ik woon buiten
Dit wordt weer zo’n tekst waar geen rode draad in te bespeuren valt, zeg niet dat ik je niet gewaarschuwd hebt. Losse schrijfsels, kant noch wal, resultaten van avonden waarop ik... lees het onder nummer 1, ik ben te lui om mijn zinnen te veranderen. Kogels door kannen en kruiken en anarchie!
1. Als ik 's avonds die ene sigaret rook op mijn balkon, warm ingeduffeld in Chinese legerjas, geniet ik van hoe de dag sterft: een late student kruipt over de muur, in de verte brult een vrouw tegen haar vent die een halve seconde eerder wat liet vallen... Ik
rook met mijn rechterhand, anders kan ik vervolgens niet schrijven; het is hier plots koud geworden, mijn vingers zijn flink gekloofd (aantal ontvangen verzorgingscremes voorlopig afgeklokt op 2). Ik gooi de peuk een verdieping lager op de grond (om de
volgende dag buiten dan ergens een peuk op te rapen; als iedereen leefde zoals ik, de wereld zou er nooit op vooruitgaan) en kijk hoe die langzaam uitdooft. Het is niet zozeer het lichtje dat verdwijnt, maar de duisternis die groeit, alsof je in de ogen kijkt van
een stervende.
2. Ik sta toevallig een trui te wassen –ijskoud water kan soms koud zijn- wanneer Jiaying ('t is nog eens tijd voor mooie woorden), kaneelparel en straalkermisvogel (ze speelde piano voor me, of eerder Voor Elise; van elke van de honderd piano’s in deze
school is er wel een toets die het laat afweten, maar het was toch schoon. En de volgende avond op het strand, terwijl vrouwen met mijnwerkerslampen beginnen aan hun avondlijke
graafwerken op zoek naar Beesten die zich in het zand verstoppen, klaagt ze dat ik niet lang in China blijf:
'Jamaar, I’m not going home tomorrow.'
'But if feels like tomorrow.'), wanneer ze me dus komt bezoeken terwijl ik mijn, laten we eerlijk zijn, volstrekt onpraktisch sneeuwwitte trui sta te wassen, schopt ze me zowat het badkamertje uit. De afwerking lijkt nergens op, brult ze, waarna ze de klomp zeep
opnieuw genadeloos over mouw en kraag jaagt. Nu word ik af en toe wel graag verwend, maar 't moet niet te ver gaan.
'Jiaying, I feel bad that you wash my clothes.'
'I feel bad when you wash your clothes!'
Voor alle duidelijkheid toch even vermelden dat dit een eenmalige huishoudelijke interventie was (en overbodig, want ik doe mijn was flink).
3. Wang Lan Ying zegt dat ze het jammer vindt dat om tien uur de lichten onverbiddelijk uit gaan, omdat ze zich 's avonds het best kan concentreren: 'In the evening my brain is very lovely.'
4. (met dank aan de Vlaamse Geschiedkundige Kring voor de inspiratie) Heb een haarreferendum gehouden in de klas. Wie het welletjes vond en me naar de kapper wou
zien gaan, stemde ja, wie van mening was dat mijn hoofd beter even braak blijft liggen, stemde neen. Met twintig stemmen tegen zestien heeft de klas beslist dat scharen voorlopig uit den boze zijn. Jammer, want ik moet tegenwoordig mijn haar al beginnen kammen, maar het bleek een enthousiasmerende invalshoek om wat woorden als 'vertegenwoordiging', 'regering' en 'kaalkop' vanonder het stof te halen.
5. Mijn studenten hebben het niet getroffen: ik ben niet erg gul met punten. In deze competitiesfeer maakt dat de meer ambitieuze studenten natuurlijk nerveus. Ze willen prijzen halen, de beste zijn, beter, meer, alles. Het schoolreglement zegt dat maximum twintig procent van de studenten gebuisd mag worden, idem voor grote onderscheidingen. Dat laatste zal geen probleem zijn, het eerste zal in de klas van de laatstejaars
wikken en wegen worden. Ik kan het ook niet helpen dat ze geen bal geven om hun huiswerk gezien de helft onder hen al een contract op zak heeft (zie verder. Dan toch een rode draad?). Tranen bij week dier Qu Li, want met 12.5 op 20 is ze net niet gebuisd.
'Waarom heb ik zo weinig punten?'
'Omdat het slecht was. Michael Moore is helemaal geen zestig jaar oud.'
Waarna een uitleg volgt over hoe lastig het wel is om altijd de beste te moeten zijn. We hebben het ook over de toekomst en dat de sfeer op de Chinese werkvloer wellicht niet veel beter zal zijn. Maar Qu Li is zo’n snoepgoedzoet die bij elke bedelaar blijft stilstaan, ze weet zelf ook dat ze veel te goed is: 'You know, it’s not easy to be good in the economy.' Mijn leerkrachterig talent reikt niet verder dan haar krachtig 'fuck you' te leren zeggen. Ze mag daarnaast ook, net als iedereen die dat wil, haar huiswerk opnieuw maken.
Ik ben definitief overgelopen naar the dark force.
6. (even op je tanden bijten, dit is een wat langer stukje; maar hierna eindigen we met een mooi kerstsfeertje, oke? En volgende keer schrijf ik weer eens over wat anders dan mezelf, over een bezoek aan teacher Fang wiens huwelijk in staat van ontbinding verkeert en zijn woonst dus ook, over kerst, mondelinge examens, Angela's vertrek...)
Dit weekend was ik tweemaal bij de dokter ('the hospital', prive-dokters zijn hier minder in trek). Jiaying had geen geld meer om haar dagelijkse baxter te betalen, dus ik schoot het haar voor en zat tweemaal drie uur in een zaaltje met enkele anderen die hun dagelijkse dosis vitamine of geneesmiddel in hun bloed gepompt kregen. Haar behandeling voor een ordinaire bronchitis kost zestig yuan per dag. Dat is een bedrag om even van te slikken. Zowat de helft van mijn laatstejaarsstudenten heeft al een job; zodra ze in juni afstuderen, kunnen ze aan de slag. De economie holt hier in een iets hoger tempo. Qu Li is een van de gelukkigen, zij heeft een baan gevonden. 'Wat verdient dat,' vraag ik haar, 'zo’n eerste job in secretaressewerk?' '600 yuan per maand en ik krijg ook lunch. De huur van een appartementje zal 2-300 yuan zijn.' Ik hoop dus maar dat Qu Li geen bronchitis opdoet.
‚t Was gisteren weer kookfestijn alhier. Alles wat met water te maken had, gebeurde noodgedwongen in mijn lavabootje in het badkamertje, want de afvoerpijp in de keuken heeft het begeven, een vijftal dagen geleden. Terwijl ik stond af te wassen –want ik kook
dus ook zelf- had ik plots natte voeten. Je moet er toch wel van houden, van die Chinese aanpak. Wanneer ik de concierge op mijn natte voeten wijs, komt hij samen met zijn collega een kijkje nemen naar mijn afvoerpijp. Daar staan ze dan, twee grijzende
vijftigers in China.
'’t Is kapot.'
'Mmm, kapot,' knikt de ander.
Ze draaien zich om, wandelen even de woonkamer in –Kamagurka, affiche voor boekenbeurs, wat foto’s, enveloppes die ik steevast aan de muur hang, confituur...- en gaan dan weg.
Binnen anderhalve week ofzo, bij voorkeur wanneer ik onder de douche sta, komt iemand het probleem wel verhelpen.
Mensen kijken, 't is een interessante bezigheid. Allemaal de schuld van moe en va. Een enkel voorbeeld moet maar volstaan om dat toe te lichten.
Londen, zomer 200?. Moeder en kroost zitten in de schaduw van de London Tower even uit te puffen. Rondom ons is het rustig, de meeste andere toeristen zien er al even uitgeteld uit. Temidden zijn hele huishouden –een rugzakje en wat flessen- zit een duidelijk
dakloze en niet erg intensief bedelende kerel te genieten van de zon. Hij moet in de dertig zijn. Wat verder zit een duidelijk niet dakloze jongedame mooi te wezen. Hij begint wat met haar te kletsen, 't ziet er eigenlijk best een prima kerel uit. 'Kom,' schudt moe ons wakker, 'die heeft vast wel wat te vertellen.' Ze heeft natuurlijk gelijk, maar het kwam niet in me op, het kwam gewoon niet in me op; voor zoiets heb je moeders nodig, veronderstel ik. Dus gaan we naast hem zitten en vragen of we wat mogen vragen. De jongedame muist zich weg. Hij -ik ben zijn naam vergeten, misschien had hij dat ook niet meer- veegt ons even de mantel uit dat we zijn meisje hebben weggejaagd, maar begint vervolgens te vertellen over Hoe Het Zover Is Kunnen Komen: ''t Is vrij eenvoudig: ofwel heb je geld, ofwel heb je problemen', wat hij doet als hij ziek is: 'Ik ga ergens liggen en hoop dat ik sterf'... Even verderop staat een fonteintje waar toeristen kleingeld in gooien voor het vlotte verloop van vaders operatie of examens van dochterlief. Ik vraag hem of hij daar wel eens in vist: 'I don't steal people's wishes.'
Terug thuis heb ik er een gedicht over geschreven dat vervolgens door vader volkomen in de grond werd geboord ('ik zal niet zeggen dat je elke mogelijke fout maakt, maar het scheelt niet veel'), terecht overigens; wat betreft gedichten ben ik een analfabeet, ik kan ze lezen noch schrijven.
7. Vrijdagnamiddag. Yan, Jiaying en de vreemdeling gaan naar de stad (nieuwe schoenen, type bergwandel-, voor zestien euro! Walgelijk warm lang ondergoed, groente, waspoeder en Madame Bovary; ach, ik ben een ongevaarlijke burger geworden). Het vriest, ook onder
nul, daarom allicht dat het bedeljongetje –tien, niet ouder- me met de moed der wanhoop aanklampt. Hij ziet er vreselijk uit in zijn versleten zomerplunje, vuil en met een veel te rood gezicht dat zegt 'Ik woon buiten.' Hij probeert me staande te houden, trekt aan
mijn kleren, loopt een eindje met ons mee. Winkeliers en passanten schreeuwen dat hij me met rust moet laten, halen naar hem uit. Het zal hem een zorg wezen. 'Ni e?' vraag ik, heb je honger? 'Yes,' zegt hij en ik blijf er even bij stilstaan: wat bezielt me toch om
gewoon verder te lopen? Dus we kopen een berg brood, voor minder dan een euro, godbetert. Het idee om een bedelaar gewoon voorbij te lopen!
Terug naar de andere wereld: ik maak een eerdere belofte waar en trakteer hen op pizza, weliswaar het flauwe gedoe van de Pizza Hut, maar niettemin een heel avontuur want Pizza Hut is hier peperduur; met mijn riant leerkrachtloon kan het wel. Voor de meisjes was het voor het eerst dat ze pizza aten. Met mes en vork. Heerlijk om hen daarmee te zien sukkelen, want ze zijn het natuurlijk niet gewend beide handen te gebruiken; en dan te bedenken dat in eigen land mensen me op restaurant gewoonlijk licht geschokt aankijken als ze zien hoe ik mes en vork hanteer.
Het was dus koud, er was liefde, buikjes rond –of toch de onze- en vele kerstlichtjes voor wie daarvan houdt... Om het helemaal mooi te maken werd ik nog getrakteerd op een zalige busrit. Het was er warm want vol mensen, mijn gekloofde linkerhand werd warmgehouden door Yan en de andere door Jiaying ('you need good hands, because you always use your hands in class'). Terwijl Yan indommelde, probeerde Jiaying mijn hand te laten verminken door de hond van het meisje naast haar. Nice try, maar mijn hand was ongeveer even groot als het beest zelf, zo’n klein wit knuffeldier dat enkel slaapt en lief kijkt. 'Lunch?' vraag ik stout, maar niemand begrijpt wat ik bedoel, dat wil ook wel eens handig zijn.
Het is na tienen als we de school bereiken. Dus kruipen we over de muur met mijn waspoeder en broccoli en tachtig rollen wc-papier en blijven ze noodgedwongen bij me slapen (naast de poorten gaan ook de deuren van hun gebouwen op slot). Dat betekent dat we tot na drieen zonnebloempitten eten, wijn drinken (die blijkt zoeter dan hoestsiroop en je wordt er geeneens beschonken van) en kletsen over alles waar een mens het niet koud van hoeft te krijgen.
1. Als ik 's avonds die ene sigaret rook op mijn balkon, warm ingeduffeld in Chinese legerjas, geniet ik van hoe de dag sterft: een late student kruipt over de muur, in de verte brult een vrouw tegen haar vent die een halve seconde eerder wat liet vallen... Ik
rook met mijn rechterhand, anders kan ik vervolgens niet schrijven; het is hier plots koud geworden, mijn vingers zijn flink gekloofd (aantal ontvangen verzorgingscremes voorlopig afgeklokt op 2). Ik gooi de peuk een verdieping lager op de grond (om de
volgende dag buiten dan ergens een peuk op te rapen; als iedereen leefde zoals ik, de wereld zou er nooit op vooruitgaan) en kijk hoe die langzaam uitdooft. Het is niet zozeer het lichtje dat verdwijnt, maar de duisternis die groeit, alsof je in de ogen kijkt van
een stervende.
2. Ik sta toevallig een trui te wassen –ijskoud water kan soms koud zijn- wanneer Jiaying ('t is nog eens tijd voor mooie woorden), kaneelparel en straalkermisvogel (ze speelde piano voor me, of eerder Voor Elise; van elke van de honderd piano’s in deze
school is er wel een toets die het laat afweten, maar het was toch schoon. En de volgende avond op het strand, terwijl vrouwen met mijnwerkerslampen beginnen aan hun avondlijke
graafwerken op zoek naar Beesten die zich in het zand verstoppen, klaagt ze dat ik niet lang in China blijf:
'Jamaar, I’m not going home tomorrow.'
'But if feels like tomorrow.'), wanneer ze me dus komt bezoeken terwijl ik mijn, laten we eerlijk zijn, volstrekt onpraktisch sneeuwwitte trui sta te wassen, schopt ze me zowat het badkamertje uit. De afwerking lijkt nergens op, brult ze, waarna ze de klomp zeep
opnieuw genadeloos over mouw en kraag jaagt. Nu word ik af en toe wel graag verwend, maar 't moet niet te ver gaan.
'Jiaying, I feel bad that you wash my clothes.'
'I feel bad when you wash your clothes!'
Voor alle duidelijkheid toch even vermelden dat dit een eenmalige huishoudelijke interventie was (en overbodig, want ik doe mijn was flink).
3. Wang Lan Ying zegt dat ze het jammer vindt dat om tien uur de lichten onverbiddelijk uit gaan, omdat ze zich 's avonds het best kan concentreren: 'In the evening my brain is very lovely.'
4. (met dank aan de Vlaamse Geschiedkundige Kring voor de inspiratie) Heb een haarreferendum gehouden in de klas. Wie het welletjes vond en me naar de kapper wou
zien gaan, stemde ja, wie van mening was dat mijn hoofd beter even braak blijft liggen, stemde neen. Met twintig stemmen tegen zestien heeft de klas beslist dat scharen voorlopig uit den boze zijn. Jammer, want ik moet tegenwoordig mijn haar al beginnen kammen, maar het bleek een enthousiasmerende invalshoek om wat woorden als 'vertegenwoordiging', 'regering' en 'kaalkop' vanonder het stof te halen.
5. Mijn studenten hebben het niet getroffen: ik ben niet erg gul met punten. In deze competitiesfeer maakt dat de meer ambitieuze studenten natuurlijk nerveus. Ze willen prijzen halen, de beste zijn, beter, meer, alles. Het schoolreglement zegt dat maximum twintig procent van de studenten gebuisd mag worden, idem voor grote onderscheidingen. Dat laatste zal geen probleem zijn, het eerste zal in de klas van de laatstejaars
wikken en wegen worden. Ik kan het ook niet helpen dat ze geen bal geven om hun huiswerk gezien de helft onder hen al een contract op zak heeft (zie verder. Dan toch een rode draad?). Tranen bij week dier Qu Li, want met 12.5 op 20 is ze net niet gebuisd.
'Waarom heb ik zo weinig punten?'
'Omdat het slecht was. Michael Moore is helemaal geen zestig jaar oud.'
Waarna een uitleg volgt over hoe lastig het wel is om altijd de beste te moeten zijn. We hebben het ook over de toekomst en dat de sfeer op de Chinese werkvloer wellicht niet veel beter zal zijn. Maar Qu Li is zo’n snoepgoedzoet die bij elke bedelaar blijft stilstaan, ze weet zelf ook dat ze veel te goed is: 'You know, it’s not easy to be good in the economy.' Mijn leerkrachterig talent reikt niet verder dan haar krachtig 'fuck you' te leren zeggen. Ze mag daarnaast ook, net als iedereen die dat wil, haar huiswerk opnieuw maken.
Ik ben definitief overgelopen naar the dark force.
6. (even op je tanden bijten, dit is een wat langer stukje; maar hierna eindigen we met een mooi kerstsfeertje, oke? En volgende keer schrijf ik weer eens over wat anders dan mezelf, over een bezoek aan teacher Fang wiens huwelijk in staat van ontbinding verkeert en zijn woonst dus ook, over kerst, mondelinge examens, Angela's vertrek...)
Dit weekend was ik tweemaal bij de dokter ('the hospital', prive-dokters zijn hier minder in trek). Jiaying had geen geld meer om haar dagelijkse baxter te betalen, dus ik schoot het haar voor en zat tweemaal drie uur in een zaaltje met enkele anderen die hun dagelijkse dosis vitamine of geneesmiddel in hun bloed gepompt kregen. Haar behandeling voor een ordinaire bronchitis kost zestig yuan per dag. Dat is een bedrag om even van te slikken. Zowat de helft van mijn laatstejaarsstudenten heeft al een job; zodra ze in juni afstuderen, kunnen ze aan de slag. De economie holt hier in een iets hoger tempo. Qu Li is een van de gelukkigen, zij heeft een baan gevonden. 'Wat verdient dat,' vraag ik haar, 'zo’n eerste job in secretaressewerk?' '600 yuan per maand en ik krijg ook lunch. De huur van een appartementje zal 2-300 yuan zijn.' Ik hoop dus maar dat Qu Li geen bronchitis opdoet.
‚t Was gisteren weer kookfestijn alhier. Alles wat met water te maken had, gebeurde noodgedwongen in mijn lavabootje in het badkamertje, want de afvoerpijp in de keuken heeft het begeven, een vijftal dagen geleden. Terwijl ik stond af te wassen –want ik kook
dus ook zelf- had ik plots natte voeten. Je moet er toch wel van houden, van die Chinese aanpak. Wanneer ik de concierge op mijn natte voeten wijs, komt hij samen met zijn collega een kijkje nemen naar mijn afvoerpijp. Daar staan ze dan, twee grijzende
vijftigers in China.
'’t Is kapot.'
'Mmm, kapot,' knikt de ander.
Ze draaien zich om, wandelen even de woonkamer in –Kamagurka, affiche voor boekenbeurs, wat foto’s, enveloppes die ik steevast aan de muur hang, confituur...- en gaan dan weg.
Binnen anderhalve week ofzo, bij voorkeur wanneer ik onder de douche sta, komt iemand het probleem wel verhelpen.
Mensen kijken, 't is een interessante bezigheid. Allemaal de schuld van moe en va. Een enkel voorbeeld moet maar volstaan om dat toe te lichten.
Londen, zomer 200?. Moeder en kroost zitten in de schaduw van de London Tower even uit te puffen. Rondom ons is het rustig, de meeste andere toeristen zien er al even uitgeteld uit. Temidden zijn hele huishouden –een rugzakje en wat flessen- zit een duidelijk
dakloze en niet erg intensief bedelende kerel te genieten van de zon. Hij moet in de dertig zijn. Wat verder zit een duidelijk niet dakloze jongedame mooi te wezen. Hij begint wat met haar te kletsen, 't ziet er eigenlijk best een prima kerel uit. 'Kom,' schudt moe ons wakker, 'die heeft vast wel wat te vertellen.' Ze heeft natuurlijk gelijk, maar het kwam niet in me op, het kwam gewoon niet in me op; voor zoiets heb je moeders nodig, veronderstel ik. Dus gaan we naast hem zitten en vragen of we wat mogen vragen. De jongedame muist zich weg. Hij -ik ben zijn naam vergeten, misschien had hij dat ook niet meer- veegt ons even de mantel uit dat we zijn meisje hebben weggejaagd, maar begint vervolgens te vertellen over Hoe Het Zover Is Kunnen Komen: ''t Is vrij eenvoudig: ofwel heb je geld, ofwel heb je problemen', wat hij doet als hij ziek is: 'Ik ga ergens liggen en hoop dat ik sterf'... Even verderop staat een fonteintje waar toeristen kleingeld in gooien voor het vlotte verloop van vaders operatie of examens van dochterlief. Ik vraag hem of hij daar wel eens in vist: 'I don't steal people's wishes.'
Terug thuis heb ik er een gedicht over geschreven dat vervolgens door vader volkomen in de grond werd geboord ('ik zal niet zeggen dat je elke mogelijke fout maakt, maar het scheelt niet veel'), terecht overigens; wat betreft gedichten ben ik een analfabeet, ik kan ze lezen noch schrijven.
7. Vrijdagnamiddag. Yan, Jiaying en de vreemdeling gaan naar de stad (nieuwe schoenen, type bergwandel-, voor zestien euro! Walgelijk warm lang ondergoed, groente, waspoeder en Madame Bovary; ach, ik ben een ongevaarlijke burger geworden). Het vriest, ook onder
nul, daarom allicht dat het bedeljongetje –tien, niet ouder- me met de moed der wanhoop aanklampt. Hij ziet er vreselijk uit in zijn versleten zomerplunje, vuil en met een veel te rood gezicht dat zegt 'Ik woon buiten.' Hij probeert me staande te houden, trekt aan
mijn kleren, loopt een eindje met ons mee. Winkeliers en passanten schreeuwen dat hij me met rust moet laten, halen naar hem uit. Het zal hem een zorg wezen. 'Ni e?' vraag ik, heb je honger? 'Yes,' zegt hij en ik blijf er even bij stilstaan: wat bezielt me toch om
gewoon verder te lopen? Dus we kopen een berg brood, voor minder dan een euro, godbetert. Het idee om een bedelaar gewoon voorbij te lopen!
Terug naar de andere wereld: ik maak een eerdere belofte waar en trakteer hen op pizza, weliswaar het flauwe gedoe van de Pizza Hut, maar niettemin een heel avontuur want Pizza Hut is hier peperduur; met mijn riant leerkrachtloon kan het wel. Voor de meisjes was het voor het eerst dat ze pizza aten. Met mes en vork. Heerlijk om hen daarmee te zien sukkelen, want ze zijn het natuurlijk niet gewend beide handen te gebruiken; en dan te bedenken dat in eigen land mensen me op restaurant gewoonlijk licht geschokt aankijken als ze zien hoe ik mes en vork hanteer.
Het was dus koud, er was liefde, buikjes rond –of toch de onze- en vele kerstlichtjes voor wie daarvan houdt... Om het helemaal mooi te maken werd ik nog getrakteerd op een zalige busrit. Het was er warm want vol mensen, mijn gekloofde linkerhand werd warmgehouden door Yan en de andere door Jiaying ('you need good hands, because you always use your hands in class'). Terwijl Yan indommelde, probeerde Jiaying mijn hand te laten verminken door de hond van het meisje naast haar. Nice try, maar mijn hand was ongeveer even groot als het beest zelf, zo’n klein wit knuffeldier dat enkel slaapt en lief kijkt. 'Lunch?' vraag ik stout, maar niemand begrijpt wat ik bedoel, dat wil ook wel eens handig zijn.
Het is na tienen als we de school bereiken. Dus kruipen we over de muur met mijn waspoeder en broccoli en tachtig rollen wc-papier en blijven ze noodgedwongen bij me slapen (naast de poorten gaan ook de deuren van hun gebouwen op slot). Dat betekent dat we tot na drieen zonnebloempitten eten, wijn drinken (die blijkt zoeter dan hoestsiroop en je wordt er geeneens beschonken van) en kletsen over alles waar een mens het niet koud van hoeft te krijgen.

<< Home