Wednesday, May 04, 2005

het geloof in de idylle

Woensdagochtend 06.50 u. Het is muisstil in het gebouw van mijn leraarskamer. Zonet wandelde ik door het straatje langs de campus. Enkele winkeltjes en restaurants worden in deze vakantieperiode herbouwd of uitgebreid. Ik slenterde goedmoedig voorbij de hopen balken en glas en zand en hondjes op zoek naar iets lekkers. Mijn humeur toeft op zeldzame hoogte, hier een poging om uit te leggen hoe dat komt:

Donderdagavond 28 april
Uiteten met enkele studentes. ‘t Zijn goede vriendinnen, Ying Ying verwoordt het aldus: ‘In my heart he is a boy.’ Met ‘he’ bedoelt ze ‘she’, haar vriendin. Ook: ‘I am a Frenchman.’ Werd bedoeld: freshman (eerstejaarsstudent). Of: ‘Pulandian has a lot of apples and old men.’
Pulandian, dat is waar ik de volgende ochtend heenga, dus ik kruip vroeg in bed. Het is een vermoeiende dag geweest: veel les gegeven en ambras met Xiong Hao, die mijn loon vergat te regelen. Het is ook een vermoeiende week geweest: ik heb les gegeven aan het strand. Er stond een sterke wind, het water sloeg tegen het beton: de ideale gelegenheid om mijn studenten luid te laten praten, want dat is natuurlijk goed voor de uitspraak.
Ook nog opgevangen deze week:
-'Wie hartproblemen heeft, mag niet naar optredens van Michael Jackson, die zijn namelijk veel te opwindend.' (Yu Yang)
-'I'm sorry if I hurt you, please punish me.' (uit een verontschuldigende brief van een student van wie ik een handboek Management afpakte tijdens de les)

Nu goed, vroeg in bed dus. Maar om halfelf word ik wakker gebeld: Xun, het liefje van mijn Britse collega Stephen, in angst en verwarring: ‘Is hij al terug thuis?’ En om kwart na twaalf staat Stephen aan mijn deur. ‘Mag ik even je telefoon gebruiken om Xun te bellen?’

Vrijdag 29 april
Halfzes: uit de veren! Van 6 tot 11 zitten we op de bus naar Wafangdian (onderweg rijden we voorbij de ‘Internatlonal English School’), waar we enkele uren wachten op een verbinding naar Pulandian. We, dat is veel meer dan ik alleen: Wang Lan Ying, pantoffeldiertje uit Secretary 02, neemt me mee naar huis. Wafangdian is een provincienest waar zoals gewoonlijk nogal wat wordt gebouwd terwijl een mooi oud gebouw staat te verkommeren. Al even gewoontegetrouw worden rondom het busstation fijne vleeswaren uitgestald.
(‘t Zal de vermoeidheid zijn dat ik zeg: ‘Bij het leren van de Chinese taal zijn vooral de woorden moeilijk.’)
De rit naar (het platteland van) Pulandian gaat van asfaltweg over steenweg tot hip pad langs de rivier, door de rivier (met veel gehotsebots, iemand krijgt een taart vanop het bagagerek op haar hoofd), verder over een ander pad.
Halfdrie, ergens in het niets springen we van de bus. Papa komt ons afhalen op zijn trapeze, tripode, trike; enfin, een soort driewielerbakfiets. Met een rotsnelheid scheuren we over een zandweg tot we na enkele minuten bij enkele huisjes komen en halt houden bij de huiskoe die gezapig maïsstengels staat te eten.

Andermaal ben ik in een overvol botervat terechtgekomen; ik weet niet hoe ik al het moois dat ik in deze dagen heb meegemaakt kan doorgeven. Het is een onvoorstelbaar intense ervaring geweest, weer eens. Woorden kunnen alleen maar falen.

Mama en ik zijn meteen dol op elkaar; een stevige boerin in kostuumvest met veel humor, blozende kaken, ogen die haar man schuinskritisch bekijken en een keurend lachje om de mond. In de woonkamer (grote kang, betonnen vloer, tv, vissen in een bak) hangen (vrij on-Chinees)twee land- en wereldkaarten, ik moet meteen aanwijzen waar België ligt. Het is een nieuwsgierige vrouw, ze zal me nu en dan ook vragen hoe je dit of dat in het Engels zegt. Haar dochter, die veel mmm’s en aaah’s in haar Engels gooit, zal ze een beetje jennen: ‘Vlot het niet, kindje?’ Papa, een meer zwijgzame man die gelukkig niet teveel aandringt met sigaretten en bier en wijn (ze noemen het wijn, maar het is sterkedrank), vraagt of de boeren in mijn land ook een kang in huis hebben.
Dit huis heeft er drie, want behalve de keuken zijn er nog drie kamers. De warmte van het vuur in de keuken (onder een enorme pan) wordt naar die kangs geleid. Tussen een binnen- en buitendeur die niet gebruikt worden, ligt wat eten, dat is de koelkast.
(Voor ik kan gaan zitten, moet ik hallo zeggen aan de buren, dat zijn papa’s ouders; beide zijn in de tachtig. In hun huis staat een prachtige, grote houten kast, die is meer dan honderd jaar oud.)
We praten over dollars en euro’s en renminbi, over het feit dat ik geen beesten eet; mama –ik spreek hen aan met aiyi en shushu, dat is tante en nonkel- biedt me een vis aan uit het aquarium om vrij te laten in het meer. Er wordt gevraagd of ik thuis op de boerderij heb gewerkt, of Canada dicht bij België ligt en of er vis zit in onze rivieren.

Na gegeten te hebben (driemaal per dag wordt rijst of rijstsoep gegeten plus de schotels eten die er toevallig zijn; als WLY bijvoorbeeld ‘s middags frietjes bakt, zal er ook voor ontbijt friet worden gegegeten), gaan Er Pang en ik op stap. Er Pang, zo noemt haar familie WLY, het betekent Dik Kind. Snoezebol.
Vanuit een van de ongeveer twintig huizen die hier staan, komt iemand ons tegemoet hollen. ‘De dochter van mijn nonkel,’ zegt het dik kind, ‘she doesn’t think.’ Haar nicht is zwakzinnig of achterlijk of allebei, ik weet niet precies hoe je dat zegt. In ieder geval, ze heeft ze niet alle vijf, dus voor de rest van het verhaal zal ik haar Viertje noemen. Viertje heeft twee verschillende ogen en kwijlt een beetje en haar neus loopt in alle richtingen en haar vingers zien zwart en haar tanden zien groen en aan haar mond hangen etensresten. Het is niet dat ze verwaarloosd wordt, maar je kan nu eenmaal niet voortdurend met een zakdoek achter haar aanhollen. Ze wordt niet genegeerd, ze mag overal binnen en eenvoudige klusjes helpen opknappen, krijgt van iedereen wat te eten... Dit is de beste plaats ter wereld om zwakzinnig te zijn.
Terwijl Wang Lan Ying en ik met elkaar babbelen, loopt Viertje tussen ons in, herhaalt honderden keren op zeurderige, soms huilerige en soms lacherige toon dezelfde zinnetjes. Nu en dan geeft WLY haar gelijk.
Vanop een der heuveltoppen vlakbij de huizen zie ik de overweldigende schoonheid van dit platteland: een groot meer sluimert tussen de heuvels die soms scherp bergachtig zijn en soms lieflijk glooiend. De maïsveldjes lopen tot in het water. Hier en daar ploegt een man met een koe zich door de grond vol stenen en laat een vrouw korreltjes maïs in de bruine aarde vallen. Op de heuvelflanken liggen nog meer veldjes of staan, in de terrassen, perenboompjes te bloeien in fris groen en wit. Achter de bergen zie je de donkere vormen van nog meer bergen. Het land gaat op en neer. Hier en daar enkele huisjes. Geen auto’s, geen wegen, amper zwerfvuil. Op het water drijven witte eendjes. Helemaal wit zijn ze niet: ze hebben enkele rode of paarse verfspatten op hun veren, daarmee worden de eigenaars aangeduid.

Terug thuis –moeder, je houdt hier beter op met lezen, het vervolg van het verhaal zal het vervangende schaamrood naar je wangen sturen- biedt mama aan mijn jas te wassen. Ja, zo vuil is die dus (alweer). De zak rechtsonder is genaaid door een moeder in Shenyang, de oksel rechts door een moeder in Jinzhou en in Xixiang werd hij gewassen door een studente. Oprechte pogingen tot halsstarrig weigeren zijn ook hier futiel: mama en ik wandelen naar het water (op honderd meter van het huis). We gaan op enkele stenen zitten en we –‘t is te zeggen, ik probeer mijn deel van het werk te doen, maar ik mag niet- schrobben en schuren. Wanneer de zak zeep leeg is, wordt die achteloos in het water gegooid; ik zie de bierkaai. Toch is de oever geen groot openbaar stort, hier en daar vind je wel enkele kleren en wat schoenen, maar in tegenstelling tot de rest van China hangt het hier niet vol plastic. Dat wordt namelijk verbrand; huisvuilophaling bestaat hier niet, het weinige plastic dat wordt gebruikt, belandt in het vuur in de keuken.

Op tv ruimt de reclame voor grote borsten plaats voor het nieuws over het bezoek van de Kuomintang-leider aan het vasteland.
Ik breng de nacht door op de tweede kang naast vader; moeder en grootmoeder delen de woonkamerkang en het dik kind slaapt, zoals altijd, op de kang naast haar grootouders in het belendende huis. Dat vindt ze leuker dan alleen te slapen. Ik heb nog nooit iemand zo horen snurken als haar vader; gelukkig staat hij rond twee uur al op om te gaan vissen.

Zaterdag 30 april
Rond halfzes staat zijn vrouw op en dus ook ik. Ook de zon is al wakker; ik sta voor het huis water in mijn gezicht te gooien en bedenk dat ik in (Jommekes) Zonnedorp ben terechtgekomen, wanneer de Zon zelf me op de schouders tikt: Wang Lan Ying is al anderhalf uur op.
We stappen in een nieuwe richting, gevolgd door Viertje (haar zak chips belandt ergens op de grond). Even verderop is een minuscuul marktje aan de gang, ik koop een ouderwetse Mao-pet (pet in het Chinees: maozi), die enkel nog wordt gedragen door ouwemannen. Daarna wandel ik alleen verder naar een andere heuvel en nestel me ergens met Mark Twains verhaal over Huckleberry Finn. Het is warm, er staat een windje, het is Zuid-Frankrijk maar dan echt, vlinders in allerlei kleuren komen voorbij mijn magistraal uitzicht fladderen. Ook micro mag deze plek er wezen: kleine cactusjes of blauwe bloempjes die je pas ziet als je haast met je neus tegen de grond zit, zacht mos waarop het comfortabel zitten is... Ik ben in een sprookjesachtige idylle terechtgekomen.

Rond de middag ga ik met mama op het dak van de schuur staan; als hier iemand wordt gezocht, klimt men op het dak en wordt een naam in het rond gebruld. Wang Lan Ying is laat, ze heeft net als ik in de heuvels gewandeld en komt terug met een bosje bloemen dat ze wil drogen.
Na het eten barst de idylle helemaal uit de knoppen: siesta! Zelfs de huiskoe doet mee en hoe heerlijk Mark Twain ook schrijft, ik val in slaap op de kang naast oma.

Een beetje later maak ik een kort wandelingetje om de slaap uit mijn lijf te schudden. Wanneer ik terug binnenloop, heeft WLY een redelijk vertederend en lichtjes fantastisch briefje achtergelaten: ‘We go to earth. You stay house and wait me. OK! If you want to eat you can find!’
Maar dan komt ze binnenlopen, want ze is –typisch- de zak maïs vergeten; ik volg haar naar het veld (‘earth’).
Wang Lan Ying is een vergeetkous, een dromer en een wolkhoofd. Ze spreekt alsof ze net een dosis drugs nam die je een gelukzalig gevoel bezorgt. Met ‘you expect’ bedoelt ze ‘except you’ en wanneer ze wat zegt en je vraagt wat ze bedoelt, antwoordt ze: ‘I don’t know.’ Dat jaagt me soms wel eens op de kast, maar het is toch vooral heerlijk.

Naar het veld dus. Het is tijd voor heropvoeding: ik help ploegen. Met het koebeest worden eerst de grote voren getrokken. Omdat je maïs niet te diep mag zaaien, worden die voren daarna nog eens opengesneden met een kleinere ploeg. Dat gebeurt dus met de hand. Terwijl mama de maïskorrels dropt en WLY de kunstmestkorrels strooit, trek ik de ploeg (papa is elders aan het werk). ‘t Is geen kinderspel, verdorie, om in de brandende zon een vrij zwaar ijzeren ding door de grond te trekken. Je moet bovendien recht trekken en opletten dat je de voren niet te diep maakt. Al te grote stenen gooi je aan de kant.
Nadat de maïs is gezaaid worden de voren dichtgelopen. We sloffen bij wijze van pauze achter elkaar aan: iemand gooit de vore dicht, anderen stampen de aarde aan. Ook op de omringende veldjes zijn mensen aan het werk, ze maken een praatje, roken een sigaret, bekijken elkaars werk. De vreemdeling met zijn Mao-pet krijgt goede punten.
Een veld is hier veel kleiner dan bij ons; lapjes grond zijn verdeeld onder de buren.
Een leraar met een brilletje ploegt door de Chinese grond, het doet denken aan de tijd waarin Chinese intellectuelen naar het land werden gestuurd (zoals mijn oudere collega in de school) om daar door noeste arbeid te worden heropgevoed. Op zich is het geen dwaas idee dat stedelingen en boekenmensen eens worden geconfronteerd met de oorsprong van hun eten, maar het is jammer dat die ervaring hier zonodig als een vernietigende strafexpeditie moest worden ingericht.
(De lijfarts van Mao, Li Zhisui, heeft een boek geschreven waarin hij vertelt hoe Mao op een dag op het geniale idee kwam de voren veel dieper te laten trekken; als daarop dan werd gezaaid, zou op dezelfde oppervlakte een veel groter rendement worden bekomen. Het resultaat van dat idee was een mislukte oogst, kommer en kwel. Het is al lang geleden dat ik dat boek las, maar het was ofwel dit plan ofwel het idee om massaal spreeuwen dood te slaan dat Mao aan de rand van zijn zwembad bedacht, zomaar plots een ingeving die zoveel mensen zoveel onverdiende ellende bezorgde. Maar hij blijft 'our great leader'.)

‘s Avonds willen haar ouders praten over de mogelijkheid dat WLY Chinees zou onderwijzen in mijn land. Hun andere dochter werkt in Japan en verdient daar goed geld. Ik weet niet of WLY geschikt is om in België te werken; kan een suikerklontje overleven in een vat zuur?
Op tv speelt een Bollywood-film, WLY legt uit waarover het gaat: ‘Somebody wanted to burn a mother...’ Het gaat dus over de geboorte van een baby (‘born’).

Zondag 1 mei
Als twee Chinese vrouwen babbelen, denk je dat ze elkaar elk moment te lijf zullen gaan. Maar dan schieten ze in de lach en heb je duidelijk weer niet begrepen waarover ze het hadden. Papa heeft een hoop vissen gevangen, die liggen te stikken in een teil. De mooiste wordt in het aquarium gegooid en zal daar eerst verwoed rondjes zwemmen, op zoek naar een uitweg. Daarna zal het beest stil in het water hangen tot hij na een tweetal dagen sterft van honger of gevangenschap. Dan wordt hij opgegeten.
Terwijl mama de visnetten leegschudt en kleinere vissen -dat wil zeggen: slechts een handlengte groot- in het stof belanden en daar stikken of door een enkele kip worden opengereten, schuifelen ook twee reusachtige padden uit het kluwen; ze zitten een poosje dwaas om zich heen te kijken. ‘Wij zijn tragische padden,’ denken ze; dan kruipen ze weg. Een buurvrouw komt enkele vissen kopen; de kieuwen gaan open, dat is makkelijk grijpen, de beesten gaan op de weegschaal, er wordt wat onderhandeld.

Wacharme, een fluoblauw watervogeltje scheurt over het water. Er staat een felle wind; vanop de heuvel zie je hoe die zich op het wateroppervlak stort. Het lijkt wel alsof een school enorme vissen zich tegelijk in beweging zet; afhankelijk van waar je staat ten opzichte van de zonneschijn, zijn het zilverkleurige of donkerzwarte vissen.

Wang Lan Ying loopt voren toe op haar blote voeten.In het oude China werd gezegd dat als een man de voeten van een meisje zag, hij met haar moest trouwen.
Heel wat appelboompjes zijn weggekapt. De prijs van appelen is fel gedaald, dus moeten de boeren iets anders zaaien.

Vanuit de keuken kijken we naar de zwaluwen. ‘t Zijn mooie beesten en ze kunnen zingen, of zoals het dik kind zegt: ‘He is good bird.’
Tijdens de middagrust schrijf ik een beetje terwijl WLY frietjes in mijn mond stopt (zoals die Indiase wiskundige die alleen maar overleefde zolang zijn vrouw hem voerde) en haar eigen liedjes zingt en een beetje door haar boek economie bladert.
Dan gaat het weer naar het land. Rond zeven uur houden we op met werken en wassen we handen en voeten in het water. ‘s Avonds is het donker, echt donker bedoel ik, en dus zijn er negenduizend sterren te zien. We slenteren naar de waterkant en horen kikkers brullen.

Maandag 2 mei
Als een echte stakhanovist hervat ik het werk. Ik kan niet zeggen dat ik van het plattelandsleven heb geproefd; ik heb er even een glimp van opgevangen. Al wat ik kan zeggen is dat het me deugd deed om enkele dagen zweetwerk te verrichten.
In de namiddag blijven WLY en ik thuis. Terwijl ze een hoop eten voor de komende dagen voorbereidt (bijvoorbeeld: ei en iets spinazieachtigs in reepjes opengesneden aubergine, dit alles in deeg gewikkeld en gefrituurd), praten we de uren weg. Wanneer ik een reepje komkommer of een blokje appel steel, noemt ze een kleine kat, die stelen ook eten.
Ze legt uit waarom ze in het college geen echte vrienden heeft. Het komt er ongeveer op neer dat ze te dromerig is en teveel als een kind wordt gezien. Het is waar, Wang Lan Ying is ontzettend lief en knuffelbaar. Iedereen houdt van haar, maar vergeet dat ze ook nog een vrouw is die niet alleen droomt maar ook denkt en weet. Zoiets. Ze houdt niet van de stad –tja, als je op zo’n plek opgroeit- en van de manier waarop stedelingen leven en denken. Daarom voelt ze zich vaak eenzaam in het teveel aan mensen en huilt ze nu en dan (‘It doesn’t matter,’ schudt ze de woorden uit haar hoofd) en heeft ze geen vrienden. ‘You expect,’ voegt ze eraan toe.

In Louis-Ferdinand Célines meesterwerk ‘Reis naar het einde van de nacht’, haalt de hoofdfiguur op een gegeven moment herinneringen op aan een vrouw die hij in zijn jeugd ontmoette. ‘We zijn oud geworden en hebben ons leven ver van elkaar doorgebracht. En heeft ze haar schoonheid verloren, ach, wat doet het ertoe,’ zegt hij (of zoiets, ik ken de passage niet uit mijn hoofd), ‘maar de liefde die ik over heb wil ik met haar delen.’ Zoiets.

‘s Avonds langs het water vertelt ze dat ze graag veel wil reizen. Met geld en werk komt het wel goed, zegt ze. Het enige probleem is dat mijn moeder misschien niet wil dat ik veel reis.
‘It doesn’t matter,’ zegt ze wanneer ze me per ongeluk een klap geeft.

Dinsdag 3 mei
Van halfzeven tot negen lopen we weer verloren in de heuvels. Op het pad sluit ze mijn ogen en leidt me naar de heuveltop, waar ik opnieuw mag kijken. Van de bloemen die ze plukt maakt ze een guirlande –als dat het juiste woord is- die ze op mijn hoofd plant. De enkele boeren die we voorbijlopen vinden het wel grappig. We spelen blad-steen-schaar, maar ook als ik win, mept zij me. Ik oefen haar v, we zitten bij het water en kijken eendjes, het leven is gemaakt van honing. Ik zou wel de hele week hier willen blijven, maar het werk roept: enkele weken geleden heb ik een verhaal helemaal definitief tot in de puntjes afgewerkt, wat betekent dat er nog een hoop aan te verbeteren valt. Daarom moet ik terug naar Dalian en ook omdat er nog een ander verhaal ligt te wachten. Op weg naar het pad waar de bus voorbij zal komen, voel ik me nogal stom: hier is het leven, godverdomme. Wat ga je terug naar de school, waar enkel een hoop papier op je ligt te wachten? Maar het moet, ik voel tot in de toppen van mijn tenen dat het moet.

De busrit is weer typisch Chinees: Backstreet Boys zingen zeemzoet (maar het past wel bij mijn gemoed) en de bus raakt snel overvol (gelukkig is er nog een zitplaatsje om 11.20, het moment dat ik opstap). Het is illegaal om met zo’n overvolle bus rond te rijden, zodat we enorme omwegen maken om een ontmoeting met de politie te vermijden; maar ik heb mijn Huckleberry Finn (‘t is weer toepasselijke reisliteratuur! Tussen twee haakjes, de spreektaal in dit boek stemt me tot nadenken; als er iets is dat het Nederlands van het Engels kan leren, dan is het wel om wat meer durf te tonen; haal uitdrukkingen door elkaar! Verzin woorden bij de betekenis! Durf het eens op zijn hondjes te zeggen!). Rond halfzes komen we aan in Dalian, de chauffeur heeft maar één boete gekregen. Rug en benen zijn geradbraakt. Het is vakantie, de stad zwermt vol mensen, dus ik moet nog een halfuur aanschuiven voor ik de bus (nog eens een uur) naar de school kan nemen. Maar ‘t was het allemaal meer dan waard.

Terug thuis blijkt het een goed idee te zijn geweest mijn sleutels uit te lenen aan Han Ting Ting; de meeste studenten zijn nu thuis, maar HTT woont te ver. Opdat ze naar films zou kunnen kijken, had ik haar mijn sleutels gegeven.
Mijn kamers zijn zowat heringericht. Alles heeft een poetsbeurt gekregen. ‘Dat doe ik graag,’ legt ze uit. Koken doet ze ook graag, er liggen enkele fantastisch ogende schotels in mijn koelkast. Ze verontschuldigt zich daarvoor; ‘Ik dacht dat je pas morgen of overmorgen terugkwam.’ Om het goed te maken, doet ze me het eten cadeau.
Het zout zit nu in een potje. ‘Dat leek me wel zo handig.’ Ze heeft een kras gemaakt op de fruitpers, om het goed te maken heeft ze een nieuwe gekocht.
Na dertig seconden ligt het weer overhoop: etensresten, bezwete kleren, natte handdoeken.

Na mijn douche ga ik in de zetel zitten en vraag me af of het wel zo vreselijk is dat de Chinezen onschuldig worden gehouden. Vergelijk ik de Chinezen met de Europeanen, ik benijd hen om het geloof in de idylle, de mogelijkheid tot onschuld.

Wang Lan Ying belt nog even om te controleren of ik veilig thuis ben geraakt. ‘Je bent een koalabeer,’ zeg ik. ‘Je bent een groot varken en een kleine kat,’ zegt ze. ‘You foolish.’