Lushun: city with existential hangover
Vrijdagavond. Zhou Yan, Zhang Jiaying en Huang Tao -beeldschone jongen- komen eten. 't Is te zeggen, ze komen koken. Nu ze eindelijk eens in een keuken terechtkunnen, leven ze zich uit: zeven verschillende dinges bereiden ze. Ik sta erbij en kijk ernaar. Of beter, ik probeer ernaar te kijken, maar mijn keuken is eigenlijk te klein voor meer dan een persoon, dus ik word eruitgetrapt. (Ik mag nadien wel mee aan tafel, hoewel, 'tafel': de helft van het eten moet veertig centimeter lager, op de grond.)
Zaterdag. Geruchten doen snel de ronde in dit land. Blijkbaar was de tekst op deze weblog over bedelaars niet zo denderend, want wanneer ik in het centrum rondloop, stormen twee bedelkindertjes op me af en smakken me net niet tegen de grond. Er zijn enkele passanten voor nodig om me te ontzetten. Niet dat ze me proberen te overvallen: het zijn gewoon enthousiaste hongerige kinderen. Het zou vrij arrogant zijn het hen kwalijk te nemen; ze hebben honger. Honger.
Elke week beloof ik mezelf nooit meer in het weekend naar de stad te gaan en elk weekend loop ik toch weer rond in dat verdomde mierennest. Hoe belandde ik er dit keer?
Ongepland, verdorie. Ziehier het relaas:
Het is zeven uur in de ochtend. Zhang Jiaying, Huang Tao en ik wachten in een klein stationnetje vlakbij de school op de boemel naar Lushun, een stadje dat op de uiterste punt van dit schiereiland ligt. Omdat deze zee de sleutel is die toegang geeft tot Beijing, is hier in de loop der jaren flink gevochten. De Russen hebben het enkele jaren bezet gehouden, tot ze werden afgelost door de Japanners. Geen half werk, die Japanners; slachtten er op vier dagen tijd twintigduizend mensen af. Huang Tao: 'We will feel miserable when we come back. Much history there.'
Wanneer ik op de trein wil stappen, is er even een probleem. De conductrice twijfelt: mag een vreemdeling wel naar Lushun? De sleutel tot Beijing, kan je je wel inbeelden, is van enig militair belang. Maar Huang Tao zwaait even met zijn kaart van Lushun, waarop te lezen staat dat Lushun 'sinds juli 1996 vreemdelingen verwelkomt.' Dat valt dus goed mee.
Over de treinrit valt slechts een ding te melden: plastiek. China is vergeven van de plastic zakjes. Overal hebben mensen hun eigen vuilnisbeltjes. De wind gaat na verloop van tijd natuurlijk aan de haal met de zakjes. In rivierbeddingen en in groentetuinen, aan telefoonpalen en aan roestende prikkeldraad, overal zie je die dingen. Ook typerend voor (wat ik al zag van) het Chinese landschap: de serres met hun dekens van stro. Op koude dagen (het wisselt sterk; op 1 december liep ik in t-shirt; mijn studenten weer bezorgd: 'You are in summer!') worden de plastic serres bedekt met lange matten van stro die 's ochtends weer worden opgetrokken. Charmant.
We stappen uit in Lushun. Foute boel! Onmiddellijk schieten vier politiemannen op ons af. Ik mag de stad niet in! Motherfucker, zeg ik, want hoe vaak krijgt een lafbek als ik de kans om dat tegen een agent te zeggen? In ieder geval, dat de stad buitenlanders verwelkomde, geldt enkel voor wie de stad met een speciale reisagent -geleid!- bezoekt. We moeten onmiddellijk rechtsomkeert maken.
Terug de trein op, zou je denken. Gaat niet! Het is voor buitenlanders verboden de trein te nemen! Zal ik hier dan maar op het perron blijven wonen? Gelukkig brengt een taxichauffeur redding. Het is uiteraard ondenkbaar dat ik zomaar zou gaan rondlopen in de stad, dus biedt hij aan ons naar het busstation te brengen. Dat vinden de agenten wel goed.
Eens in de taxi heb ik eigenlijk toch wel zin in de stad. Dus ik vraag Tao of de chauffeur het ziet zitten een flinke omweg te maken, zodat ik de stad toch te zien krijg. De chauffeur, die hiervoor uiteraard betaald wordt, vindt het allemaal goed, maar ik moet wel mijn kap opzetten. James Bond in China! Hier en daar mag ik zelfs uitstappen.
Wat is er zo speciaal aan Lushun? Helemaal niks! In de haven enkele militaire schepen en een afdeling van de Chinese geheime dienst. Iets meer politie en soldaterij in de straat, en dat is dat. Geen Saoedische executiepleinen, geen brandende slachtoffers van Zuid-Afrikaanse neck-lacing, geen etnisch geweld... Wat een sof. Zelfs geen willekeurige arrestatie te zien.
Gewoon een dommelend stadje met een laagje geschiedenis om het op de landkaart te zetten: een heuvel met oud luchtafweergeschut en kanonnen die op zee gericht staan (een ervan is niet geblokkeerd, we richten het op de stad, want een mens moet toch wat) en een grafheuvel ter herdenking aan de slachting. Er hoort een weinig interessant museumpje bij (de muur waarop in grote letters de namen van de gulle sponsors prijken, is even groot als het hele gebouw). Huang Tao geeft me wat uitleg bij de foto's; bij elke Chinese generaal: 'He's a famous Chinese hero.' Ik zeg maar niks en vraag me af wat pacifisten horen te denken over oorlog voeren tegen een agressor die je vrouwen komt verkrachten en zonen komt onthoofden.
Heel erg typerend: precies wanneer we naar die trieste grafheuvel (burgers!) staan te kijken, klinkt van even verder het gehoorzame unisone gedreun van soldatenstemmen die iets trainen voor het vaderland. Dus in het gastboek van het museum staat nu ook een zinnetje in het Nederlands, over oorlog, en dat je er helden voor nodig hebt.
De bus terug, het roestend bruine Chinese landschap. We volgen de kustlijn, zien in de dorpjes een twijfelachtig kabelsysteem om gammele vissersbootjes uit het water te lichten, een vismarktje (het makkelijke aan vis is dat je 'm niet hoeft te slachten; knoop het plastic zakje wel goed dicht, of dat gekke dier, vergaand van de pijn en angst, springt eruit), dat soort dingen.
Die dorpjes hebben overigens hun laatste dagen te gaan voor de toekomst hen inhaalt: het worden toeristische centra, want China heeft binnenkort veel vrije tijd. Ook alweer veel te nieuwe tempels. Bij ons moet iets minstens honderd jaar oud zijn voor we het een blik waard achten. Er is de afgelopen honderd jaar natuurlijk ook niets gebouwd dat het bekijken waard is. Die tempels zijn nieuw, volgens Jiaying 'omdat hout vergaat en de regering ze dus herbouwt in steen, stupid' en omdat er blijkbaar toch wel enig religieus gevoel leeft in dit land.
En zo eindig ik toch weer in dat overdrukke stadscentrum, waar de bus uiteindelijk stopt. Aardig uitje gemaakt naar een stad die nog niet weet dat de laatste der oorlogen gestreden is.
Zaterdag. Geruchten doen snel de ronde in dit land. Blijkbaar was de tekst op deze weblog over bedelaars niet zo denderend, want wanneer ik in het centrum rondloop, stormen twee bedelkindertjes op me af en smakken me net niet tegen de grond. Er zijn enkele passanten voor nodig om me te ontzetten. Niet dat ze me proberen te overvallen: het zijn gewoon enthousiaste hongerige kinderen. Het zou vrij arrogant zijn het hen kwalijk te nemen; ze hebben honger. Honger.
Elke week beloof ik mezelf nooit meer in het weekend naar de stad te gaan en elk weekend loop ik toch weer rond in dat verdomde mierennest. Hoe belandde ik er dit keer?
Ongepland, verdorie. Ziehier het relaas:
Het is zeven uur in de ochtend. Zhang Jiaying, Huang Tao en ik wachten in een klein stationnetje vlakbij de school op de boemel naar Lushun, een stadje dat op de uiterste punt van dit schiereiland ligt. Omdat deze zee de sleutel is die toegang geeft tot Beijing, is hier in de loop der jaren flink gevochten. De Russen hebben het enkele jaren bezet gehouden, tot ze werden afgelost door de Japanners. Geen half werk, die Japanners; slachtten er op vier dagen tijd twintigduizend mensen af. Huang Tao: 'We will feel miserable when we come back. Much history there.'
Wanneer ik op de trein wil stappen, is er even een probleem. De conductrice twijfelt: mag een vreemdeling wel naar Lushun? De sleutel tot Beijing, kan je je wel inbeelden, is van enig militair belang. Maar Huang Tao zwaait even met zijn kaart van Lushun, waarop te lezen staat dat Lushun 'sinds juli 1996 vreemdelingen verwelkomt.' Dat valt dus goed mee.
Over de treinrit valt slechts een ding te melden: plastiek. China is vergeven van de plastic zakjes. Overal hebben mensen hun eigen vuilnisbeltjes. De wind gaat na verloop van tijd natuurlijk aan de haal met de zakjes. In rivierbeddingen en in groentetuinen, aan telefoonpalen en aan roestende prikkeldraad, overal zie je die dingen. Ook typerend voor (wat ik al zag van) het Chinese landschap: de serres met hun dekens van stro. Op koude dagen (het wisselt sterk; op 1 december liep ik in t-shirt; mijn studenten weer bezorgd: 'You are in summer!') worden de plastic serres bedekt met lange matten van stro die 's ochtends weer worden opgetrokken. Charmant.
We stappen uit in Lushun. Foute boel! Onmiddellijk schieten vier politiemannen op ons af. Ik mag de stad niet in! Motherfucker, zeg ik, want hoe vaak krijgt een lafbek als ik de kans om dat tegen een agent te zeggen? In ieder geval, dat de stad buitenlanders verwelkomde, geldt enkel voor wie de stad met een speciale reisagent -geleid!- bezoekt. We moeten onmiddellijk rechtsomkeert maken.
Terug de trein op, zou je denken. Gaat niet! Het is voor buitenlanders verboden de trein te nemen! Zal ik hier dan maar op het perron blijven wonen? Gelukkig brengt een taxichauffeur redding. Het is uiteraard ondenkbaar dat ik zomaar zou gaan rondlopen in de stad, dus biedt hij aan ons naar het busstation te brengen. Dat vinden de agenten wel goed.
Eens in de taxi heb ik eigenlijk toch wel zin in de stad. Dus ik vraag Tao of de chauffeur het ziet zitten een flinke omweg te maken, zodat ik de stad toch te zien krijg. De chauffeur, die hiervoor uiteraard betaald wordt, vindt het allemaal goed, maar ik moet wel mijn kap opzetten. James Bond in China! Hier en daar mag ik zelfs uitstappen.
Wat is er zo speciaal aan Lushun? Helemaal niks! In de haven enkele militaire schepen en een afdeling van de Chinese geheime dienst. Iets meer politie en soldaterij in de straat, en dat is dat. Geen Saoedische executiepleinen, geen brandende slachtoffers van Zuid-Afrikaanse neck-lacing, geen etnisch geweld... Wat een sof. Zelfs geen willekeurige arrestatie te zien.
Gewoon een dommelend stadje met een laagje geschiedenis om het op de landkaart te zetten: een heuvel met oud luchtafweergeschut en kanonnen die op zee gericht staan (een ervan is niet geblokkeerd, we richten het op de stad, want een mens moet toch wat) en een grafheuvel ter herdenking aan de slachting. Er hoort een weinig interessant museumpje bij (de muur waarop in grote letters de namen van de gulle sponsors prijken, is even groot als het hele gebouw). Huang Tao geeft me wat uitleg bij de foto's; bij elke Chinese generaal: 'He's a famous Chinese hero.' Ik zeg maar niks en vraag me af wat pacifisten horen te denken over oorlog voeren tegen een agressor die je vrouwen komt verkrachten en zonen komt onthoofden.
Heel erg typerend: precies wanneer we naar die trieste grafheuvel (burgers!) staan te kijken, klinkt van even verder het gehoorzame unisone gedreun van soldatenstemmen die iets trainen voor het vaderland. Dus in het gastboek van het museum staat nu ook een zinnetje in het Nederlands, over oorlog, en dat je er helden voor nodig hebt.
De bus terug, het roestend bruine Chinese landschap. We volgen de kustlijn, zien in de dorpjes een twijfelachtig kabelsysteem om gammele vissersbootjes uit het water te lichten, een vismarktje (het makkelijke aan vis is dat je 'm niet hoeft te slachten; knoop het plastic zakje wel goed dicht, of dat gekke dier, vergaand van de pijn en angst, springt eruit), dat soort dingen.
Die dorpjes hebben overigens hun laatste dagen te gaan voor de toekomst hen inhaalt: het worden toeristische centra, want China heeft binnenkort veel vrije tijd. Ook alweer veel te nieuwe tempels. Bij ons moet iets minstens honderd jaar oud zijn voor we het een blik waard achten. Er is de afgelopen honderd jaar natuurlijk ook niets gebouwd dat het bekijken waard is. Die tempels zijn nieuw, volgens Jiaying 'omdat hout vergaat en de regering ze dus herbouwt in steen, stupid' en omdat er blijkbaar toch wel enig religieus gevoel leeft in dit land.
En zo eindig ik toch weer in dat overdrukke stadscentrum, waar de bus uiteindelijk stopt. Aardig uitje gemaakt naar een stad die nog niet weet dat de laatste der oorlogen gestreden is.

<< Home