de grimmige wachter
Zaterdag 23/04
Lieve Chang Yuan, dagbladvlinder van me,
Ik heb je gisterochtend in een mondelinge test aan de tand gevoeld over de dagen van de week en de maanden van het jaar en wat je aantrekt als het regent –je was groots, fenomenaal, meesterlijk. Omdat sommige van je klasgenoten niet verder kwamen dan ‘General, Tuesday, March, Apple...’ verdien je deze brief.
‘t Is zaterdagavond, ik ben bekaf, maar woorden laten zich niet beteugelen. Hier dan een overzicht van mijn leven sinds jij er deel van kwam uitmaken:
Vrijdag
5.50 u.: wakker
8.10-9.40: les gegeven aan je klas, mondelinge tests (in de gang) en schrijfoefening ‘If I were chairman...’
9.50: Zhou Yan vinden en samen op de bus naar het station
11-13: rondhangen in het station, me afvragen waarom stationshallen altijd zo hoog moeten zijn
13-19.40: op de trein naar Jinzhou. Ik heb opnieuw dat gezellige huiskamergevoel dat ik op het einde van mijn vorige reis was kwijtgespeeld; mensen maken een praatje, zoals het hoort; telefoonnummers, voedsel en kinderen worden vlot doorgegeven.
22: slapen op de kang in het bijkamertje (met heerlijke houten balken als plafond) van Zhou Yans ouderlijk huis; het publiek toilet wordt niet gebruikt wegens té erg, ik krijg een teiltje; even een kijkje nemen op het publiek toilet, ik zal er verder over zwijgen. Qua toiletten ben ik wel wat gewend. Als het in de buitenlucht is, laat het me meestal Siberisch. Erger zijn onverluchte stationstoiletten, waar mannenpies in je neus kruipt en in kleine gele stroompjes onder je schoenen loopt. Is het in damestoiletten even erg?
Maar ach, ik moet niet te intiem worden bij dit eerste schrijven. Je moet me maar vergeven, ik ben een kind in een man in een dromer, en sta dus permanent bloot aan zelfontbranding.
-Intermezzo: Van de boer die sterft
Boer,
Heuvels in China zijn heilig, dus gij begraaft er uw vader en moeder en soms ook uw vrouw en kinderen. In de vlakten van uw land zijn geen heuvels, boer, maar ook gij wilt nader tot God, dus midden op uw velden hier en daar legt ge uw dierbaren af en stopt hen toe onder de aarde. Ge ploegt met uw trekbeest om die kleine heuveltjes –soms trekt gij zelf de ploeg, het valt allemaal te zien vanop de trein die hier nog vaak stoomtrein is. Ge hebt ook weet van de jaknikkers die olie uit de grond trekken. De olie wordt verwerkt in grote grijze fabrieken temidden welke plots een school staat waar uw kinderen leven-
Lieve snelschriftschone, ik ben er nog. Zhou Yan vertelt dat er in Jinzhou een hotel is dat een grote banner heeft opgehangen waarop in niet mis te verstane taal –voor Chinezen althans- te kennen wordt gegeven dat Japanners niet welkom zijn. Heb je, nadat op dinsdag de directeur alle leerkrachten toesprak, net als Zhou Yan ook een lesje gekregen over de huidige spanningen tussen de kip en de worm? (Want dat zijn de vormen van respectievelijk China en Japan, erg vriendelijk is die metafoor niet; ‘Veldolie toch’ zouden de Japanners zeggen.) En vind je net als Zhou Yan dat rellen verzwijgen geen zonde is omdat het kan helpen de Chinese studentenwoede in te dijken?
Goed. Op zaterdag sta ik op om vier uur dertig –maar halfvijf klinkt beter. We sporen drie uur verder naar Shanhaiguan. Iemand heeft in je land een muur op een berg gezet, als je me niet gelooft kan je ‘t zelf gaan bekijken: op het strand is iemand een muur beginnen bouwen en hij wist blijkbaar niet van ophouden.
We nemen eerst de bus naar Laolongtou, zoals je weet betekent dat Oud Drakenhoofd. Dit is het begin van de Muur, op een pracht van een strand. Ooit stond hier een groot militair complex en sinds enkele jaren staat het er opnieuw; vreselijk interessant is het niet, maar het schijnt een hogere inkomprijs te rechtvaardigen.
‘t Is daar links en rechts van de Muur een schone wereld, Chang Yuan. Ik sta op de Muur, volgens het gezegde ben ik nu een echte man, voortaan moet ik ophouden met dromen; ik weiger halstarrig en wat jou betreft kan ik je met de hand op het hart verzekeren: mijn dromen zijn niet van de poes.
Het Oud Drakenhoofd heet zo omdat de Muur, die zich enkele meters in de golfjes vastbijt, op een grote drakenkop lijkt. Wordt gezegd. Ik ben er niet helemaal ondersteboven van, maar ‘t is stralend weer, er zijn –bij wijze van uitzondering- weinig andere toeristen en enkele minuten lang staat niemand anders ter wereld dan ik precies op de plek waar de Chinese Muur begint. Dat is wel een leuk gevoel.
Toch, als je erover nadenkt is die hele Muur een extreem belachelijke bedoening: duizenden kilometers hoge muur, over bergen en door woestijnen, gewoon om een stelletje rovende nomaden buiten te houden. Ten eerste loopt de Muur maar anderhalve meter de zee in: een beetje ondernemend volk vaart daar zonder slag of stoot omheen. Ten tweede: goed, middels vuren op de wachttorens kon nieuws zich razendsnel verspreiden (net als in de tijd van de Grieken met hun havenvuren!), maar daar heb je geen Muur voor nodig. Ten derde: al de tijd en energie en mankracht die erin is gestopt, ‘t is toch zot als je bedenkt hoeveel bouwwerken tot nut van ‘t algemeen men had kunnen aanvatten; en die barbaren, gut, die koop je om met pint en opium en dochters. Maar niet getreurd, als kunstliefhebber word ik verondersteld een lans te breken voor het nutteloze, dus ik moet eerlijk toegeven: ‘t was liefde op het eerste zicht. Toen we Shanhaiguan naderden en ik een streep Muur op de bergkam zag, ik was er meteen weg van. Een muur op een berg. Nergens goed voor. Heerlijk.
Ach, juffrouw Chang, ik heb weer geen enkel respect voor de chronologie van de dag. ‘t Zal aan de vermoeidheid liggen.
Terug naar Laolongtou: ik voel me zeer onwennig bij al die gloednieuwe oude gebouwen; het voelt niet aan als geschiedenis en ruikt sterk naar geldklopperij. Nu goed, bij ons (ik kom uit Europa, maar je zit altijd zo aandachtig op te letten in de les, met je blikkerende ogen en het sjaaltje om je hals, ik hoef niet te herhalen waar ik vandaan kom) is het ook niet alles: wij aanbidden een stuk steen omdat die ooit deel uitmaakte van een gebouw; restaureren vinden we pijnlijk, heropbouwen durven we niet.
In de tempelss zingen vogeltjes die nestelen temidden houten balken –‘t is niet voor het eerst dat ik aan je denk. Spreek je Oudnederlands, pluimenbeest? Wat unbidan we nu? Waarop wachten we om ons eigen nestje te bouwen?
Vanop Laolongtou wandelen we weg van het strand –we volgen de Muur, ook al staat er een bordje ‘Muur niet volgen’. Na tweehonderd meter houdt die gloednieuwe Muur op te bestaan en wandelen we over een hoge aarden wal; zo ziet het grootste deel van Changcheng (zo zeg je Chinese Muur in jouw taal) er hier uit. Iemand heeft hier en daar het gras aan de zijkant verbrand, enkele kippen vluchtten te traag, zwartgeblakerde lijkjes op de wal. Links, in het Middenrijk dus (aan onze rechterkant ligt de barbaarse boze buitenwereld), ligt een arm dorpje, het heet ‘Eerste dorp van de Muur’. Er staat nog een oud huis uit 1904, ik wil een kijkje nemen maar er komt een oude brallende vrouw en een kind op een fiets waarschuwt dat ze zot is en we maar beter weg kunnen gaan.
We nemen de bus terug naar het stadje. Er staat daar andermaal een grote tempel, die bezoeken we niet, maar we wandelen in de wijk rondom. Oude, nog niet gesloopte huizen in straatjes met tegels. Hier en daar nieuwe gebouwen –ze weten deksels goed dat ze door de groeiende Chinese welvaart meer toeristen over de vloer zullen krijgen- en ook nog eens een nieuwe tempel: hij is nog niet geverfd, gelukkig maar, want alle tienduizend tempels hier zijn allemaal in dezelfde kleuren geverfd, het is een schande, het is culturele leegte, het is geldklopperij en religie. Ik zeg het maar meteen, kindekind, als je mijn leven met me wil delen, moet je voor het einde van deze zin alle goddelijke gedachten laten varen.
Afijn, ‘t is een heerlijke wijk en ik ben dol op China, maar hoe het er hier binnen tien jaar zal uitzien weet ik niet. Gezelligheid heeft hier vaak te lijden onder toeristisch succes.
In de taxi eet ik een banaan en dan bereiken we Jiaoshan, de eerste berg die door de Muur wordt beklommen. Wij beklimmen de Muur. ‘t Is nog geen vakantie, er zijn niet veel mensen. Ook een ouder Amerikaans koppel; ze zijn erg... getrouwd, maar dan van het goede soort:
‘How you doin’, old man?’
‘Well, girl, I’m an old man.’
-Ik val omver van de slaap, het spijt me.-
(Maandagochtend)
Jiaoshan dus. Daar sta je dan, aan de voet van een flinke heuvel. Je kijkt op en ziet hoe de Muur zich voor je uit kronkelt, eerst nog fonkelnieuw, maar algauw afgebrokkeld en half verteerd door wind en weer. Treden van een halve meter hoog. Je kijkt achterom, de Muur (aarden wal) kabbelt naar de kust. Je klautert zeven meter omhoog op een ijzeren laddertje, de sterke wind probeert je te pletter te gooien. Waar de schoongemetselde Muur ophoudt en overgaat in de geschiedenis, twijfel je even: het is ongetwijfeld niet verstandig verder te klimmen. Een ijzeren hek probeert je tegen te houden, maar je klautert er omheen.
Een paadje loopt van de Muur naar een andere heuveltop waar je een machtig zicht hebt over een enorm bergmeer. Prachtig, maar: de laatste hand wordt gelegd aan drie (drie!) kabelliften en twee grote gebouwen op de heuveltop (hotels?). Zelf vind ik dat de Muur een eenzame renegaat moet zijn, een grimmige wachter die geen gezelschap wil. De Chinezen denken er anders over, de verpretparkisering zal ook hier zijn intrede maken; maar ik heb geluk, voorlopig valt het nog mee.
Het paadje volgend rollen we andermaal een tempeltje binnen, er staat een beeld voor de ‘Cough God’, de god die je beschermt tegen ziekte. Wie groente en fruit en geen dode dieren eet, heeft God niet nodig.
Afgejakkerde muilezels die deze bergplaatsjes (waaronder de boeddhistische tempels; hadden die het niet voor beesten?) bevoorraden, bloeden waar de touwen hun huid hebben weggesleten; hun muil wordt dichtgehouden met ijzerdraad. We komen ook nog een ‘tiolet’ tegen en ‘keep fireproof of the woods’.
Via een boog terug naar de Muur. Lieve Chang Yuan, Shanhaiguan is een plaats om verliefd te worden. Dat zie ik, want aan gindse kant van de Muur, in Barbarije, ligt een schapenhoeder te slapen. Zijn schaapjes knibbelen blaadjes en om het helemaal mooi te maken loopt er ook nog een zwart schaap tussen. Een vreselijk lange tijd geleden hadden wij thuis schapen, die aten gras en hadden lange oren die je kon kneden en soms gingen de kippen op de rug van zo'n schaap zitten. Aan zulke dingen doe jij me denken en dat zegt alles.
Ja, de Muur, ik vind het een geinig ding; ik zou wel eens naar de woestijn willen om daar echt in alle eenzaamheid de grimmige wachter te bezoeken.
Terug op de trein naar Jinzhou. We zitten op een trein die is ingelegd voor arbeiders die niet wonen waar ze werken. Meestal komt het treinpersoneel om het halfuur even voorbij met bezem of dweil, maar nu dus niet. Gewoonlijk wordt enkel in het halletje van de wagon gerookt, maar nu dus niet. Het is een smeerboel van as en peuken, etensresten, fruitschillen, lege flessen, slapende kinderen... En op de trein was ik moe en moest ik ondanks de doordringende geur van zweetvoeten aan jou denken: ik kan de verschillende mooie dingen aan je gezicht wel opsommen, maar de optelsom is toch niet wat ik zie. Je komt niet vaak een gezicht tegen waarvan je niet precies kan zeggen wat er zo bekoorlijk aan is.
Terug in Jinzhou ben ik hondsmoe, maar we gaan feesten: een klasgenote van Zhou Yan vanop de middelbare school gaat daags nadien trouwen, dus we gaan naar het vooraffeest. Deze mensen hebben samen in de klas gezeten, Zhou Yan is haast de enige die na het gezamenlijke jaar werken (in de fabriek van de school, om hun schooltijd af te betalen) verdere studies aanvatte.
(In mijn land houden we veel minder contact met klasgenoten. Ik van mijn kant weet van de meesten niet of ze nog leven dan wel getrouwd zijn, werkloos, priester, rijk of worstelend met drugsverslaving of verleden; van alles een beetje, gok ik.)
De bruid is een leuke madam, ze aanvaardt niet dat ik geen Chinees ken en rammelt aan een stuk door tegen me. Nu en dan begrijp ik haar en antwoord ik en dan is ze dolblij. Ze is, met andere woorden, bloednerveus en doodop.
Wij zijn ook moe, dus nog voor middernacht keren we huiswaarts en gaan we slapen. (Maar ik schreef je eerst nog het eerste deel van deze brief. Ben je er nog? Verveel ik je niet? Het doet er niet toe, ik zal je eerlijk zeggen dat het schrijven voor mij belangrijker is dan gelezen te worden.)
De volgende dag. Eerst nog een bezoekje aan een erg demente opa, die eertijds aan het hoofd stond van de fabriek van Jinzhou’s beruchte gevangenis. Dat zal ook wel de moeite waard zijn geweest. (Op de plaats van die gevangenis staan nu gloednieuwe apartementen of appartementen. In de straten houden tientallen dagloners bordjes vast met het woordje ‘werker’. De ene heeft een boor, de ander een stel schroevendraaiers.)
Het eigenlijke huwelijk. Stipt om 11.28 begint de ceremonie. Acht in jouw taal klinkt immers als het woord voor geluk. Het vindt allemaal plaats in een afgehuurd restaurant (in de stad woont men immers niet groot genoeg), er is meer dan 300 man. Tijdens de erg korte plechtigheid wordt vlot gekletst en gerookt en gedronken, het gaat er allemaal losjes aan toe. Laat me je daarom waarschuwen: als je meekomt naar België en me vergezelt naar een trouw, ga dan in de kerk niet zitten roken en drinken. Spuwen mag wel.
De ceremoniemeester maakt grapjes, de beide vaders zeggen wat en ook de leider van de wijk en de ploegbaas van de bruidegom komen wat vertellen. De ring om de vinger is geen plechtig moment, de kus wel; hij geeft haar een zielig pekje en wordt uitgejouwd. Zij grijpt hem bij zijn nekhaar en duwt hem tegen zich aan.
Zodra de ceremonie voorbij is, komen uit alle hoeken en kieren diensters met hopen eten tevoorschijn. Elke tafel krijgt meer dan vijftien schotels (aan elke tafel zit ongeveer tien man). Dat is voor minstens de helft van de genodigden het teken om op te staan en te vertrekken. Die kwamen maar even hun gezicht laten zien. Er wordt daar met andere woorden een reusachtige hoop voedsel verspild.
En dat is dan ook voor mij min of meer het einde. We lopen nog enkele uren rond in Jinzhou –‘t zijn heerlijk zonnige dagen. Dan kruip ik op de bus, die me over werkelijk glanzend nieuwe snelwegen terug naar Dalian zal brengen. Op de, euh, gebruiksaanwijzing van het busticket zie ik tussen al dat Chinees de letters hiv staan: de busmaatschappij eigent zich het recht toe mensen met aids of hiv geen service te verlenen. (Als je aids hebt, lief kind, maak je geen zorgen: we verhuizen naar Zuid-Afrika, je zal er niet opvallen.)
Nog dit: op de trein naar Jinzhou zag ik temidden oliefabrieken en bruine velden met tere grafheuveltjes een lange lange kaarsrechte baan. Een jongen op een fiets en zijn meisje achterop reden van ergens naar elders. Het was mooi om te zien, ze zullen wel veel van elkaar houden.
Eendagslief, ik zag je graag, tijdens het schrijven van deze brief. Nu is het tijd om afscheid te nemen. Liefs,
Bouke
Lieve Chang Yuan, dagbladvlinder van me,
Ik heb je gisterochtend in een mondelinge test aan de tand gevoeld over de dagen van de week en de maanden van het jaar en wat je aantrekt als het regent –je was groots, fenomenaal, meesterlijk. Omdat sommige van je klasgenoten niet verder kwamen dan ‘General, Tuesday, March, Apple...’ verdien je deze brief.
‘t Is zaterdagavond, ik ben bekaf, maar woorden laten zich niet beteugelen. Hier dan een overzicht van mijn leven sinds jij er deel van kwam uitmaken:
Vrijdag
5.50 u.: wakker
8.10-9.40: les gegeven aan je klas, mondelinge tests (in de gang) en schrijfoefening ‘If I were chairman...’
9.50: Zhou Yan vinden en samen op de bus naar het station
11-13: rondhangen in het station, me afvragen waarom stationshallen altijd zo hoog moeten zijn
13-19.40: op de trein naar Jinzhou. Ik heb opnieuw dat gezellige huiskamergevoel dat ik op het einde van mijn vorige reis was kwijtgespeeld; mensen maken een praatje, zoals het hoort; telefoonnummers, voedsel en kinderen worden vlot doorgegeven.
22: slapen op de kang in het bijkamertje (met heerlijke houten balken als plafond) van Zhou Yans ouderlijk huis; het publiek toilet wordt niet gebruikt wegens té erg, ik krijg een teiltje; even een kijkje nemen op het publiek toilet, ik zal er verder over zwijgen. Qua toiletten ben ik wel wat gewend. Als het in de buitenlucht is, laat het me meestal Siberisch. Erger zijn onverluchte stationstoiletten, waar mannenpies in je neus kruipt en in kleine gele stroompjes onder je schoenen loopt. Is het in damestoiletten even erg?
Maar ach, ik moet niet te intiem worden bij dit eerste schrijven. Je moet me maar vergeven, ik ben een kind in een man in een dromer, en sta dus permanent bloot aan zelfontbranding.
-Intermezzo: Van de boer die sterft
Boer,
Heuvels in China zijn heilig, dus gij begraaft er uw vader en moeder en soms ook uw vrouw en kinderen. In de vlakten van uw land zijn geen heuvels, boer, maar ook gij wilt nader tot God, dus midden op uw velden hier en daar legt ge uw dierbaren af en stopt hen toe onder de aarde. Ge ploegt met uw trekbeest om die kleine heuveltjes –soms trekt gij zelf de ploeg, het valt allemaal te zien vanop de trein die hier nog vaak stoomtrein is. Ge hebt ook weet van de jaknikkers die olie uit de grond trekken. De olie wordt verwerkt in grote grijze fabrieken temidden welke plots een school staat waar uw kinderen leven-
Lieve snelschriftschone, ik ben er nog. Zhou Yan vertelt dat er in Jinzhou een hotel is dat een grote banner heeft opgehangen waarop in niet mis te verstane taal –voor Chinezen althans- te kennen wordt gegeven dat Japanners niet welkom zijn. Heb je, nadat op dinsdag de directeur alle leerkrachten toesprak, net als Zhou Yan ook een lesje gekregen over de huidige spanningen tussen de kip en de worm? (Want dat zijn de vormen van respectievelijk China en Japan, erg vriendelijk is die metafoor niet; ‘Veldolie toch’ zouden de Japanners zeggen.) En vind je net als Zhou Yan dat rellen verzwijgen geen zonde is omdat het kan helpen de Chinese studentenwoede in te dijken?
Goed. Op zaterdag sta ik op om vier uur dertig –maar halfvijf klinkt beter. We sporen drie uur verder naar Shanhaiguan. Iemand heeft in je land een muur op een berg gezet, als je me niet gelooft kan je ‘t zelf gaan bekijken: op het strand is iemand een muur beginnen bouwen en hij wist blijkbaar niet van ophouden.
We nemen eerst de bus naar Laolongtou, zoals je weet betekent dat Oud Drakenhoofd. Dit is het begin van de Muur, op een pracht van een strand. Ooit stond hier een groot militair complex en sinds enkele jaren staat het er opnieuw; vreselijk interessant is het niet, maar het schijnt een hogere inkomprijs te rechtvaardigen.
‘t Is daar links en rechts van de Muur een schone wereld, Chang Yuan. Ik sta op de Muur, volgens het gezegde ben ik nu een echte man, voortaan moet ik ophouden met dromen; ik weiger halstarrig en wat jou betreft kan ik je met de hand op het hart verzekeren: mijn dromen zijn niet van de poes.
Het Oud Drakenhoofd heet zo omdat de Muur, die zich enkele meters in de golfjes vastbijt, op een grote drakenkop lijkt. Wordt gezegd. Ik ben er niet helemaal ondersteboven van, maar ‘t is stralend weer, er zijn –bij wijze van uitzondering- weinig andere toeristen en enkele minuten lang staat niemand anders ter wereld dan ik precies op de plek waar de Chinese Muur begint. Dat is wel een leuk gevoel.
Toch, als je erover nadenkt is die hele Muur een extreem belachelijke bedoening: duizenden kilometers hoge muur, over bergen en door woestijnen, gewoon om een stelletje rovende nomaden buiten te houden. Ten eerste loopt de Muur maar anderhalve meter de zee in: een beetje ondernemend volk vaart daar zonder slag of stoot omheen. Ten tweede: goed, middels vuren op de wachttorens kon nieuws zich razendsnel verspreiden (net als in de tijd van de Grieken met hun havenvuren!), maar daar heb je geen Muur voor nodig. Ten derde: al de tijd en energie en mankracht die erin is gestopt, ‘t is toch zot als je bedenkt hoeveel bouwwerken tot nut van ‘t algemeen men had kunnen aanvatten; en die barbaren, gut, die koop je om met pint en opium en dochters. Maar niet getreurd, als kunstliefhebber word ik verondersteld een lans te breken voor het nutteloze, dus ik moet eerlijk toegeven: ‘t was liefde op het eerste zicht. Toen we Shanhaiguan naderden en ik een streep Muur op de bergkam zag, ik was er meteen weg van. Een muur op een berg. Nergens goed voor. Heerlijk.
Ach, juffrouw Chang, ik heb weer geen enkel respect voor de chronologie van de dag. ‘t Zal aan de vermoeidheid liggen.
Terug naar Laolongtou: ik voel me zeer onwennig bij al die gloednieuwe oude gebouwen; het voelt niet aan als geschiedenis en ruikt sterk naar geldklopperij. Nu goed, bij ons (ik kom uit Europa, maar je zit altijd zo aandachtig op te letten in de les, met je blikkerende ogen en het sjaaltje om je hals, ik hoef niet te herhalen waar ik vandaan kom) is het ook niet alles: wij aanbidden een stuk steen omdat die ooit deel uitmaakte van een gebouw; restaureren vinden we pijnlijk, heropbouwen durven we niet.
In de tempelss zingen vogeltjes die nestelen temidden houten balken –‘t is niet voor het eerst dat ik aan je denk. Spreek je Oudnederlands, pluimenbeest? Wat unbidan we nu? Waarop wachten we om ons eigen nestje te bouwen?
Vanop Laolongtou wandelen we weg van het strand –we volgen de Muur, ook al staat er een bordje ‘Muur niet volgen’. Na tweehonderd meter houdt die gloednieuwe Muur op te bestaan en wandelen we over een hoge aarden wal; zo ziet het grootste deel van Changcheng (zo zeg je Chinese Muur in jouw taal) er hier uit. Iemand heeft hier en daar het gras aan de zijkant verbrand, enkele kippen vluchtten te traag, zwartgeblakerde lijkjes op de wal. Links, in het Middenrijk dus (aan onze rechterkant ligt de barbaarse boze buitenwereld), ligt een arm dorpje, het heet ‘Eerste dorp van de Muur’. Er staat nog een oud huis uit 1904, ik wil een kijkje nemen maar er komt een oude brallende vrouw en een kind op een fiets waarschuwt dat ze zot is en we maar beter weg kunnen gaan.
We nemen de bus terug naar het stadje. Er staat daar andermaal een grote tempel, die bezoeken we niet, maar we wandelen in de wijk rondom. Oude, nog niet gesloopte huizen in straatjes met tegels. Hier en daar nieuwe gebouwen –ze weten deksels goed dat ze door de groeiende Chinese welvaart meer toeristen over de vloer zullen krijgen- en ook nog eens een nieuwe tempel: hij is nog niet geverfd, gelukkig maar, want alle tienduizend tempels hier zijn allemaal in dezelfde kleuren geverfd, het is een schande, het is culturele leegte, het is geldklopperij en religie. Ik zeg het maar meteen, kindekind, als je mijn leven met me wil delen, moet je voor het einde van deze zin alle goddelijke gedachten laten varen.
Afijn, ‘t is een heerlijke wijk en ik ben dol op China, maar hoe het er hier binnen tien jaar zal uitzien weet ik niet. Gezelligheid heeft hier vaak te lijden onder toeristisch succes.
In de taxi eet ik een banaan en dan bereiken we Jiaoshan, de eerste berg die door de Muur wordt beklommen. Wij beklimmen de Muur. ‘t Is nog geen vakantie, er zijn niet veel mensen. Ook een ouder Amerikaans koppel; ze zijn erg... getrouwd, maar dan van het goede soort:
‘How you doin’, old man?’
‘Well, girl, I’m an old man.’
-Ik val omver van de slaap, het spijt me.-
(Maandagochtend)
Jiaoshan dus. Daar sta je dan, aan de voet van een flinke heuvel. Je kijkt op en ziet hoe de Muur zich voor je uit kronkelt, eerst nog fonkelnieuw, maar algauw afgebrokkeld en half verteerd door wind en weer. Treden van een halve meter hoog. Je kijkt achterom, de Muur (aarden wal) kabbelt naar de kust. Je klautert zeven meter omhoog op een ijzeren laddertje, de sterke wind probeert je te pletter te gooien. Waar de schoongemetselde Muur ophoudt en overgaat in de geschiedenis, twijfel je even: het is ongetwijfeld niet verstandig verder te klimmen. Een ijzeren hek probeert je tegen te houden, maar je klautert er omheen.
Een paadje loopt van de Muur naar een andere heuveltop waar je een machtig zicht hebt over een enorm bergmeer. Prachtig, maar: de laatste hand wordt gelegd aan drie (drie!) kabelliften en twee grote gebouwen op de heuveltop (hotels?). Zelf vind ik dat de Muur een eenzame renegaat moet zijn, een grimmige wachter die geen gezelschap wil. De Chinezen denken er anders over, de verpretparkisering zal ook hier zijn intrede maken; maar ik heb geluk, voorlopig valt het nog mee.
Het paadje volgend rollen we andermaal een tempeltje binnen, er staat een beeld voor de ‘Cough God’, de god die je beschermt tegen ziekte. Wie groente en fruit en geen dode dieren eet, heeft God niet nodig.
Afgejakkerde muilezels die deze bergplaatsjes (waaronder de boeddhistische tempels; hadden die het niet voor beesten?) bevoorraden, bloeden waar de touwen hun huid hebben weggesleten; hun muil wordt dichtgehouden met ijzerdraad. We komen ook nog een ‘tiolet’ tegen en ‘keep fireproof of the woods’.
Via een boog terug naar de Muur. Lieve Chang Yuan, Shanhaiguan is een plaats om verliefd te worden. Dat zie ik, want aan gindse kant van de Muur, in Barbarije, ligt een schapenhoeder te slapen. Zijn schaapjes knibbelen blaadjes en om het helemaal mooi te maken loopt er ook nog een zwart schaap tussen. Een vreselijk lange tijd geleden hadden wij thuis schapen, die aten gras en hadden lange oren die je kon kneden en soms gingen de kippen op de rug van zo'n schaap zitten. Aan zulke dingen doe jij me denken en dat zegt alles.
Ja, de Muur, ik vind het een geinig ding; ik zou wel eens naar de woestijn willen om daar echt in alle eenzaamheid de grimmige wachter te bezoeken.
Terug op de trein naar Jinzhou. We zitten op een trein die is ingelegd voor arbeiders die niet wonen waar ze werken. Meestal komt het treinpersoneel om het halfuur even voorbij met bezem of dweil, maar nu dus niet. Gewoonlijk wordt enkel in het halletje van de wagon gerookt, maar nu dus niet. Het is een smeerboel van as en peuken, etensresten, fruitschillen, lege flessen, slapende kinderen... En op de trein was ik moe en moest ik ondanks de doordringende geur van zweetvoeten aan jou denken: ik kan de verschillende mooie dingen aan je gezicht wel opsommen, maar de optelsom is toch niet wat ik zie. Je komt niet vaak een gezicht tegen waarvan je niet precies kan zeggen wat er zo bekoorlijk aan is.
Terug in Jinzhou ben ik hondsmoe, maar we gaan feesten: een klasgenote van Zhou Yan vanop de middelbare school gaat daags nadien trouwen, dus we gaan naar het vooraffeest. Deze mensen hebben samen in de klas gezeten, Zhou Yan is haast de enige die na het gezamenlijke jaar werken (in de fabriek van de school, om hun schooltijd af te betalen) verdere studies aanvatte.
(In mijn land houden we veel minder contact met klasgenoten. Ik van mijn kant weet van de meesten niet of ze nog leven dan wel getrouwd zijn, werkloos, priester, rijk of worstelend met drugsverslaving of verleden; van alles een beetje, gok ik.)
De bruid is een leuke madam, ze aanvaardt niet dat ik geen Chinees ken en rammelt aan een stuk door tegen me. Nu en dan begrijp ik haar en antwoord ik en dan is ze dolblij. Ze is, met andere woorden, bloednerveus en doodop.
Wij zijn ook moe, dus nog voor middernacht keren we huiswaarts en gaan we slapen. (Maar ik schreef je eerst nog het eerste deel van deze brief. Ben je er nog? Verveel ik je niet? Het doet er niet toe, ik zal je eerlijk zeggen dat het schrijven voor mij belangrijker is dan gelezen te worden.)
De volgende dag. Eerst nog een bezoekje aan een erg demente opa, die eertijds aan het hoofd stond van de fabriek van Jinzhou’s beruchte gevangenis. Dat zal ook wel de moeite waard zijn geweest. (Op de plaats van die gevangenis staan nu gloednieuwe apartementen of appartementen. In de straten houden tientallen dagloners bordjes vast met het woordje ‘werker’. De ene heeft een boor, de ander een stel schroevendraaiers.)
Het eigenlijke huwelijk. Stipt om 11.28 begint de ceremonie. Acht in jouw taal klinkt immers als het woord voor geluk. Het vindt allemaal plaats in een afgehuurd restaurant (in de stad woont men immers niet groot genoeg), er is meer dan 300 man. Tijdens de erg korte plechtigheid wordt vlot gekletst en gerookt en gedronken, het gaat er allemaal losjes aan toe. Laat me je daarom waarschuwen: als je meekomt naar België en me vergezelt naar een trouw, ga dan in de kerk niet zitten roken en drinken. Spuwen mag wel.
De ceremoniemeester maakt grapjes, de beide vaders zeggen wat en ook de leider van de wijk en de ploegbaas van de bruidegom komen wat vertellen. De ring om de vinger is geen plechtig moment, de kus wel; hij geeft haar een zielig pekje en wordt uitgejouwd. Zij grijpt hem bij zijn nekhaar en duwt hem tegen zich aan.
Zodra de ceremonie voorbij is, komen uit alle hoeken en kieren diensters met hopen eten tevoorschijn. Elke tafel krijgt meer dan vijftien schotels (aan elke tafel zit ongeveer tien man). Dat is voor minstens de helft van de genodigden het teken om op te staan en te vertrekken. Die kwamen maar even hun gezicht laten zien. Er wordt daar met andere woorden een reusachtige hoop voedsel verspild.
En dat is dan ook voor mij min of meer het einde. We lopen nog enkele uren rond in Jinzhou –‘t zijn heerlijk zonnige dagen. Dan kruip ik op de bus, die me over werkelijk glanzend nieuwe snelwegen terug naar Dalian zal brengen. Op de, euh, gebruiksaanwijzing van het busticket zie ik tussen al dat Chinees de letters hiv staan: de busmaatschappij eigent zich het recht toe mensen met aids of hiv geen service te verlenen. (Als je aids hebt, lief kind, maak je geen zorgen: we verhuizen naar Zuid-Afrika, je zal er niet opvallen.)
Nog dit: op de trein naar Jinzhou zag ik temidden oliefabrieken en bruine velden met tere grafheuveltjes een lange lange kaarsrechte baan. Een jongen op een fiets en zijn meisje achterop reden van ergens naar elders. Het was mooi om te zien, ze zullen wel veel van elkaar houden.
Eendagslief, ik zag je graag, tijdens het schrijven van deze brief. Nu is het tijd om afscheid te nemen. Liefs,
Bouke

<< Home