immer nog China: meer reisnotities
Waarde lezer, ik had u achtergelaten in Jinzhou, nog steeds in het noordoosten van het land. Het gaat nu een volstrekt andere kant uit.
Ik zit dus 23 uur op de trein richting Xian, de historische hoofdstad van China. 23 uur, gelukkig met bed en boek. Ik sla de best-seller van Amy Tan open en even later weer dicht. In Xian moet ik dus op zoek naar een boekenwinkel voor vers voer; Robinson Crusoe is mijn nieuwe beste vriend.
Over de treinreis valt verder nog te vertellen dat het me andermaal opvalt dat kinderen hier echt kind mogen zijn. Niemand die zeurt dat een kind wat lawaai maakt en als je een boek zit te lezen terwijl een kleine over je heen klautert, dan moet je daar maar tegenkunnen (idem voor als het probeert de kap op te zetten van de trui die je draagt). Het is een onderdeel van de Mensen Die Elkaar Niet Kennen Die Toch Vertrouwelijk Met Elkaar Omgaan-karaktertrek die ik de Chinezen wel benijd.
De trein spoort enkele uren voor aankomst door een landschap dat niet spectaculair verschilt van datgene waarmee ik was gaan slapen: weinig kleur, kleiachtige heuvels, steden met karaokebars. De huizen zijn hier (hier, dat is in het hart van China, Shaanxi-provincie) vaker van baksteen, die komt namelijk uit de bergen. Mensen wonen ook gewoon in die bergen, ik zou weleens zo'n uitgehakt huis willen binnenwandelen.
De bergen zijn al erg lang overgeleverd aan geduldige en venijnige riviertjes die in de loop der eeuwen diepe en breed uitgestrekte voren hebben getrokken. Bergen hebben dus ook rimpels.
Xian heeft een glimp meer persoonlijkheid dan de andere Chinese steden die ik al gezien heb. Vijf miljoen mensen maken hier het mooi weer, er ligt een muur van twaalf meter hoog rondom het stadscentrum, er zijn wat gebouwen die zich onttrekken aan de badkamertegel- en imitatietrends, er is een leuk islamdoolhof van kleine straatjes met bazaars en lekker eten (al waag ik me niet aan de 'banana spit'), er zijn enkele echte cafes... Ik wandel er een paar uur aardig rond, negeer minstens honderdduizend zwaar opgemaakte vrouwen die me inviteren, zie tempels die ik niet zal bezoeken (je moet jezelf niet al te vaak een tempelcomplex aandoen; ik verontschuldig me bij dezen voor mijn flauwe humor).
Voor ik Xian grondig bezoek reis ik evenwel nog enkele uurtjes noordelijker naar het plaatsje Fuping, waar Han Ting Ting, engelbewaarster van dienst, even op zich laat wachten. Dat geeft de rond het station verzamelde werkloze mannen ruimschoots de gelegenheid hun 'hello' te oefenen. Het brengt me bij de bedenking dat ik me nooit echt thuis zal voelen in dit land door hoe de Chinezen zelf reageren op westerlingen. Al is dat waarschijnlijk helemaal anders in Hongkong, Shanghai en Beijing. Maar wie wil daar nu heen?
Fuping is een Chinese stad, maar dan kleiner. Veel stof, Chinezen, taxi's, kraampjes. We bezoeken eerst een nonkel die me een goed hotel belooft te vinden. Wanneer ik de weg naar het toilet vraag, informeert HTT bezorgd: 'Do you know how to use it?'
Dan gaan we op wandel doorheen de velden, nu en dan zien we mannen met bruine tanden die wedijveren met hun fiets om het woord 'gammel'. Het is je op zulke momenten moeilijk voor te stellen dat de Culturele Revolutie (anders gezegd: Chinezen pesten elkaar het bloed vanonder de nagels) ook op het platteland zo vreselijk heeft toegeslagen.
Een andere nonkel toont ons Fupings trots: een keramiekmuseum. Nu heb ik het niet zo voor keramiek: variatie op het thema bloempot, denk ik altijd. Maar zowel het museumgebouw, een soort opengeplooide bunker, als de tentoongestelde werken vanuit de hele wereld blijken alleraardigst, compleet onverwacht in dit nergens vermelde stadje. Mijn voorkeur gaat uit naar de verchineesde Nike-swoosh, beschilderd met klassieke Chinese draken.
En dan is het weer eens tijd voor een ontnuchterend bezoek aan Het Echte China: Han Ting Tings huis. Het verschilt niet van andere woningen in Fuping. Een koertje, alwaar een grote noedelmachine waarmee moeder wat geld verdient, een grote woonkamer, twee slaapkamers. Een teiltje met wat vochtige schotelvodden heet badkamer (publieke douches, remember). Het toilet ('je kan nu even niet gaan, er zit een hond in') wordt gedeeld met de rest van de straat (toiletpapier: een schriftje waarin iemand Engels studeerde), het is een echt Pipicaca-meer. Het huis kent geen enkele luxe tenzij je tv luxueus wil noemen (en HTT heeft een radiootje op haar kamer; 't is niet echt haar kamer. Als haar broer thuiskomt van school, op zondag dus, slaapt ze bij haar ouders), er is geen verwarming -en het vriest hier nog- en geen verf of tapijten. Enkel koud beton maakt de naar mijn mening veel te hoge woonkamer nog kaler, want ook qua meubilair is het nagels bijten: wat bankzitjes, een zetel, een tafeltje of twee... Vader is er niet, hij woont op zijn werk, een groenteboerderij. Eenmaal per week bezoekt hij zijn vrouw. TL-verlichting. Wolkjes ademen.
Op enkele bakstenen rust een tonnetje kolen, dat is het fornuis, midden in de woonkamer. Een schouwpijp loopt twee meter omhoog, maakt dan een bocht van negentig graden en wordt zo naarbuiten geleid, waar het ding een halve meter uit de muur steekt.
Arm? Ik weet het niet. Definieer dat eens?
Ik beken eerlijk dat ik blij ben wanneer ik, na uitbundig getrakteerd te zijn op een warm maal, mijn hotelkamertje opzoek: een eigen douche en toilet, verwarmingselementje (kan ik eens wat kleren wassen en te drogen hangen). Luxe? Hier wel.
Overal aan deuren en poorten hangen grote Chinese karaktertekens die 'voorspoed' of 'geluk' betekenen. Soms worden die posters omgekeerd opgehangen, zodat ze het in den hoge goed kunnen lezen.
Ik word wakker met de bekende onbeminde geluiden: mannen die hun handen snuiten -ik bedoel: mannen die hun neus snuiten zoals wielrenners, mannen die fluimen en spuwen en rochelen. Het lijkt wel alsof ze hun doodsreutel oefenen, maar er is toch nog wat repetitie nodig, nu klinkt het eerder als kotsen met overgave.
HTT vraagt: 'Wil je een bamboestok?' Ik volg haar ogen en zie een karretje met dikke bamboestokken in, wel vier meter lang. Wil ik een bamboestok? Waarvoor dan wel? Ze toont het me. We kopen ongeveer een meter en gaan aan de slag: je bijt de buitenkant eraf (tanden pijn veel) waarna je een stukje binnenkant in je mond stukbijt (niet opeet): een en al zoetigheid die eruit komt stromen. Prettige verrassing, en zo weten we meteen ook waarom die panda's zulke vetlappen zijn.
Fuping was dus een goede gok: lekker gegeten, veel Echt China gezien, aardig gewandeld buiten de stad. Om de een of andere reden doet de buschauffeur me nog een warme zoete aardappel cadeau ('sweet potato hello!').
Terug in Xian is het tijd voor wat tegenslag: ik kan pas de trein zuidwaarts nemen binnen vier dagen, en dan nog kan ik enkel een staplaats bemachtigen (dat wordt zes uur lang staan). Veel Chinezen in het station, dat betekent veel mensen die voorsteken, boos worden op elkaar... Rond deze tijd van het jaar is het extra druk, want iedereen keert huiswaarts voor het Chinese nieuwjaar. Dus wordt het leger ingezet om de mensen een beetje kalm te houden.
Zelf doe ik geen beroep op soldaten doch op studenten (alweer iets waarin ik op Mao lijk) die gul meer dan een halfuur met me in de rij willen staan om me aan een ticket te helpen.
Hotelkamer. Alleen. Beetje koud, beetje lezen (heb een kamer met goed licht uitgezocht). Gekruide deegbal eten; typisch soort brood voor Fuping. Denken aan wat ik de volgende dag wil doen en de vuile muren negeren door pindanootjes te eten.
Deze voormiddag een van China's beroemdste Dingen bezocht: Bingmayong, in Dendermonde en omstreken beter bekend als het Terracottaleger. De bus uit Xian gaat doorheen arme dorpjes waar heel wat ateliers druk doende zijn soldaten en paarden na te maken. Ik weet dus wel zeker dat ik de juiste richting uitga. (Bij gebrek aan Humo- of Canvasachtig entertainment, moet ik zelf voor het vermaak zorgen. Ik beeld me een tekening in van Peter Van Straaten. Twee grote dames, helemaal in hun nopjes, kijken door het busraampje. Zegt de een in verrukking tot de ander: 'Zie je dat, Toos, echte armoede.')
In 1974 waren enkele boeren een put aan het graven, op zoek naar water. Zo kwamen ze enkele resten van potten tegen. Vijf jaar later opende wat vandaag een wereldberoemd museum is geworden.
Bij het betreden van hangar 1, de grootste van 3, zie je beneden je enkele lange rijen levensgrote beelden. (Ik bedenk: als ik in de put spring en enkele beelden stuksla, sta ik morgen in alle kranten, maar moeder zal het wel weer geen goed idee vinden.) Nog nooit hebben soldaten er zo vredig uitgezien. Hun hoofden zijn allemaal verschillend, het was dus geen massaproductie. Destijds waren ze beschilderd in felle kleuren, ze hadden houten en ijzeren wapens in hun handen... Daarvan blijft nu niet veel meer over. Het is allemaal des te indrukwekkender als je weet dat de meeste beelden nog onder de grond zitten. Rijen soldaten, allemaal met eigen snor, kapsel, gezichtstrekken. Paarden met wat vrije ruimte achter zich, waar de (houten) kar stond. Het zal wel stom klinken zoals ik het hier nu beschrijf, maar het is wel indrukwekkend.
Leuke foto van Bill van de clan der Clintons tussen de soldaten.
De meeste soldaten zijn naar het oosten gericht, waar vijandelijke bevolkingsgroepen woonden. De soldaten zitten immers niet voor hun plezier in de grond: ze bewaken de tombe van keizer Qin ShiHuang (als ik het goed heb) enkele kilometer verderop. Hij was een van de eersten om onder elkaar vechtende groepjes te verenigen tot een echt rijk.
Hangar 2 heeft veel meer weg van een tombe. Het is er donkerder, de restauratiewerken zijn nog niet zo ver gevorderd. Er hangt een wat plechtiger sfeer, kathedraalachtiger. Tenminste, tot ik de bewaker, die sloeber, enthousiast in de put zie spuwen.
Hangar 3 is nog kleiner. Dat houten dak boven de soldaten was dus geen goed idee, het heeft eerder voor vernieling dan voor bescherming gezorgd.
Aan de uitgang denk ik in al mijn naiveteit: misschien kan ik hier even tussen die kraampjes wandelen op zoek naar een aardig souveniertje. Geef me een oscar en noem me Celine Dion, wat een dwaas idee! Ik word overvallen, aangeklampt, overstroomd en onder de voet gelopen door zeventien prullenverkopers die allemaal hetzelfde aanprijzen: ofwel gestroopte vossen of grotere beesten, ofwel namaakbeeldjes, duidelijk van inferieure kwaliteit (ze hebben niet lang genoeg in de oven gezeten, dat zie ik aan de zwarte handen van de verkopers). Ik sla dus noodgedwongen op de vlucht, al was ik hier niet de enige vreemdeling: er liepen ook enkele Amerikanen en luidsprekende Duitsers rond (man tot zijn vrouw, die volgens mij zelf ook wel kon lezen: 'Aha! Das ist ein Offizier!'). Voor de rest niet veel bezoekers, het is buiten seizoen.
Ik moet altijd lachen als ik denk aan mensen die ruines bezoeken; ik bedoel, wat een idioot en misplaatst ontzag voor de vernielende kracht van de Tijd om een Griekse tempel ofzo niet te restaureren. Als je weet hoe het in het echt was, wat houdt je dan tegen? Aan de slag, pummels! Die Chinezen hebben toch ook al die soldaten weer aan elkaar gelijmd? Nou dan! Ze moesten toch zeker niet gewoon al die brokjes laten liggen.
Er zijn ergere plekken dan Xian om enkele dagen vast te zitten. Ik plan dus veel gewandel naar andere oude interessante dinges voor ik afreis naar Xixiang in het zuiden. Waar het kouder schijnt te zijn.
Ik zit dus 23 uur op de trein richting Xian, de historische hoofdstad van China. 23 uur, gelukkig met bed en boek. Ik sla de best-seller van Amy Tan open en even later weer dicht. In Xian moet ik dus op zoek naar een boekenwinkel voor vers voer; Robinson Crusoe is mijn nieuwe beste vriend.
Over de treinreis valt verder nog te vertellen dat het me andermaal opvalt dat kinderen hier echt kind mogen zijn. Niemand die zeurt dat een kind wat lawaai maakt en als je een boek zit te lezen terwijl een kleine over je heen klautert, dan moet je daar maar tegenkunnen (idem voor als het probeert de kap op te zetten van de trui die je draagt). Het is een onderdeel van de Mensen Die Elkaar Niet Kennen Die Toch Vertrouwelijk Met Elkaar Omgaan-karaktertrek die ik de Chinezen wel benijd.
De trein spoort enkele uren voor aankomst door een landschap dat niet spectaculair verschilt van datgene waarmee ik was gaan slapen: weinig kleur, kleiachtige heuvels, steden met karaokebars. De huizen zijn hier (hier, dat is in het hart van China, Shaanxi-provincie) vaker van baksteen, die komt namelijk uit de bergen. Mensen wonen ook gewoon in die bergen, ik zou weleens zo'n uitgehakt huis willen binnenwandelen.
De bergen zijn al erg lang overgeleverd aan geduldige en venijnige riviertjes die in de loop der eeuwen diepe en breed uitgestrekte voren hebben getrokken. Bergen hebben dus ook rimpels.
Xian heeft een glimp meer persoonlijkheid dan de andere Chinese steden die ik al gezien heb. Vijf miljoen mensen maken hier het mooi weer, er ligt een muur van twaalf meter hoog rondom het stadscentrum, er zijn wat gebouwen die zich onttrekken aan de badkamertegel- en imitatietrends, er is een leuk islamdoolhof van kleine straatjes met bazaars en lekker eten (al waag ik me niet aan de 'banana spit'), er zijn enkele echte cafes... Ik wandel er een paar uur aardig rond, negeer minstens honderdduizend zwaar opgemaakte vrouwen die me inviteren, zie tempels die ik niet zal bezoeken (je moet jezelf niet al te vaak een tempelcomplex aandoen; ik verontschuldig me bij dezen voor mijn flauwe humor).
Voor ik Xian grondig bezoek reis ik evenwel nog enkele uurtjes noordelijker naar het plaatsje Fuping, waar Han Ting Ting, engelbewaarster van dienst, even op zich laat wachten. Dat geeft de rond het station verzamelde werkloze mannen ruimschoots de gelegenheid hun 'hello' te oefenen. Het brengt me bij de bedenking dat ik me nooit echt thuis zal voelen in dit land door hoe de Chinezen zelf reageren op westerlingen. Al is dat waarschijnlijk helemaal anders in Hongkong, Shanghai en Beijing. Maar wie wil daar nu heen?
Fuping is een Chinese stad, maar dan kleiner. Veel stof, Chinezen, taxi's, kraampjes. We bezoeken eerst een nonkel die me een goed hotel belooft te vinden. Wanneer ik de weg naar het toilet vraag, informeert HTT bezorgd: 'Do you know how to use it?'
Dan gaan we op wandel doorheen de velden, nu en dan zien we mannen met bruine tanden die wedijveren met hun fiets om het woord 'gammel'. Het is je op zulke momenten moeilijk voor te stellen dat de Culturele Revolutie (anders gezegd: Chinezen pesten elkaar het bloed vanonder de nagels) ook op het platteland zo vreselijk heeft toegeslagen.
Een andere nonkel toont ons Fupings trots: een keramiekmuseum. Nu heb ik het niet zo voor keramiek: variatie op het thema bloempot, denk ik altijd. Maar zowel het museumgebouw, een soort opengeplooide bunker, als de tentoongestelde werken vanuit de hele wereld blijken alleraardigst, compleet onverwacht in dit nergens vermelde stadje. Mijn voorkeur gaat uit naar de verchineesde Nike-swoosh, beschilderd met klassieke Chinese draken.
En dan is het weer eens tijd voor een ontnuchterend bezoek aan Het Echte China: Han Ting Tings huis. Het verschilt niet van andere woningen in Fuping. Een koertje, alwaar een grote noedelmachine waarmee moeder wat geld verdient, een grote woonkamer, twee slaapkamers. Een teiltje met wat vochtige schotelvodden heet badkamer (publieke douches, remember). Het toilet ('je kan nu even niet gaan, er zit een hond in') wordt gedeeld met de rest van de straat (toiletpapier: een schriftje waarin iemand Engels studeerde), het is een echt Pipicaca-meer. Het huis kent geen enkele luxe tenzij je tv luxueus wil noemen (en HTT heeft een radiootje op haar kamer; 't is niet echt haar kamer. Als haar broer thuiskomt van school, op zondag dus, slaapt ze bij haar ouders), er is geen verwarming -en het vriest hier nog- en geen verf of tapijten. Enkel koud beton maakt de naar mijn mening veel te hoge woonkamer nog kaler, want ook qua meubilair is het nagels bijten: wat bankzitjes, een zetel, een tafeltje of twee... Vader is er niet, hij woont op zijn werk, een groenteboerderij. Eenmaal per week bezoekt hij zijn vrouw. TL-verlichting. Wolkjes ademen.
Op enkele bakstenen rust een tonnetje kolen, dat is het fornuis, midden in de woonkamer. Een schouwpijp loopt twee meter omhoog, maakt dan een bocht van negentig graden en wordt zo naarbuiten geleid, waar het ding een halve meter uit de muur steekt.
Arm? Ik weet het niet. Definieer dat eens?
Ik beken eerlijk dat ik blij ben wanneer ik, na uitbundig getrakteerd te zijn op een warm maal, mijn hotelkamertje opzoek: een eigen douche en toilet, verwarmingselementje (kan ik eens wat kleren wassen en te drogen hangen). Luxe? Hier wel.
Overal aan deuren en poorten hangen grote Chinese karaktertekens die 'voorspoed' of 'geluk' betekenen. Soms worden die posters omgekeerd opgehangen, zodat ze het in den hoge goed kunnen lezen.
Ik word wakker met de bekende onbeminde geluiden: mannen die hun handen snuiten -ik bedoel: mannen die hun neus snuiten zoals wielrenners, mannen die fluimen en spuwen en rochelen. Het lijkt wel alsof ze hun doodsreutel oefenen, maar er is toch nog wat repetitie nodig, nu klinkt het eerder als kotsen met overgave.
HTT vraagt: 'Wil je een bamboestok?' Ik volg haar ogen en zie een karretje met dikke bamboestokken in, wel vier meter lang. Wil ik een bamboestok? Waarvoor dan wel? Ze toont het me. We kopen ongeveer een meter en gaan aan de slag: je bijt de buitenkant eraf (tanden pijn veel) waarna je een stukje binnenkant in je mond stukbijt (niet opeet): een en al zoetigheid die eruit komt stromen. Prettige verrassing, en zo weten we meteen ook waarom die panda's zulke vetlappen zijn.
Fuping was dus een goede gok: lekker gegeten, veel Echt China gezien, aardig gewandeld buiten de stad. Om de een of andere reden doet de buschauffeur me nog een warme zoete aardappel cadeau ('sweet potato hello!').
Terug in Xian is het tijd voor wat tegenslag: ik kan pas de trein zuidwaarts nemen binnen vier dagen, en dan nog kan ik enkel een staplaats bemachtigen (dat wordt zes uur lang staan). Veel Chinezen in het station, dat betekent veel mensen die voorsteken, boos worden op elkaar... Rond deze tijd van het jaar is het extra druk, want iedereen keert huiswaarts voor het Chinese nieuwjaar. Dus wordt het leger ingezet om de mensen een beetje kalm te houden.
Zelf doe ik geen beroep op soldaten doch op studenten (alweer iets waarin ik op Mao lijk) die gul meer dan een halfuur met me in de rij willen staan om me aan een ticket te helpen.
Hotelkamer. Alleen. Beetje koud, beetje lezen (heb een kamer met goed licht uitgezocht). Gekruide deegbal eten; typisch soort brood voor Fuping. Denken aan wat ik de volgende dag wil doen en de vuile muren negeren door pindanootjes te eten.
Deze voormiddag een van China's beroemdste Dingen bezocht: Bingmayong, in Dendermonde en omstreken beter bekend als het Terracottaleger. De bus uit Xian gaat doorheen arme dorpjes waar heel wat ateliers druk doende zijn soldaten en paarden na te maken. Ik weet dus wel zeker dat ik de juiste richting uitga. (Bij gebrek aan Humo- of Canvasachtig entertainment, moet ik zelf voor het vermaak zorgen. Ik beeld me een tekening in van Peter Van Straaten. Twee grote dames, helemaal in hun nopjes, kijken door het busraampje. Zegt de een in verrukking tot de ander: 'Zie je dat, Toos, echte armoede.')
In 1974 waren enkele boeren een put aan het graven, op zoek naar water. Zo kwamen ze enkele resten van potten tegen. Vijf jaar later opende wat vandaag een wereldberoemd museum is geworden.
Bij het betreden van hangar 1, de grootste van 3, zie je beneden je enkele lange rijen levensgrote beelden. (Ik bedenk: als ik in de put spring en enkele beelden stuksla, sta ik morgen in alle kranten, maar moeder zal het wel weer geen goed idee vinden.) Nog nooit hebben soldaten er zo vredig uitgezien. Hun hoofden zijn allemaal verschillend, het was dus geen massaproductie. Destijds waren ze beschilderd in felle kleuren, ze hadden houten en ijzeren wapens in hun handen... Daarvan blijft nu niet veel meer over. Het is allemaal des te indrukwekkender als je weet dat de meeste beelden nog onder de grond zitten. Rijen soldaten, allemaal met eigen snor, kapsel, gezichtstrekken. Paarden met wat vrije ruimte achter zich, waar de (houten) kar stond. Het zal wel stom klinken zoals ik het hier nu beschrijf, maar het is wel indrukwekkend.
Leuke foto van Bill van de clan der Clintons tussen de soldaten.
De meeste soldaten zijn naar het oosten gericht, waar vijandelijke bevolkingsgroepen woonden. De soldaten zitten immers niet voor hun plezier in de grond: ze bewaken de tombe van keizer Qin ShiHuang (als ik het goed heb) enkele kilometer verderop. Hij was een van de eersten om onder elkaar vechtende groepjes te verenigen tot een echt rijk.
Hangar 2 heeft veel meer weg van een tombe. Het is er donkerder, de restauratiewerken zijn nog niet zo ver gevorderd. Er hangt een wat plechtiger sfeer, kathedraalachtiger. Tenminste, tot ik de bewaker, die sloeber, enthousiast in de put zie spuwen.
Hangar 3 is nog kleiner. Dat houten dak boven de soldaten was dus geen goed idee, het heeft eerder voor vernieling dan voor bescherming gezorgd.
Aan de uitgang denk ik in al mijn naiveteit: misschien kan ik hier even tussen die kraampjes wandelen op zoek naar een aardig souveniertje. Geef me een oscar en noem me Celine Dion, wat een dwaas idee! Ik word overvallen, aangeklampt, overstroomd en onder de voet gelopen door zeventien prullenverkopers die allemaal hetzelfde aanprijzen: ofwel gestroopte vossen of grotere beesten, ofwel namaakbeeldjes, duidelijk van inferieure kwaliteit (ze hebben niet lang genoeg in de oven gezeten, dat zie ik aan de zwarte handen van de verkopers). Ik sla dus noodgedwongen op de vlucht, al was ik hier niet de enige vreemdeling: er liepen ook enkele Amerikanen en luidsprekende Duitsers rond (man tot zijn vrouw, die volgens mij zelf ook wel kon lezen: 'Aha! Das ist ein Offizier!'). Voor de rest niet veel bezoekers, het is buiten seizoen.
Ik moet altijd lachen als ik denk aan mensen die ruines bezoeken; ik bedoel, wat een idioot en misplaatst ontzag voor de vernielende kracht van de Tijd om een Griekse tempel ofzo niet te restaureren. Als je weet hoe het in het echt was, wat houdt je dan tegen? Aan de slag, pummels! Die Chinezen hebben toch ook al die soldaten weer aan elkaar gelijmd? Nou dan! Ze moesten toch zeker niet gewoon al die brokjes laten liggen.
Er zijn ergere plekken dan Xian om enkele dagen vast te zitten. Ik plan dus veel gewandel naar andere oude interessante dinges voor ik afreis naar Xixiang in het zuiden. Waar het kouder schijnt te zijn.

<< Home