Friday, February 11, 2005

die van ons

Xixiang, de stad waar de sjampetters me zo ijverig uitkegelden, is naar verluidt verboden gezien er in de buurt een nieuw soort militair vliegtuig wordt getest. Die Chinezen met hun vliegers ook altijd.

Het jaar van de Haan (net als 1981!), het land stond in vuur en vlam. Zelfs in een verlaten gat als hier stond de hemel in lichterlaaie. Overal klonk gesis en geknal en gefluit; vanover de heuvels flitste het geel en groen en blauw, het leek wel een frisse oorlog. Ook rondom de school zijn er blijkbaar overlevenden, want boven de deuren van al die gesloten restaurantjes en winkeltjes hangen gelukwensen en veelkleurige papieren knipsels die, in combinatie met het luide geknal, de boze geesten moeten verjagen en het geluk verwelkomen. De straten liggen bezaaid met resten vuurwerk.

Wen Jiabao had wel wat beters te doen dan een stukje land opblazen op oudejaarsavond. De premier bezocht een aidsdorp. Fideel van 'm; blijkbaar hebben ze in Beijing duidelijk begrepen dat het stevig verkeerd loopt met hun strijd tegen aids, de Chinezen kunnen zich dus verwachten aan grootschalige campagnes.
't Is wel een erg houterige Jan Klaassen, die premier. Zoals hij mensen de hand schudt of baby's vasthoudt, het lijkt wel alsof hij nog niet helemaal ontdooid is.

Om de een of andere reden heb ik sedert Xi'an niet meer gerookt. Ik ben een af-en-aan-roker: er zijn dagen dat ik me inbeeld een sigaret te willen; als ik er dan een opsteek, heb ik er na twee trekjes eigenlijk genoeg van. Het gaat me eerder om het plezier rook in mijn handen te houden, vermoed ik.
Zulke dagen komen en gaan, ik zie ze liever gaan.
In ieder geval, gisteren liep ik ijs te beren door de kamer: hoe leg ik in godsnaam op een deftige manier uit waar de canape zich bevindt ten opzichte van de vensternis? En dacht: had ik maar zin in een sigaret, dan had ik tenminste iets om handen terwijl ik hier in alle hoeken van de kamer zoek naar de juiste formulering.
Dat deed me denken aan vader:


Voor va een gedicht schrijft, rookt hij een sigaartje. Met schrijven bedoel ik het actieve neerpennen van wat misschien wel wekenlang in zijn hoofd -'t lijkt wel Carthaagse grond, zijn hoofd, er wil niks groeien- heeft rondgehangen.
Voor dat schrijven, voor die neerslag dus, rookt hij een sigaar. Dan zit hij maar wat door het raam te staren; als je niet beter wist, je zou hem een kop koffie of de krant aanbieden.
Wanneer zijn sigaar is kortgerookt hangt een dikke maar niet onprettige walm in de kamer, een web van ontslagen woorden. Die slaat hij dan weg, zoals een grote vogel ook even stevig met de vleugels slaat voor hij opstijgt naar een plek waar niet veel mensen komen.

Mijn vader schrijft vreselijk hard. Zijn papier krult telkens helemaal naar binnen alsof het zichzelf beschermend wil omarmen. In het tafelblad kan je hier en daar een versje lezen; wat hij schrijft maakt indruk, zelfs op hout.

Zijn geschrift is een langbevochten compromis tussen wat hij op school leerde -waar hij klappen kreeg om des Duivels hand (en naar ik vermoed ook om zijn vranke muile)- en zijn eigen rechttoe rechtaan geschrijf. Zowel zwierige en schoolmeesterachtige Kapitalen als kordate kaarsrechte letters -die eigenlijk lichtjes gebogen zouden moeten staan, maar vader laat geen briesje toe in zijn zinnen; zowel ongecompliceerde en behoorlijk leesbare, netjes aaneengeregen letters als onafgewerkte lussen; de puntjes stevig op de i gezet, dat wel.

Wanneer hij klaar is, klapt hij zichzelf eens hard in de handen en baggert, dendert een paar keer doorheen de kamer: dat heb ik weer goed gedaan!
Hij beloont zichzelf met koffie en sigaar, ik denk dat poezie heel erg ongezond is.