordt de dame en ze sipt van haar cola. Nationale veiligheid, antwoordt de jongen en hij klinkt nog eens onze glazen (wat betekent: ad fundum). Uitleg: Amerika kan ons aanvallen vanuit Taiwan. Dat klinkt misschien erg paranoide, maar anderzijds moet toch worden opgemerkt dat het omsingelde gevoel niet helemaal onterecht is: behalve in 'rich Korea' en Afghanistan zoeken de Amerikanen nu immers ook naar vestigingen in andere -stan-landen. Volgens hem komt er oorlog van, en ik weet niets anders te verzinnen dan dat ik hoop dat de Amerikanen hun gigantische investeringen in China naar waarde zullen schatten (want ik wil niet even cynisch klinken als de televisieles).

Zondag is een andere dag: naar de stad! We hebben tickets versierd voor een verder onbekend 'modegebeuren', dat bij aankomst niets anders blijkt dan een gigantische kledijverkoop. Bijzonder oninteressant dus, ware het niet dat ik er voor 100 yuan een steamer koop!! Strijken is geschiedenis, maar wij zullen eerst zien en dan gelukkig zijn. Maar je kan er naar verluidt ook pluisjes mee van je kleren halen.
Daarnaast is er ook nog de locatie: Xinghai square, het grootste plein van Azie, is een reusachtig(e) oninteressante kermis. Meer valt er niet over te zeggen, alleen dat tegen de wand van een heuvel en met zicht op zee een fonkelnieuw Noordduits kasteel staat (torentjes! kantelen! hangbrug! Kom maar op, Amerikanen!), dat er een Brits schip voor de kust ligt (maar wel op haar zijkant) en dat men ook op modeshows met dik tapijt lustig spuwt of eten op de grond gooit (maar nog veel viezer dan dat is natuurlijk al dat bont). Met andere woorden: ik heb vandaag, op mijn verjaardag, geprobeerd waardig ouder te worden, maar het is me alweer niet gelukt.

(Het proberen schuilt hierin dat ik na thuiskomst zowaar nog enkele uren gebogen heb gezeten over een Chinees woordenboek, in de 'bibliotheek'; ik vrees dat voorlopig enkel het gegrijns van studentes blijft hangen. Chinees is niet gemakkelijk te leren: Zhongwen nan xue, of zoiets.)