Heer der vliegen
Heb je wel eens een oorlogsfilm gezien met slechte Japanners? De manier waarop ze bars bevelen brullen, klinkt griezelig meedogenloos. De booswichten hebben steevast een platte kop en geniepige oogjes.
Hier in het straatje rondom de campus hebben we ook zo’n booswicht. Stikkend in zijn woede dreigt een man met onthoofding als je niet onmiddellijk zijn fruit koopt; tenminste, zijn hese toon en lichaamstaal doen me geloven dat dat is wat hij je toeslingert. ‘Caomei, caomei!’ bast hij met zijn rood aangelopen kop. ‘Aardbeien, aardbeien!’ Het contrast tussen wat hij verkoopt en de manier waarop hij het aanprijst, is nogal komisch. En ook schrikwekkend.
Weet je wat ik hier zelden zie? Insecten. Ik zal de fluogele spinnen vanin de heuvels niet snel vergeten, maar afgezien daarvan: nooit eens een spin in de kamer, een vlieg op het fruit of een pissebed onder een steen. Zou de lange koude winter daar iets mee te maken hebben? Of is Dalian toch niet zo’n ‘clean and beautiful city’ zoals het overal wordt voorgesteld?
Was ik de lezer nog verschuldigd: een kleine bedenking die ik me maakte voor ik Louis Paul Boons ‘Pieter Daens’ begon te lezen; ik had er meerdere, maar papieren en ideeën gaan soms verloren. ((Tussen vier haakjes, je moet wel echt een groot schrijver zijn om zowel over priester Daens als over Mieke Maaike op passende toon te kunnen schrijven.))
De groenen noemen zichzelf de logisch volgende stap in het socialistisch denken, maar precies de groenen krijgen (én maken zichzelf) voortdurend het verwijt geen stevige economische visie te hebben. Gek.
Tomaat in het Japans: tomato. Het contact met de leerkracht Japans gaat erop vooruit!
Na de finale van de voordrachtwedstrijd is Yu Yang, het meisje dat me een massage cadeau deed, een van de studenten die nog een liedje willen zingen voor het publiek. Na enkele woorden valt ze stil. Tekst vergeten. Dan gaan haar wenkbrauwen de hoogte in, krult haar mond en zegt ze: ‘It was a joke. To make you... happy.’ Wat een pluimenkind!
‘s Avonds op de English Corner vertelt ze over haar zenuwen: ‘First my heart sat down. But then it went very fast.’
Ze vertelt ook dat er in Hangzhou veel mooie vrouwen schijnen te wonen. ‘You can choose one for your wife.’ En ook dat je, als je zoete dromen wil, je voeten met lauw water moet wassen.
Het heeft eens twee dagen geregend, de gloednieuwe schoolgebouwen zijn hun gloednieuwe glans al kwijt. In een van de klassen staat zelfs een plasje water. Ik roep er de conciërge bij. Alweer Yu Yang (die geen studente van me is, maar wel steeds naar mijn lessen komt) vertaalt voor me: ‘Grandfather says...’ De man is geen 50! In ieder geval, opa vertelt dat het regenweer voorbij is en dat ook het dakprobleem daarmee van de baan is. Deze man heeft allicht niet veel last van stress.
In de les spelen we een taalspelletje: de leerlingen moeten zo snel mogelijk een land, stad, jongensnaam etc. vinden, telkens te beginnen met de letter die ik hen opgeef. Bij de T ontstaat er even Chinese discussie wanneer, bij de categorie land, iemand ‘Taiwan’ uitflapt, tot ik zeg dat ik de enige ben die Chinees mag praten in de les Engels. En bij de categorie ‘iets dat je niet kan aanraken’ (zoals hoop, gisteren, afstand...) zegt iemand ‘tijger’.
Op een kruispunt zijn twee vrachtwagens tegen elkaar geknald. De ene ligt op zijn zij, de ander staat gelukkig nog overeind, maar de inhoud –gasflessen- ligt wel op de baan. Even later zie ik een taxi aan veel te hoge snelheid door het rood licht scheuren en een –dat moet ik wel toegeven- briljant uitwijkingsmaneuver maken om een opa op fiets in leven te houden. Mijn bloed kookt, ik kan er niets aan doen; verkeerstoestanden zijn mijn ding niet. In Gent heb ik eens de achtervolging ingezet op een snelheidsduivel, maar de Golf ging sneller dan mijn fiets. (Er valt niets te lachen, klootzak. Je moet eens een kwartier in de Sleepstraat gaan wonen.)
Zhou Yan, die me vergezelt naar de bank, merkt op dat ik acht keer zoveel verdien als haar vader, die in de fabriek werkt. ‘Terwijl jij niet meer doet dan enkele uren per week een beetje babbelen.’
Ik zeg lachend: ik heb voor al dat gebabbel wel hard moeten studeren. Het pakt niet. Ze kent me te goed en weet ten eerste dat ik op de unief niet onmiddellijk keihard gewerkt heb. Ten tweede weet ze dat ik Engels heb geleerd door tv te kijken en boeken te lezen.
Dat is het probleem met mensen die je goed kennen: ze kennen je te goed.
De Canadezen zijn aardige mensen, maar ze zijn nogal... getrouwd. Hij maakt een grapje, zij legt haar hand op zijn knie. Hij maakt nog een grapje, zij legt haar hand op zijn knie en sust hem. Waarna ze even fluisterend discussiëren.
Ik ben op een leeftijd gekomen waarop vrienden van me aan het trouwen gaan, en wens hen het allerbeste, maar voor mezelf toch dit: Heer, laat me ongetrouwd blijven of vroeg sterven of allebei, maar maak van mij geen Canadees.
Hier in het straatje rondom de campus hebben we ook zo’n booswicht. Stikkend in zijn woede dreigt een man met onthoofding als je niet onmiddellijk zijn fruit koopt; tenminste, zijn hese toon en lichaamstaal doen me geloven dat dat is wat hij je toeslingert. ‘Caomei, caomei!’ bast hij met zijn rood aangelopen kop. ‘Aardbeien, aardbeien!’ Het contrast tussen wat hij verkoopt en de manier waarop hij het aanprijst, is nogal komisch. En ook schrikwekkend.
Weet je wat ik hier zelden zie? Insecten. Ik zal de fluogele spinnen vanin de heuvels niet snel vergeten, maar afgezien daarvan: nooit eens een spin in de kamer, een vlieg op het fruit of een pissebed onder een steen. Zou de lange koude winter daar iets mee te maken hebben? Of is Dalian toch niet zo’n ‘clean and beautiful city’ zoals het overal wordt voorgesteld?
Was ik de lezer nog verschuldigd: een kleine bedenking die ik me maakte voor ik Louis Paul Boons ‘Pieter Daens’ begon te lezen; ik had er meerdere, maar papieren en ideeën gaan soms verloren. ((Tussen vier haakjes, je moet wel echt een groot schrijver zijn om zowel over priester Daens als over Mieke Maaike op passende toon te kunnen schrijven.))
De groenen noemen zichzelf de logisch volgende stap in het socialistisch denken, maar precies de groenen krijgen (én maken zichzelf) voortdurend het verwijt geen stevige economische visie te hebben. Gek.
Tomaat in het Japans: tomato. Het contact met de leerkracht Japans gaat erop vooruit!
Na de finale van de voordrachtwedstrijd is Yu Yang, het meisje dat me een massage cadeau deed, een van de studenten die nog een liedje willen zingen voor het publiek. Na enkele woorden valt ze stil. Tekst vergeten. Dan gaan haar wenkbrauwen de hoogte in, krult haar mond en zegt ze: ‘It was a joke. To make you... happy.’ Wat een pluimenkind!
‘s Avonds op de English Corner vertelt ze over haar zenuwen: ‘First my heart sat down. But then it went very fast.’
Ze vertelt ook dat er in Hangzhou veel mooie vrouwen schijnen te wonen. ‘You can choose one for your wife.’ En ook dat je, als je zoete dromen wil, je voeten met lauw water moet wassen.
Het heeft eens twee dagen geregend, de gloednieuwe schoolgebouwen zijn hun gloednieuwe glans al kwijt. In een van de klassen staat zelfs een plasje water. Ik roep er de conciërge bij. Alweer Yu Yang (die geen studente van me is, maar wel steeds naar mijn lessen komt) vertaalt voor me: ‘Grandfather says...’ De man is geen 50! In ieder geval, opa vertelt dat het regenweer voorbij is en dat ook het dakprobleem daarmee van de baan is. Deze man heeft allicht niet veel last van stress.
In de les spelen we een taalspelletje: de leerlingen moeten zo snel mogelijk een land, stad, jongensnaam etc. vinden, telkens te beginnen met de letter die ik hen opgeef. Bij de T ontstaat er even Chinese discussie wanneer, bij de categorie land, iemand ‘Taiwan’ uitflapt, tot ik zeg dat ik de enige ben die Chinees mag praten in de les Engels. En bij de categorie ‘iets dat je niet kan aanraken’ (zoals hoop, gisteren, afstand...) zegt iemand ‘tijger’.
Op een kruispunt zijn twee vrachtwagens tegen elkaar geknald. De ene ligt op zijn zij, de ander staat gelukkig nog overeind, maar de inhoud –gasflessen- ligt wel op de baan. Even later zie ik een taxi aan veel te hoge snelheid door het rood licht scheuren en een –dat moet ik wel toegeven- briljant uitwijkingsmaneuver maken om een opa op fiets in leven te houden. Mijn bloed kookt, ik kan er niets aan doen; verkeerstoestanden zijn mijn ding niet. In Gent heb ik eens de achtervolging ingezet op een snelheidsduivel, maar de Golf ging sneller dan mijn fiets. (Er valt niets te lachen, klootzak. Je moet eens een kwartier in de Sleepstraat gaan wonen.)
Zhou Yan, die me vergezelt naar de bank, merkt op dat ik acht keer zoveel verdien als haar vader, die in de fabriek werkt. ‘Terwijl jij niet meer doet dan enkele uren per week een beetje babbelen.’
Ik zeg lachend: ik heb voor al dat gebabbel wel hard moeten studeren. Het pakt niet. Ze kent me te goed en weet ten eerste dat ik op de unief niet onmiddellijk keihard gewerkt heb. Ten tweede weet ze dat ik Engels heb geleerd door tv te kijken en boeken te lezen.
Dat is het probleem met mensen die je goed kennen: ze kennen je te goed.
De Canadezen zijn aardige mensen, maar ze zijn nogal... getrouwd. Hij maakt een grapje, zij legt haar hand op zijn knie. Hij maakt nog een grapje, zij legt haar hand op zijn knie en sust hem. Waarna ze even fluisterend discussiëren.
Ik ben op een leeftijd gekomen waarop vrienden van me aan het trouwen gaan, en wens hen het allerbeste, maar voor mezelf toch dit: Heer, laat me ongetrouwd blijven of vroeg sterven of allebei, maar maak van mij geen Canadees.

<< Home