mind the gap
Fuck it. Fuck, fuckity, fuck. Handdoek: in de ring. Hoofd: op een schaaltje. Ik geef het op, beste lezer! Mijn poging indruk te maken middels een essay over de Chinese stad strandt hier. Zo'n onderwerp verdient een tekst die vijf keer langer is, maar mijn hoofd heeft stop gezegd (en ik gehoorzaam altijd, weet je nog wel? Was ik maar een perfectionist!). Woorden als cultuur en individualiteit verdienen verdieping en definiering, maar ik kom er niet toe. Ik voel dat ik niet voldoende culturele bagage heb; ik heb niet eens mezelf kunnen overtuigen van mijn mening! En ook: geen zin, ik geef het eerlijk toe, want buiten ligt sinds enkele uren minstens dertig centimeter sneeuw waarin ik spelen wil.
Een onafgewerkt resultaat, een vier keer bewerkte en bijwijlen allicht chaotische schets is wat ik je kan aanbieden. Misschien heb je d'r wat aan als China je interesseert.
Volgende keer proberen we weer eens wat anders. Nog eens een mooie jeugdherinnering, heb je daar zin in? Goed.
MIND THE GAP/UITZICHT OP LEEGTE
Chinese steden en hun bewoners
VOORAF
-het is een helse opdracht mijn geschrift te proberen ontcijferen op vier meter afstand van een gedemotiveerd peertje. Om maar te zeggen dat tussen pen en papier en trage computer zonder tekstverwerkingprogramma al eens wrijvingen ontstaan;
-schrijver dezes heeft slechts een beperkt aantal Chinese steden bezocht waarvan hij bovendien veelal slechts het centrum en de onmiddellijke omgeving zag, aangevuld met wat men ziet bij het binnenrijden van een stad. De allergrootste metropolen, zoals Beijing en Shanghai, zijn nog onverkend gebied, evenals de plaatsen in het diepe zuiden, waartoe onder meer die steden behoren die -naar het schijnt- het stempel dragen van de etnische minderheden die er wonen;
- hij (dat ben ik) is de taal van het land onmachtig, grotendeels onbekend met cultuur en gewoonten. Niet alleen zal daardoor nu en dan een bezienswaardig stuk stad ongezien blijven, het leidt allicht ook tot een wat afstandelijke of ronduit onbegrijpende manier van kijken. Door studentes thuis te bezoeken, wordt hier voor een stukje aan verholpen;
-hij is spectaculair lui. Hij heeft nooit een boek gelezen over stadsplanning, weet niets over sociologie en heeft een diepgravende analyse van de hedendaagse Chinese economie na dertig bladzijden naast zich neergelegd. Hij is ook lui in die zin dat hij zijn ideeen veel te weinig laat botsen met die van mensen in zijn omgeving -hetzij inboorlingen hetzij collega's gastarbeiders. Dat belet hem allemaal niet om zich toch aan een eigen mening te wagen of termen (die hij ooit ergens oppikte) als toeeigening te gebruiken. 't Is een blaaskaak, schrijver dezes;
-in hoeverre een half jaar ergens wonen en de westerse oren en ogen openhouden en (bepaalde) boeken lezen kan volstaan om een betrouwbare mening te vormen, is een vraag die de lezer zelf maar moet beantwoorden;
-ten gevolge van al deze beperkingen moet deze tekst, zoals altijd, niet als afgewerkt worden beschouwd maar als notities (merk op hoe een degelijke probleemstelling en conclusie ontbreken). Het onderwerp is een beetje te groot gebleken voor de omstandigheden waarin het is geschreven. Het verdient veel meer nuances (maar laat dat geen excuus zijn voor onjuistheden of kromme redeneringen).
1: DE STAD VAN DE MENSEN
Er is een plein in Gent. Officieel heet het het Woodrow Wilsonplein maar er is haast niemand die die naam gebruikt. Men heeft het doorgaans over de Zuid (of 't Zuid, dat wisselt wel eens), waarmee niet enkel het plein maar ook de omliggende gebouwen en het park worden bedoeld. Wie afspreekt aan de Zuid weet nooit precies waar hij moet zijn: aan de bibliotheek of aan het winkelcentrum?
Behalve het winkelcentrum en de bibliotheek, waar het personeel rumoerige groepjes leerlingen tot kalmte maant en moedig blijft eisen dat gsm-gebruikers zich verplaatsen naar de hal, vind je aan het plein nog een ander gebouw, of eigenlijk zijn het er twee. Het is eigenlijk perfect, dat gebouw: door zijn onmiskenbaar centrale ligging krijg je het signaal dat wat er gebeurt belangrijk is, maar het uitzicht van het gebouw zelf is, hoewel niet lelijk, ook niet bepaald opwindend te noemen. In dit gebouw moet je zijn wanneer je te maken krijgt met de Stad: de Dienst Bevolking is er gehuisvest, er rust een stuk van het stadsarchief, dat soort dingen.
Aan de voor- en achterkant van dit gebouw vind je trappen, rolstoelhellingen en betonnen blokken waarin ventilatiedinges zitten. Aan de overkant van de straat vind je nog meer trappen en perkjes met blokken steen eromheen.
Erg spectaculair is dat allemaal niet. Alleen: heel dat stedelijke relief van blokken steen en hellinkjes etc. wordt gebruikt voor een doel dat de stadsplanners en -architecten geenszins voor ogen hadden. Een groep mensen die werkelijk niets te maken wil hebben met paspoorten of aktes van overlijden of domiciliewijzigingen, leeft zich uit op al dat gesteente: skaters en rollerbladers en goochelaars met BMX-en die alle kanten op zwaaien, halen allerlei toeren uit.
Wat die jongeren daar doen, dat is toeeigening, ze 'reclaimen the streets'. Het is fantastisch: die stomme blokken steen die de grens aangeven tussen waar je verondersteld wordt te lopen en waar bloemetjes verondersteld worden te groeien, die stenen dus staan vol krassen en strepen van wieltjes en plankjes die eroverheen schuurden.
Gent laat dat toe, goochelaars doen niemand kwaad. Er zal vast wel eens iemand mopperen als hij of zij, beladen met drie zakken boodschappen, ei zo na overhoop wordt gereden. Maar veel klachten zijn er bij mijn weten niet.
Enkele wandelpassen verder begint het park (het was vroeger groter, maar ja, de snelweg). Er staan heel wat bankjes voor wie even wil puffen of haar hagelwitte jurk hagelwit wil houden. Anderen gaan op het gras zitten. Of liggen. Je kan er de hele namiddag liefkozen of nog beter: geliefkoosd worden, je zal slechts driemaal gestoord worden: haar gsm zal gaan, een groepje ongevaarlijke, al dan niet allochtone scholieren zal iets fluiten en er zal een bij op je knie landen.
Je kan er een balletje trappen. Op hete dagen stappen mensen kordaat de fontein in. Er wordt al eens een kleinschalig concert gegeven, je kan daar met je buurvrouw heen als je wil. Fascistoide studentenkorpsen vernederen er hun nieuwe leden. Mensen lezen boeken of drinken bier uit blikjes. Honden hollen achter een stok aan.
We gaan nu naar China.
De stad Qingdao in Shandong heeft de reputatie een van China's meest relaxte steden te zijn. Je vindt er enkele oude Duitse gebouwen, er zijn mooie zandstranden en enkele grote parken met veel groen. De stad ligt aan de kust en is niet erg groot, waardoor er geen grijze smog overheen ligt. Er is een pier, het station ligt heel comfortabel op wandelafstand van het water... Gezellig.
Precies omwille van die gezelligheid heeft Qingdao het gehaald van Dalian in de strijd om welke kuststad enkele van de Olympische watersporten mag organiseren. Alle Chinezen, van wie het merendeel er nog nooit is geweest, zullen je vertellen dat Qingdao een prachtige stad is met een aangenaam ontspannen sfeertje.
Nu ik. Qingdao is niet groot naar Chinese maatstaven, wat betekent dat het nog altijd een fikse stad is. Ik heb er stevig in rondgestapt. Het was een warme dag, ik was op zoek naar een gezellig plekje om te zitten, gewoon te zitten en de stad in te ademen. Met de stadskaart in de hand ging het langs parken (want 'door' lukte niet, zie verder), door oude Duitse wijken, al die kilometers naar het strand.
Op het strand kan je zitten, dat is waar. Maar op de dijk niet of amper. Er ligt een klein parkje vlakbij strand Nummer Zes (dat heet het mooiste te zijn), daar heb ik me neergeplant.
Voor de rest was het wat betreft ontspannen zitten maar een mager beestje: die oude wijken met dikke platanen, het plein voor het station: niks. De parken dan misschien? Ook niet: er worden drie kermismolens en een schietkraam in gezet waardoor je er toegang voor mag betalen.
Je kan zeggen: je hebt toch geen bankje nodig om ergens te gaan zitten? Dat klopt. Maar wat ik wil zeggen is dit: de stad nodigt niet uit om te gaan zitten.
(Opmerking: misschien zijn de Chinezen andere mensen die liever op restaurant gaan dan op een bankje zitten. Misschien. Maar dat verandert niets aan de houding van de stad.)
Even terug naar Gent. Daar vind je overal bankjes. Je kan op een bankje zitten kijken naar de auto's die van de snelweg naar de Zuid scheuren. Aan de waterkant kan je de eendjes of joggers bekijken. Er staan bankjes op de hoek van een stomme saaie straat en bankjes bij de fontein. Bankjes aan de rand van zomaar een grasveld en bankjes nabij plaatsen waar vaak veel mensen wachten: concertgebouwen, werklozenhuizen...
Op veel van die bankjes zit nooit een mens. Maar daar gaat het ook niet om. Het punt is dat door overal bankjes neer te poten de Stad Gent een signaal geeft: 'Neem maar rustig je tijd, je hoeft je niet op te jagen. Wil je even zitten, dat kan.' Dat signaal, die boodschap dat je mens mag wezen en niet de hele tijd hoeft mee te hollen in de economie, dat je even tijd voor jezelf mag nemen en een boek lezen waar niemand je kan vinden in plaats van altijd ofwel Ergens Bezig ofwel gehaast Onderweg te moeten zijn, die boodschap is honderd keer belangrijker voor een ontspannen stadssfeer dan strand Nummer Zes.
Honderd meter van dat Chinese strand ligt het grote stationsplein en als je dacht daar even op je gemak te zitten zonnestralen heb je 't mis. Om te beginnen moet je op je tellen passen dat je niet van de sokken wordt gereden, want er komt veel verkeer voorbij en er zijn geen voorzieningen voor voetgangers. Op het plein zelf is geen ademruimte: aan de ene kant bussen en taxi's, daar is geen rust te vinden. Aan de andere kant haasten reizigers zich naar en van het station, dat nodigt ook niet echt uit om er even bij te gaan zitten.
En dat is nu precies wat er mis is met de Chinese stad: je wordt er niet uitgenodigd mens te zijn. Overal word je uitgenodigd te consumeren: heel wat parken zijn betalend en veel andere rustplaatsen zijn er niet. Pleinen zijn ofwel te groot voor mensen ofwel staan er, net als op elke straat die daarvoor breed genoeg is, kraampjes en kioskjes: betaal, schiet op, ga ergens heen! De volgende!
Er is niet genoeg nutteloze of onbenutte ruimte in de Chinese stad. In Dalian is er naar het schijnt een wet die bepaalt dat je niet op het gras mag lopen. Je moet in Dalian eens proberen een bankje (een uitnodiging van de stad) te vinden.
Genoeg over die bankjes! Van het bankje naar de analyse: de Chinese stad is te functioneel. Alles heeft nut. De Chinezen weten heel goed wat toeeigening is, dat bewijzen de kraampjes en stalletjes of het deken met koopwaar dat breed over het voetpad ligt. Maar ook in hun toeeigening zijn ze functioneel.
(Noot: naar het schijnt is dat in de met de wereld verbonden metropolen wel anders, daar vind je die skaters weer wel.)
Ik wil niet al teveel in herhaling vallen met wat ik in vorige teksten schreef, maar voor de volledigheid nog even dit: de steden -kom, niet teveel relativeren- zijn allemaal hetzelfde omdat de gebouwen oninteressant zijn en, daarmee samenhangend, omdat de voorbije eeuw zowat alles wat enigszins kunstzinnig of excentriek of nutteloos was, onder de hamer van het Chinese communisme is terechtgekomen. Wie de geschiedenis uit de mens schrapt, houdt enkel leegte over.
Misschien ben ik met Gent, dat meer een historische overlevering is dan een stad, al te verwend. Steden zijn tenslotte functionele dingen: je kan er wonen, winkelen, werken en neuken. Misschien zoek ik te veel naar het schone -als reiziger is dat precies wat je doet- en heb ik te weinig oog voor het feit dat miljoenen Chinezen gebruik kunnen maken van degelijk openbaar vervoer, dat ze verwarming hebben en werk. Want dat is ook een wonder. Vanuit dat perspectief kan je een fantastische lofzang schrijven op de Chinese stad.
Maar al die heerlijk nuttige en comfortabele voorzieningen hoeven wat ademruimte toch niet uit te sluiten? Ik begrijp dat Gent traagskens is kunnen groeien terwijl in de Chinese steden snel reusachtig veel woonruimte moet worden gecreeerd. Gent is pointillisme en Dalian de grove borstel. Ik begrijp dat je onmogelijk tienduizend huizen kan bouwen met elk een eigen uitstraling. Maar verdorie, dat betekent nog niet dat je tussen al die appartementsblokken nooit eens wat lege ruimte -'zomaar een grasveld'- kan laten.
2: DE MENSEN IN DE STAD
Ook in hun wooninrichting komt de functionaliteit op de eerste plaats. Macro: al die appartementsblokken zijn hetzelfde. Micro: zo'n flat ziet eruit als een hotelkamer: proper maar onpersoonlijk. Gerieflijk maar leeg. Geen boekenkasten. Geen Mooie Dingen aan de muur. Het weinige aan versiering dat je ziet, komt zo uit de winkel; geen zelfgemaakte dingen, geen kindertekeningen of iets dat is meegekomen van op reis, geen extravagante of uit de toon vallende of oude kapotte spullen, geen foto's die niet in een studio zijn gemaakt. Elke flat lijkt op die van de buren.
In hun kledij zijn de Chinezen geen grote avant-gardisten. Mannen springen haast nooit uit de band en dragen hun zwartgrijsbruine jekkers; saai, saaier, saaist, zoals bij ons de Turkse mannen zich kleden. De vrouwen zijn wat dat betreft een verademing, met hun ravenzwarte haar in vlechtjes of lokjes of opgestoken of zomaar los, met hun foeilelijke bontjassen of andere kleren in allerlei vrolijke kleurtjes en altijd spannende broeken diep in hun laarzen gemarcheerd... Een verademing? Slechts ten dele. Mooi hoor, die afgeborstelde en opgetutte stijl, maar waar zit de Echte variatie, de afwijking? Waar zijn bijvoorbeeld de jongerenculturen? Zitten die dan enkel in Beijing en Shanghai? Waar zijn de hiphoppers, etnische minderheden, zwartzakken, sletten, andersglobalisten, johnny's, macho's, neuspiercings en vrouwonvriendelijke tatoeages?
Waarom kijk jij samen met je ouders naar de zoveelste Tien om te Zien-show waarop steevast dezelfde zwijmelzoete liedjes worden afgehaspeld in grote stadia met iedereen keurig op zijn stoel, allemaal samen achterlijk met Chinese vlaggetjes of een soort Star Wars-achtige lichtzwaarden zwaaiend? Waarom? Je zou minstens naar je eigen muziek moeten luisteren, het liefst van een stijl die je ouders afschuwelijk vinden, zoals ons moeder ook niet moest weten van Incesticide of Evil Empire.
Je nachtleven? Karaoke met je familie.
Waarom zoek je je vertier in een reusachtige plezierhal op de zevende verdieping van een babylonisch winkelcentrum, waar weerzinwekkende kleuren en mensen en tingeltangelelektronica je uitnodigen je geld in een van de vele bliepende en zwiepende spelmachines te stoppen? Je kan er naar beertjes grijpen, ringen gooien, op dinosaurussen schieten... Alles wat je wil, maar vergeet niet om eerst langs de afdeling lobotomie te passeren.
Chinees koppeltje, wat verdoe je je tijd in die tumor van niksdom en tijdverlies? Is er dan geen parkje waar je elkaar kan liefkozen?
Neen, dat parkje is er niet, tenzij betalend en dan is het ongetwijfeld ook nog verboden elkaar te gaan zitten zoenen. Zo houdt de Chinese stad de Chinezen leeg. Omgekeerd lijken de Chinezen niets te missen; ik heb mijn studenten, die overal in China wonen, toch nog nooit horen klagen.
We moeten hier even de tirade stilzetten en een opmerking maken. Dat streven naar comfort en geld, wat naast de bevolkingsexplosie de grote verantwoordelijke is voor die verstikkende functionaliteit die maakt dat de Chinese stad niet op mensenmaat is gemaakt, dat streven dus komt voor een belangrijk deel natuurlijk door de armoede of de vers in het geheugen liggende herinnering daaraan. Ik vind het heel erg moeilijk om daar vanuit mijn bevoorrechte positie iets over te zeggen. Maar ik doe het toch: de perfect legitieme wens te streven naar een beter leven mag geen excuus zijn om je cultuur te verwaarlozen. Cultuur in de brede zin van het woord; ik weet ook wel dat mensen over het algemeen geen boeken lezen of toneelhuizen bezoeken (dat laatste zouden ze toch nog niet kunnen betalen); maar een beetje persoonlijke muzikale voorkeur, godbetert, of de websites die je bezoekt, het soort boyfriend dat je wil. Persoonlijkheid! Kloten aan je lijf, of voor de dames: haar op je tanden!
Zal die situatie veranderen nu de Chinezen rijker worden? Zullen ze beginnen verlangen naar culturele verdieping en onthaasting? Ongetwijfeld; dat het binnenlandse toerisme in de lift zit wijst daar al op. Maar er staat al een vrijetijdseconomie te trappelen van ongeduld -de plezierhallen en computerspelletjes. Arm Chineesje, weet je niet wat gedaan met je geld en tijd? Kom onder mijn vleugels, ik heb een gsm waarmee je je freedom of speech kan kopen; we hebben Strand Nummer Zes in de aanbieding of dino's schieten of karaoke...
De verpretparkisering van wat overblijft van China's verleden past in dat kraam. Bij elke tempel, op elke heilige berg vind je mannen met aapjes met hoedjes en idiote souvenirshops; kinderen klauteren over beelden, te veel bezoekers verdringen elkaar om hier- of daarmee op de foto te kunnen... De Chinezen kijken naar hun geschiedenis en weten niet wat ermee aan te vangen, dus maken ze er maar een pretpark van.
Slechts zelden bespeur je in de steden een morzel creativiteit. De Chinees heeft geen cultuur, pats, daar, recht in je gezicht. Het spijt me.
(De vraag is: hebben bijvoorbeeld Belgen individualiteit/cultuur? Als je moet afgaan op wat je ziet in de straat en je vergelijkt met China: ja. Zo simpel is het gewoon: je ziet bij ons meer verschil. De Chinezen hebben heel wat gewoontes die deel uitmaken van een uiteraard rijke culturele erfenis. Met Nieuwjaar hangen ze wensen aan de deur, eten dumplings, steken vuurwerk af. Op de graven ligt dodengeld. Ze hebben een schitterende keuken. Dat soort dingen. Het land heeft veel gebruiken, prachtig, mooi, cultuur! Zodra je echter een individueler kijkje neemt, staan Leegte en Hetzelfde je op te wachten. Dat is bij ons een tikkel minder het geval.)
Waar zou die creativiteit vandaan moeten komen? Het zijn immers ook slachtoffers, de Chinezen: op school leren ze luisteren en herhalen (taal, dat is een woordenboek plus grammatica). Op de werkvloer moet het snel gaan en is gehoorzaamheid nog steeds het hoogste goed, gevolgd door overdreven bescheidenheid. Politiek en alles wat daarmee te maken heeft -dromen van en vechten voor een betere wereld- daaraan waagt zich slechts een ondergrondse enkeling. Over de economie worden sprookjesachtige opvattingen gehuldigd die van hogerhand uiteraard niet zullen worden tegengesproken. Op tv zie je steeds dezelfde stompzinnige shows, de overacting, het gefilterde nieuws. De steden nodigen niet uit tot stilstaan en om je heen kijken, maar manen aan snel verder te gaan, daarbij geholpen door smog en stof uit de woestijn of fabriek. Lichtpunt: steeds meer parken worden gratis toegankelijk.
Ik moet nog iets zeggen over socialiteit, want die is bij de Chinezen helemaal verschillend. Als socialiteit tenminste het juiste woord is (dat komt ervan als je geen woordenboek hebt); bedoeld wordt de manier waarop individuen zich tot elkaar en tot de gemeenschap verhouden.
Wat dat betreft gaat het er bij ons volledig anders aan toe: socialiteit uit zich schijnbaar veelal negatief. We schamen en ergeren ons te pletter aan elkaar. De moeder schaamt zich als haar kind huilt in de Colruyt, ruzien in aanwezigheid van derden is een groot taboe en o wee als je iemand aanspreekt op zijn gedrag (herinner je hoe enkele jonge gezinshoofden in Nederland enkele jaren terug een man doodschopten omdat hij hun baldadigheden, fietsen in het water gooien, niet erg op prijs stelde); daar zijn we dan maar mee opgehouden. We ergeren ons aan de gsm en het rijgedrag van de ander en leven zoveel mogelijk naast elkaar. (Ja, toch?)
De Chinezen zitten helemaal anders in elkaar, die zijn het veel meer gewend dicht opeen te leven. Die houden zich niet in omdat er anderen bij zijn en omgekeerd zijn ze ook veel toleranter wat betreft anderen: lawaai of gespuw of geruzie of een chauffeur die je voorrang afpakt, dat stoort helemaal niemand.
Mmm. Vreemde vaststelling. Was ik net niet eigenlijk feitelijk aan het betogen dat de Chinezen individualiteit missen? En nu zeg ik dat ze zich - niet op alle vlakken, maar kennelijk vaker dan bij ons- minder geremd voelen door elkaars aanwezigheid, dat ze, met andere woorden, meer hun eigen zin kunnen doen. Botst dat niet?
Neen, dat botst niet: precies doordat ze minder individu zijn kennen ze elkaar als wildvreemden eigenlijk al een stukje beter dan bij ons het geval zou zijn. Dus voelen ze zich minder bedreigd en meer thuis in elkaars aanwezigheid. Precies het feit dat hier minder afwijkende gedachten en verlangens zijn, brengt de Chinezen dichter bij elkaar. (De lezer moet nu niet gaan denken dat ik schapen wil sodomiseren maar dat enkel laat omwille van de mogelijke gebrouilleerdheid met voorbijgangers; 'afwijkend' ten opzichte van wat Men doorgaans denkt of doet, bedoel ik, dat kan zich uiten als het over pop gaat maar ook over hoe de mensen op de bus reageren als die dikke met haar hoofddoek geen geldig ticket blijkt te hebben.)
(Als het werkelijk zo gaat, is onze afstandelijkheid tegenover elkaar dan misschien gedeeltelijk veroorzaakt door onze individualiteit? 't Klinkt niet erg aanlokkelijk als verklaring, want ik weet niet of ik veel geloof hecht aan Onze individualiteit. Maar ik wil heel mijn betoog hier niet kapotmaken door het teveel in vraag te stellen. Dat is precies wat ik in de volgende zinnen ga doen.)
Ik blijf me ongemakkelijk voelen bij de stelling dat die 1.3 miljard Chinezen persoonlijkheid missen. Ik voel me absoluut niet gelegitimeerd voel om zo'n oordeel te vellen. Tenslotte zie ik alleen maar wat ik zie.
Ik hoor de droeve getuigenissen over het zaaddodende onderwijs maar heb nog niet met de universiteitsstudent gepraat die niettemin op zoek ging naar de Sade of Snoop Dogg; hij moet bestaan, ik wil het!
Ik zie het treurige gebrek aan kwaliteit op tv maar ken de auteur van clandestiene pamfletjes niet die lak heeft aan wat de staat hem probeert wijs te maken (na 2006 zal ik hem proberen vinden in Antwerpen).
Ik zie de computerspelletjes waar schijnbaar alle Chinese jongens dol op zijn, maar heb nog niet kennisgemaakt met de internetcafe-bezoeker die via Google vindt wat hij graag wil weten. 1.3 miljard Chinezen, die mens moet toch ergens zitten?
Ik ken de Chinezen niet die graag eens zouden betogen (niet zoals bij ons, waar oorlog aanleiding geeft tot een vrolijk feestje in Brusssel, maar echt betogen: woede en verzet), ik ken de veellezers en vechtersbazen en gepierceten en vakbondsleiders niet.
Die afwijkende mensen bestaan, het is heus niet dat de Chinezen door hun DNA een neiging hebben tot apathie en eenheidsworst. Maar waar zitten die mensen? Waarom zie ik de neuspiercings niet? Een enkel t-shirt met een leuk opschrift, asjeblief?
Cultuur is toch ook het uiten van cultuur? Als je dat vindt, dan kan je niet anders dan concluderen dat het de Chinezen aan cultuur en individualiteit ontbreekt. Hopelijk vinden de mensen die wat variatie brengen spoedig de moed vanonder hun steen te kruipen.
Een onafgewerkt resultaat, een vier keer bewerkte en bijwijlen allicht chaotische schets is wat ik je kan aanbieden. Misschien heb je d'r wat aan als China je interesseert.
Volgende keer proberen we weer eens wat anders. Nog eens een mooie jeugdherinnering, heb je daar zin in? Goed.
MIND THE GAP/UITZICHT OP LEEGTE
Chinese steden en hun bewoners
VOORAF
-het is een helse opdracht mijn geschrift te proberen ontcijferen op vier meter afstand van een gedemotiveerd peertje. Om maar te zeggen dat tussen pen en papier en trage computer zonder tekstverwerkingprogramma al eens wrijvingen ontstaan;
-schrijver dezes heeft slechts een beperkt aantal Chinese steden bezocht waarvan hij bovendien veelal slechts het centrum en de onmiddellijke omgeving zag, aangevuld met wat men ziet bij het binnenrijden van een stad. De allergrootste metropolen, zoals Beijing en Shanghai, zijn nog onverkend gebied, evenals de plaatsen in het diepe zuiden, waartoe onder meer die steden behoren die -naar het schijnt- het stempel dragen van de etnische minderheden die er wonen;
- hij (dat ben ik) is de taal van het land onmachtig, grotendeels onbekend met cultuur en gewoonten. Niet alleen zal daardoor nu en dan een bezienswaardig stuk stad ongezien blijven, het leidt allicht ook tot een wat afstandelijke of ronduit onbegrijpende manier van kijken. Door studentes thuis te bezoeken, wordt hier voor een stukje aan verholpen;
-hij is spectaculair lui. Hij heeft nooit een boek gelezen over stadsplanning, weet niets over sociologie en heeft een diepgravende analyse van de hedendaagse Chinese economie na dertig bladzijden naast zich neergelegd. Hij is ook lui in die zin dat hij zijn ideeen veel te weinig laat botsen met die van mensen in zijn omgeving -hetzij inboorlingen hetzij collega's gastarbeiders. Dat belet hem allemaal niet om zich toch aan een eigen mening te wagen of termen (die hij ooit ergens oppikte) als toeeigening te gebruiken. 't Is een blaaskaak, schrijver dezes;
-in hoeverre een half jaar ergens wonen en de westerse oren en ogen openhouden en (bepaalde) boeken lezen kan volstaan om een betrouwbare mening te vormen, is een vraag die de lezer zelf maar moet beantwoorden;
-ten gevolge van al deze beperkingen moet deze tekst, zoals altijd, niet als afgewerkt worden beschouwd maar als notities (merk op hoe een degelijke probleemstelling en conclusie ontbreken). Het onderwerp is een beetje te groot gebleken voor de omstandigheden waarin het is geschreven. Het verdient veel meer nuances (maar laat dat geen excuus zijn voor onjuistheden of kromme redeneringen).
1: DE STAD VAN DE MENSEN
Er is een plein in Gent. Officieel heet het het Woodrow Wilsonplein maar er is haast niemand die die naam gebruikt. Men heeft het doorgaans over de Zuid (of 't Zuid, dat wisselt wel eens), waarmee niet enkel het plein maar ook de omliggende gebouwen en het park worden bedoeld. Wie afspreekt aan de Zuid weet nooit precies waar hij moet zijn: aan de bibliotheek of aan het winkelcentrum?
Behalve het winkelcentrum en de bibliotheek, waar het personeel rumoerige groepjes leerlingen tot kalmte maant en moedig blijft eisen dat gsm-gebruikers zich verplaatsen naar de hal, vind je aan het plein nog een ander gebouw, of eigenlijk zijn het er twee. Het is eigenlijk perfect, dat gebouw: door zijn onmiskenbaar centrale ligging krijg je het signaal dat wat er gebeurt belangrijk is, maar het uitzicht van het gebouw zelf is, hoewel niet lelijk, ook niet bepaald opwindend te noemen. In dit gebouw moet je zijn wanneer je te maken krijgt met de Stad: de Dienst Bevolking is er gehuisvest, er rust een stuk van het stadsarchief, dat soort dingen.
Aan de voor- en achterkant van dit gebouw vind je trappen, rolstoelhellingen en betonnen blokken waarin ventilatiedinges zitten. Aan de overkant van de straat vind je nog meer trappen en perkjes met blokken steen eromheen.
Erg spectaculair is dat allemaal niet. Alleen: heel dat stedelijke relief van blokken steen en hellinkjes etc. wordt gebruikt voor een doel dat de stadsplanners en -architecten geenszins voor ogen hadden. Een groep mensen die werkelijk niets te maken wil hebben met paspoorten of aktes van overlijden of domiciliewijzigingen, leeft zich uit op al dat gesteente: skaters en rollerbladers en goochelaars met BMX-en die alle kanten op zwaaien, halen allerlei toeren uit.
Wat die jongeren daar doen, dat is toeeigening, ze 'reclaimen the streets'. Het is fantastisch: die stomme blokken steen die de grens aangeven tussen waar je verondersteld wordt te lopen en waar bloemetjes verondersteld worden te groeien, die stenen dus staan vol krassen en strepen van wieltjes en plankjes die eroverheen schuurden.
Gent laat dat toe, goochelaars doen niemand kwaad. Er zal vast wel eens iemand mopperen als hij of zij, beladen met drie zakken boodschappen, ei zo na overhoop wordt gereden. Maar veel klachten zijn er bij mijn weten niet.
Enkele wandelpassen verder begint het park (het was vroeger groter, maar ja, de snelweg). Er staan heel wat bankjes voor wie even wil puffen of haar hagelwitte jurk hagelwit wil houden. Anderen gaan op het gras zitten. Of liggen. Je kan er de hele namiddag liefkozen of nog beter: geliefkoosd worden, je zal slechts driemaal gestoord worden: haar gsm zal gaan, een groepje ongevaarlijke, al dan niet allochtone scholieren zal iets fluiten en er zal een bij op je knie landen.
Je kan er een balletje trappen. Op hete dagen stappen mensen kordaat de fontein in. Er wordt al eens een kleinschalig concert gegeven, je kan daar met je buurvrouw heen als je wil. Fascistoide studentenkorpsen vernederen er hun nieuwe leden. Mensen lezen boeken of drinken bier uit blikjes. Honden hollen achter een stok aan.
We gaan nu naar China.
De stad Qingdao in Shandong heeft de reputatie een van China's meest relaxte steden te zijn. Je vindt er enkele oude Duitse gebouwen, er zijn mooie zandstranden en enkele grote parken met veel groen. De stad ligt aan de kust en is niet erg groot, waardoor er geen grijze smog overheen ligt. Er is een pier, het station ligt heel comfortabel op wandelafstand van het water... Gezellig.
Precies omwille van die gezelligheid heeft Qingdao het gehaald van Dalian in de strijd om welke kuststad enkele van de Olympische watersporten mag organiseren. Alle Chinezen, van wie het merendeel er nog nooit is geweest, zullen je vertellen dat Qingdao een prachtige stad is met een aangenaam ontspannen sfeertje.
Nu ik. Qingdao is niet groot naar Chinese maatstaven, wat betekent dat het nog altijd een fikse stad is. Ik heb er stevig in rondgestapt. Het was een warme dag, ik was op zoek naar een gezellig plekje om te zitten, gewoon te zitten en de stad in te ademen. Met de stadskaart in de hand ging het langs parken (want 'door' lukte niet, zie verder), door oude Duitse wijken, al die kilometers naar het strand.
Op het strand kan je zitten, dat is waar. Maar op de dijk niet of amper. Er ligt een klein parkje vlakbij strand Nummer Zes (dat heet het mooiste te zijn), daar heb ik me neergeplant.
Voor de rest was het wat betreft ontspannen zitten maar een mager beestje: die oude wijken met dikke platanen, het plein voor het station: niks. De parken dan misschien? Ook niet: er worden drie kermismolens en een schietkraam in gezet waardoor je er toegang voor mag betalen.
Je kan zeggen: je hebt toch geen bankje nodig om ergens te gaan zitten? Dat klopt. Maar wat ik wil zeggen is dit: de stad nodigt niet uit om te gaan zitten.
(Opmerking: misschien zijn de Chinezen andere mensen die liever op restaurant gaan dan op een bankje zitten. Misschien. Maar dat verandert niets aan de houding van de stad.)
Even terug naar Gent. Daar vind je overal bankjes. Je kan op een bankje zitten kijken naar de auto's die van de snelweg naar de Zuid scheuren. Aan de waterkant kan je de eendjes of joggers bekijken. Er staan bankjes op de hoek van een stomme saaie straat en bankjes bij de fontein. Bankjes aan de rand van zomaar een grasveld en bankjes nabij plaatsen waar vaak veel mensen wachten: concertgebouwen, werklozenhuizen...
Op veel van die bankjes zit nooit een mens. Maar daar gaat het ook niet om. Het punt is dat door overal bankjes neer te poten de Stad Gent een signaal geeft: 'Neem maar rustig je tijd, je hoeft je niet op te jagen. Wil je even zitten, dat kan.' Dat signaal, die boodschap dat je mens mag wezen en niet de hele tijd hoeft mee te hollen in de economie, dat je even tijd voor jezelf mag nemen en een boek lezen waar niemand je kan vinden in plaats van altijd ofwel Ergens Bezig ofwel gehaast Onderweg te moeten zijn, die boodschap is honderd keer belangrijker voor een ontspannen stadssfeer dan strand Nummer Zes.
Honderd meter van dat Chinese strand ligt het grote stationsplein en als je dacht daar even op je gemak te zitten zonnestralen heb je 't mis. Om te beginnen moet je op je tellen passen dat je niet van de sokken wordt gereden, want er komt veel verkeer voorbij en er zijn geen voorzieningen voor voetgangers. Op het plein zelf is geen ademruimte: aan de ene kant bussen en taxi's, daar is geen rust te vinden. Aan de andere kant haasten reizigers zich naar en van het station, dat nodigt ook niet echt uit om er even bij te gaan zitten.
En dat is nu precies wat er mis is met de Chinese stad: je wordt er niet uitgenodigd mens te zijn. Overal word je uitgenodigd te consumeren: heel wat parken zijn betalend en veel andere rustplaatsen zijn er niet. Pleinen zijn ofwel te groot voor mensen ofwel staan er, net als op elke straat die daarvoor breed genoeg is, kraampjes en kioskjes: betaal, schiet op, ga ergens heen! De volgende!
Er is niet genoeg nutteloze of onbenutte ruimte in de Chinese stad. In Dalian is er naar het schijnt een wet die bepaalt dat je niet op het gras mag lopen. Je moet in Dalian eens proberen een bankje (een uitnodiging van de stad) te vinden.
Genoeg over die bankjes! Van het bankje naar de analyse: de Chinese stad is te functioneel. Alles heeft nut. De Chinezen weten heel goed wat toeeigening is, dat bewijzen de kraampjes en stalletjes of het deken met koopwaar dat breed over het voetpad ligt. Maar ook in hun toeeigening zijn ze functioneel.
(Noot: naar het schijnt is dat in de met de wereld verbonden metropolen wel anders, daar vind je die skaters weer wel.)
Ik wil niet al teveel in herhaling vallen met wat ik in vorige teksten schreef, maar voor de volledigheid nog even dit: de steden -kom, niet teveel relativeren- zijn allemaal hetzelfde omdat de gebouwen oninteressant zijn en, daarmee samenhangend, omdat de voorbije eeuw zowat alles wat enigszins kunstzinnig of excentriek of nutteloos was, onder de hamer van het Chinese communisme is terechtgekomen. Wie de geschiedenis uit de mens schrapt, houdt enkel leegte over.
Misschien ben ik met Gent, dat meer een historische overlevering is dan een stad, al te verwend. Steden zijn tenslotte functionele dingen: je kan er wonen, winkelen, werken en neuken. Misschien zoek ik te veel naar het schone -als reiziger is dat precies wat je doet- en heb ik te weinig oog voor het feit dat miljoenen Chinezen gebruik kunnen maken van degelijk openbaar vervoer, dat ze verwarming hebben en werk. Want dat is ook een wonder. Vanuit dat perspectief kan je een fantastische lofzang schrijven op de Chinese stad.
Maar al die heerlijk nuttige en comfortabele voorzieningen hoeven wat ademruimte toch niet uit te sluiten? Ik begrijp dat Gent traagskens is kunnen groeien terwijl in de Chinese steden snel reusachtig veel woonruimte moet worden gecreeerd. Gent is pointillisme en Dalian de grove borstel. Ik begrijp dat je onmogelijk tienduizend huizen kan bouwen met elk een eigen uitstraling. Maar verdorie, dat betekent nog niet dat je tussen al die appartementsblokken nooit eens wat lege ruimte -'zomaar een grasveld'- kan laten.
2: DE MENSEN IN DE STAD
Ook in hun wooninrichting komt de functionaliteit op de eerste plaats. Macro: al die appartementsblokken zijn hetzelfde. Micro: zo'n flat ziet eruit als een hotelkamer: proper maar onpersoonlijk. Gerieflijk maar leeg. Geen boekenkasten. Geen Mooie Dingen aan de muur. Het weinige aan versiering dat je ziet, komt zo uit de winkel; geen zelfgemaakte dingen, geen kindertekeningen of iets dat is meegekomen van op reis, geen extravagante of uit de toon vallende of oude kapotte spullen, geen foto's die niet in een studio zijn gemaakt. Elke flat lijkt op die van de buren.
In hun kledij zijn de Chinezen geen grote avant-gardisten. Mannen springen haast nooit uit de band en dragen hun zwartgrijsbruine jekkers; saai, saaier, saaist, zoals bij ons de Turkse mannen zich kleden. De vrouwen zijn wat dat betreft een verademing, met hun ravenzwarte haar in vlechtjes of lokjes of opgestoken of zomaar los, met hun foeilelijke bontjassen of andere kleren in allerlei vrolijke kleurtjes en altijd spannende broeken diep in hun laarzen gemarcheerd... Een verademing? Slechts ten dele. Mooi hoor, die afgeborstelde en opgetutte stijl, maar waar zit de Echte variatie, de afwijking? Waar zijn bijvoorbeeld de jongerenculturen? Zitten die dan enkel in Beijing en Shanghai? Waar zijn de hiphoppers, etnische minderheden, zwartzakken, sletten, andersglobalisten, johnny's, macho's, neuspiercings en vrouwonvriendelijke tatoeages?
Waarom kijk jij samen met je ouders naar de zoveelste Tien om te Zien-show waarop steevast dezelfde zwijmelzoete liedjes worden afgehaspeld in grote stadia met iedereen keurig op zijn stoel, allemaal samen achterlijk met Chinese vlaggetjes of een soort Star Wars-achtige lichtzwaarden zwaaiend? Waarom? Je zou minstens naar je eigen muziek moeten luisteren, het liefst van een stijl die je ouders afschuwelijk vinden, zoals ons moeder ook niet moest weten van Incesticide of Evil Empire.
Je nachtleven? Karaoke met je familie.
Waarom zoek je je vertier in een reusachtige plezierhal op de zevende verdieping van een babylonisch winkelcentrum, waar weerzinwekkende kleuren en mensen en tingeltangelelektronica je uitnodigen je geld in een van de vele bliepende en zwiepende spelmachines te stoppen? Je kan er naar beertjes grijpen, ringen gooien, op dinosaurussen schieten... Alles wat je wil, maar vergeet niet om eerst langs de afdeling lobotomie te passeren.
Chinees koppeltje, wat verdoe je je tijd in die tumor van niksdom en tijdverlies? Is er dan geen parkje waar je elkaar kan liefkozen?
Neen, dat parkje is er niet, tenzij betalend en dan is het ongetwijfeld ook nog verboden elkaar te gaan zitten zoenen. Zo houdt de Chinese stad de Chinezen leeg. Omgekeerd lijken de Chinezen niets te missen; ik heb mijn studenten, die overal in China wonen, toch nog nooit horen klagen.
We moeten hier even de tirade stilzetten en een opmerking maken. Dat streven naar comfort en geld, wat naast de bevolkingsexplosie de grote verantwoordelijke is voor die verstikkende functionaliteit die maakt dat de Chinese stad niet op mensenmaat is gemaakt, dat streven dus komt voor een belangrijk deel natuurlijk door de armoede of de vers in het geheugen liggende herinnering daaraan. Ik vind het heel erg moeilijk om daar vanuit mijn bevoorrechte positie iets over te zeggen. Maar ik doe het toch: de perfect legitieme wens te streven naar een beter leven mag geen excuus zijn om je cultuur te verwaarlozen. Cultuur in de brede zin van het woord; ik weet ook wel dat mensen over het algemeen geen boeken lezen of toneelhuizen bezoeken (dat laatste zouden ze toch nog niet kunnen betalen); maar een beetje persoonlijke muzikale voorkeur, godbetert, of de websites die je bezoekt, het soort boyfriend dat je wil. Persoonlijkheid! Kloten aan je lijf, of voor de dames: haar op je tanden!
Zal die situatie veranderen nu de Chinezen rijker worden? Zullen ze beginnen verlangen naar culturele verdieping en onthaasting? Ongetwijfeld; dat het binnenlandse toerisme in de lift zit wijst daar al op. Maar er staat al een vrijetijdseconomie te trappelen van ongeduld -de plezierhallen en computerspelletjes. Arm Chineesje, weet je niet wat gedaan met je geld en tijd? Kom onder mijn vleugels, ik heb een gsm waarmee je je freedom of speech kan kopen; we hebben Strand Nummer Zes in de aanbieding of dino's schieten of karaoke...
De verpretparkisering van wat overblijft van China's verleden past in dat kraam. Bij elke tempel, op elke heilige berg vind je mannen met aapjes met hoedjes en idiote souvenirshops; kinderen klauteren over beelden, te veel bezoekers verdringen elkaar om hier- of daarmee op de foto te kunnen... De Chinezen kijken naar hun geschiedenis en weten niet wat ermee aan te vangen, dus maken ze er maar een pretpark van.
Slechts zelden bespeur je in de steden een morzel creativiteit. De Chinees heeft geen cultuur, pats, daar, recht in je gezicht. Het spijt me.
(De vraag is: hebben bijvoorbeeld Belgen individualiteit/cultuur? Als je moet afgaan op wat je ziet in de straat en je vergelijkt met China: ja. Zo simpel is het gewoon: je ziet bij ons meer verschil. De Chinezen hebben heel wat gewoontes die deel uitmaken van een uiteraard rijke culturele erfenis. Met Nieuwjaar hangen ze wensen aan de deur, eten dumplings, steken vuurwerk af. Op de graven ligt dodengeld. Ze hebben een schitterende keuken. Dat soort dingen. Het land heeft veel gebruiken, prachtig, mooi, cultuur! Zodra je echter een individueler kijkje neemt, staan Leegte en Hetzelfde je op te wachten. Dat is bij ons een tikkel minder het geval.)
Waar zou die creativiteit vandaan moeten komen? Het zijn immers ook slachtoffers, de Chinezen: op school leren ze luisteren en herhalen (taal, dat is een woordenboek plus grammatica). Op de werkvloer moet het snel gaan en is gehoorzaamheid nog steeds het hoogste goed, gevolgd door overdreven bescheidenheid. Politiek en alles wat daarmee te maken heeft -dromen van en vechten voor een betere wereld- daaraan waagt zich slechts een ondergrondse enkeling. Over de economie worden sprookjesachtige opvattingen gehuldigd die van hogerhand uiteraard niet zullen worden tegengesproken. Op tv zie je steeds dezelfde stompzinnige shows, de overacting, het gefilterde nieuws. De steden nodigen niet uit tot stilstaan en om je heen kijken, maar manen aan snel verder te gaan, daarbij geholpen door smog en stof uit de woestijn of fabriek. Lichtpunt: steeds meer parken worden gratis toegankelijk.
Ik moet nog iets zeggen over socialiteit, want die is bij de Chinezen helemaal verschillend. Als socialiteit tenminste het juiste woord is (dat komt ervan als je geen woordenboek hebt); bedoeld wordt de manier waarop individuen zich tot elkaar en tot de gemeenschap verhouden.
Wat dat betreft gaat het er bij ons volledig anders aan toe: socialiteit uit zich schijnbaar veelal negatief. We schamen en ergeren ons te pletter aan elkaar. De moeder schaamt zich als haar kind huilt in de Colruyt, ruzien in aanwezigheid van derden is een groot taboe en o wee als je iemand aanspreekt op zijn gedrag (herinner je hoe enkele jonge gezinshoofden in Nederland enkele jaren terug een man doodschopten omdat hij hun baldadigheden, fietsen in het water gooien, niet erg op prijs stelde); daar zijn we dan maar mee opgehouden. We ergeren ons aan de gsm en het rijgedrag van de ander en leven zoveel mogelijk naast elkaar. (Ja, toch?)
De Chinezen zitten helemaal anders in elkaar, die zijn het veel meer gewend dicht opeen te leven. Die houden zich niet in omdat er anderen bij zijn en omgekeerd zijn ze ook veel toleranter wat betreft anderen: lawaai of gespuw of geruzie of een chauffeur die je voorrang afpakt, dat stoort helemaal niemand.
Mmm. Vreemde vaststelling. Was ik net niet eigenlijk feitelijk aan het betogen dat de Chinezen individualiteit missen? En nu zeg ik dat ze zich - niet op alle vlakken, maar kennelijk vaker dan bij ons- minder geremd voelen door elkaars aanwezigheid, dat ze, met andere woorden, meer hun eigen zin kunnen doen. Botst dat niet?
Neen, dat botst niet: precies doordat ze minder individu zijn kennen ze elkaar als wildvreemden eigenlijk al een stukje beter dan bij ons het geval zou zijn. Dus voelen ze zich minder bedreigd en meer thuis in elkaars aanwezigheid. Precies het feit dat hier minder afwijkende gedachten en verlangens zijn, brengt de Chinezen dichter bij elkaar. (De lezer moet nu niet gaan denken dat ik schapen wil sodomiseren maar dat enkel laat omwille van de mogelijke gebrouilleerdheid met voorbijgangers; 'afwijkend' ten opzichte van wat Men doorgaans denkt of doet, bedoel ik, dat kan zich uiten als het over pop gaat maar ook over hoe de mensen op de bus reageren als die dikke met haar hoofddoek geen geldig ticket blijkt te hebben.)
(Als het werkelijk zo gaat, is onze afstandelijkheid tegenover elkaar dan misschien gedeeltelijk veroorzaakt door onze individualiteit? 't Klinkt niet erg aanlokkelijk als verklaring, want ik weet niet of ik veel geloof hecht aan Onze individualiteit. Maar ik wil heel mijn betoog hier niet kapotmaken door het teveel in vraag te stellen. Dat is precies wat ik in de volgende zinnen ga doen.)
Ik blijf me ongemakkelijk voelen bij de stelling dat die 1.3 miljard Chinezen persoonlijkheid missen. Ik voel me absoluut niet gelegitimeerd voel om zo'n oordeel te vellen. Tenslotte zie ik alleen maar wat ik zie.
Ik hoor de droeve getuigenissen over het zaaddodende onderwijs maar heb nog niet met de universiteitsstudent gepraat die niettemin op zoek ging naar de Sade of Snoop Dogg; hij moet bestaan, ik wil het!
Ik zie het treurige gebrek aan kwaliteit op tv maar ken de auteur van clandestiene pamfletjes niet die lak heeft aan wat de staat hem probeert wijs te maken (na 2006 zal ik hem proberen vinden in Antwerpen).
Ik zie de computerspelletjes waar schijnbaar alle Chinese jongens dol op zijn, maar heb nog niet kennisgemaakt met de internetcafe-bezoeker die via Google vindt wat hij graag wil weten. 1.3 miljard Chinezen, die mens moet toch ergens zitten?
Ik ken de Chinezen niet die graag eens zouden betogen (niet zoals bij ons, waar oorlog aanleiding geeft tot een vrolijk feestje in Brusssel, maar echt betogen: woede en verzet), ik ken de veellezers en vechtersbazen en gepierceten en vakbondsleiders niet.
Die afwijkende mensen bestaan, het is heus niet dat de Chinezen door hun DNA een neiging hebben tot apathie en eenheidsworst. Maar waar zitten die mensen? Waarom zie ik de neuspiercings niet? Een enkel t-shirt met een leuk opschrift, asjeblief?
Cultuur is toch ook het uiten van cultuur? Als je dat vindt, dan kan je niet anders dan concluderen dat het de Chinezen aan cultuur en individualiteit ontbreekt. Hopelijk vinden de mensen die wat variatie brengen spoedig de moed vanonder hun steen te kruipen.

<< Home