boeken voor het hoofd
Het vliegen
Ik heb nog enkele idiote notities over het heen en weer vliegen. Ik zou eens moeten leren schrappen, maar ik hou ook wel van taakverdeling: ik schrijf en jij moet dan maar kiezen of je de hele alinea uitleest of niet.
1. Bij het kopen van een ticket vraagt WLY hoeveel dat nu eigenlijk kost, Dalian-Beijing-Florida-Brussel. Toch maar liever via Frankfurt, als het voor jou hetzelfde is (uiteindelijk zal ik tweemaal via München vliegen).
2. In Duitsland bevind ik me plots tussen allerlei westerlingen die allemaal van elkaar verschillen. En ook, ze zijn allemaal groot.
3. In België is iedereen altijd gehaast en krijgt men een slecht humeur voor het rood licht. Meer indrukken heb ik niet opgedaan, daarvoor was ik te druk bezig (ha!), behalve dan dat op de trein Antwerpen-Gent niemand tegen mij sprak en ikzelf ook mijn mond niet open deed (daar gaat mijn in China gemaakte voornemen).
4. Het schermpje op het vliegtuig dat me terugbrengt naar Beijing zegt dat we boven Czestochowa vliegen. Ik moet even in het dood archief van mijn geheugen duiken, maar dan weet ik het weer: in Krakau ben ik eens aan de praat geraakt met een mooie studente uit die stad; ik noemde haar Black Madonna, want daarvoor is Czestochowa bekend, en het meisje had ook zwart haar, we hebben elkaar één keer geschreven.
5. Op een deur in de luchthaven van China’s hoofdstad (langs een streep gebergte ligt plots een enorm spijkerbed van wolkenkrabbers): ‘no entry on peacetime’.
6. Omdat we in München een uur stilstonden, missen een dertiger-zakenman, een studente en ik onze aansluitingsvlucht naar Dalian. Ik klets enkele uren in Beijing met die studente (ze heet Zhang Jing maar ook Cherry). Haar Duits is erg goed, het mijne is voldoende maar ongetwijfeld nog steeds lachwekkend. Cherry is beleefd.
7. Cherry en ik helpen de zakenman om zijn te grote hoeveelheid Duitse drank naar Dalian te krijgen; er zit toch amper iets in mijn rugzak.
Het gevlogen zijn
Na ‘s ochtends enkele uren les gegeven te hebben, val ik vrijdagnamiddag als een blok in slaap. (Of zoals Truman Capote in ‘In cold blood’ schrijft: ‘alsof iemand hem vanachter had neergeslagen’)
Het gevolg van dat toegeven aan mijn jet-lag is dat ik pas rond twee in mijn bed kruip. Zaterdagochtend spring ik uit bed (dat is een principe; ik wil uit bed springen) en denk: het zal rond negen uur zijn. Even naar buiten kijken geeft me gelijk: het is donker en druilerig, dat kan niet anders dan zaterdagochtend negen uur zijn. Mijn klokje zegt dat het twee uur ‘s middags is.
Ojee, ik wil niet zo iemand zijn die pas na het noenuur opstaat; dat zijn vergeefse mensen.
Het ziet er buiten apocalyptisch uit, het uur klopt niet meer; niet dat ik een slecht humeur heb, maar er hangt nog een vage mistroostige vermoeidheid in mijn hoofd: ik bevind me in een niemandstijd.
Ik wandel door de regen, bedenk woordjes.
Rond elf uur probeer ik moe te zijn, maar het lukt niet. Ik heb mijn tijd (maar ja, welke dat is weet ik nu ook niet meer) goed gevuld: deze zaterdag waarop ik pas om twee uur ‘s middags opstond, heb ik een krant gelezen. Ik heb een –voor het nieuwe verhaal- productieve wandeling gemaakt en daarbij mijn schoenen proper gehouden. Ik heb de laatste bladzijden en de bespreking van Mark Twains ‘Adventures of Huckleberry Finn’ gelezen. Ik heb de eerste en laatste bladzijde van Tom Naegels’ ‘Los’ gelezen. Ik heb de eerste en laatste bladzijde van Lulu Wangs ‘Brief aan mijn lezers’ gelezen. En rond twee uur ‘s nachts heb ik ook de eerste hoofdstukken van Tolstoys ‘Anna Karenina’ gelezen. En ik ben ook met Knack op restaurant geweest. Mijn hoofd lijkt me bezig te willen houden. Hoofd, goed hoofd.
Voor wie het weten wil: het boekje van Lulu Wang is volstrekt waardeloos, echt proactief slecht (dt-fout inbegrepen).
Wat betreft ‘Los’ ben ik er nog niet uit: ik heb het in een keer uitgelezen, dat doe ik haast nooit. Het leest erg vlot, niet omdat het vederlicht is (of, zoals bij Lulu Wang, om maar meteen door de zure appel heen te bijten), maar omdat het goed geschreven is; ik stoor me gewoonlijk aan zinnen waarover ik struikel, maar dat had ik hier niet. Anderzijds vind ik het een beetje makkelijk scoren als de schrijver zijn eigen naam gebruikt: dan bewonder je hem om zijn openhartigheid, maar ja, weet jij veel natuurlijk. Herkenbaar: jonge blanke die niets meer te veroveren heeft, beetje onthecht, beetje sarcastisch, niet kwaadaardig hoor. Postmodern: geen grote verhalen. Dan maar beetje links zijn. Gelukkig wordt dat bekende deuntje hier en daar overstegen, krijg je toch een observatie die je vrienden op café nog niet hadden gemaakt.
Op Tolstoy was ik meteen dol, maar erg ver ben ik nog niet.
Mark Twains boek gaat aan het einde de dieperik in. Maar het overgrote deel is beestig en wie het niet leest moet het zelf maar weten.
Vanuit België heb ik mijn cd’s van The Doors meegebracht. Ik was vergeten dat ik verslaafd ben aan The Doors (maar ‘The end’ vind ik echt niet goed).
Vanochtend: ik word wakker om zeven uur (dat wil zeggen: mijn klokje zegt zeven uur, ik vraag me minutenlang af of dat ‘s ochtends of ‘s avonds is; vreemd gevoel, geloof me) omdat de een of andere klootzak aan het boren is in het gebouw. Ik draai me nog eens om. Om negen uur wordt er aangebeld, ik draai me nog eens om. Om twaalf uur word ik wakker, ik draai me nog eens om, maar voor mijn raam hoor ik meisjes badminton spelen en giechelen, wie dan nog blijft liggen is vergeefs.
Ik heb nog enkele idiote notities over het heen en weer vliegen. Ik zou eens moeten leren schrappen, maar ik hou ook wel van taakverdeling: ik schrijf en jij moet dan maar kiezen of je de hele alinea uitleest of niet.
1. Bij het kopen van een ticket vraagt WLY hoeveel dat nu eigenlijk kost, Dalian-Beijing-Florida-Brussel. Toch maar liever via Frankfurt, als het voor jou hetzelfde is (uiteindelijk zal ik tweemaal via München vliegen).
2. In Duitsland bevind ik me plots tussen allerlei westerlingen die allemaal van elkaar verschillen. En ook, ze zijn allemaal groot.
3. In België is iedereen altijd gehaast en krijgt men een slecht humeur voor het rood licht. Meer indrukken heb ik niet opgedaan, daarvoor was ik te druk bezig (ha!), behalve dan dat op de trein Antwerpen-Gent niemand tegen mij sprak en ikzelf ook mijn mond niet open deed (daar gaat mijn in China gemaakte voornemen).
4. Het schermpje op het vliegtuig dat me terugbrengt naar Beijing zegt dat we boven Czestochowa vliegen. Ik moet even in het dood archief van mijn geheugen duiken, maar dan weet ik het weer: in Krakau ben ik eens aan de praat geraakt met een mooie studente uit die stad; ik noemde haar Black Madonna, want daarvoor is Czestochowa bekend, en het meisje had ook zwart haar, we hebben elkaar één keer geschreven.
5. Op een deur in de luchthaven van China’s hoofdstad (langs een streep gebergte ligt plots een enorm spijkerbed van wolkenkrabbers): ‘no entry on peacetime’.
6. Omdat we in München een uur stilstonden, missen een dertiger-zakenman, een studente en ik onze aansluitingsvlucht naar Dalian. Ik klets enkele uren in Beijing met die studente (ze heet Zhang Jing maar ook Cherry). Haar Duits is erg goed, het mijne is voldoende maar ongetwijfeld nog steeds lachwekkend. Cherry is beleefd.
7. Cherry en ik helpen de zakenman om zijn te grote hoeveelheid Duitse drank naar Dalian te krijgen; er zit toch amper iets in mijn rugzak.
Het gevlogen zijn
Na ‘s ochtends enkele uren les gegeven te hebben, val ik vrijdagnamiddag als een blok in slaap. (Of zoals Truman Capote in ‘In cold blood’ schrijft: ‘alsof iemand hem vanachter had neergeslagen’)
Het gevolg van dat toegeven aan mijn jet-lag is dat ik pas rond twee in mijn bed kruip. Zaterdagochtend spring ik uit bed (dat is een principe; ik wil uit bed springen) en denk: het zal rond negen uur zijn. Even naar buiten kijken geeft me gelijk: het is donker en druilerig, dat kan niet anders dan zaterdagochtend negen uur zijn. Mijn klokje zegt dat het twee uur ‘s middags is.
Ojee, ik wil niet zo iemand zijn die pas na het noenuur opstaat; dat zijn vergeefse mensen.
Het ziet er buiten apocalyptisch uit, het uur klopt niet meer; niet dat ik een slecht humeur heb, maar er hangt nog een vage mistroostige vermoeidheid in mijn hoofd: ik bevind me in een niemandstijd.
Ik wandel door de regen, bedenk woordjes.
Rond elf uur probeer ik moe te zijn, maar het lukt niet. Ik heb mijn tijd (maar ja, welke dat is weet ik nu ook niet meer) goed gevuld: deze zaterdag waarop ik pas om twee uur ‘s middags opstond, heb ik een krant gelezen. Ik heb een –voor het nieuwe verhaal- productieve wandeling gemaakt en daarbij mijn schoenen proper gehouden. Ik heb de laatste bladzijden en de bespreking van Mark Twains ‘Adventures of Huckleberry Finn’ gelezen. Ik heb de eerste en laatste bladzijde van Tom Naegels’ ‘Los’ gelezen. Ik heb de eerste en laatste bladzijde van Lulu Wangs ‘Brief aan mijn lezers’ gelezen. En rond twee uur ‘s nachts heb ik ook de eerste hoofdstukken van Tolstoys ‘Anna Karenina’ gelezen. En ik ben ook met Knack op restaurant geweest. Mijn hoofd lijkt me bezig te willen houden. Hoofd, goed hoofd.
Voor wie het weten wil: het boekje van Lulu Wang is volstrekt waardeloos, echt proactief slecht (dt-fout inbegrepen).
Wat betreft ‘Los’ ben ik er nog niet uit: ik heb het in een keer uitgelezen, dat doe ik haast nooit. Het leest erg vlot, niet omdat het vederlicht is (of, zoals bij Lulu Wang, om maar meteen door de zure appel heen te bijten), maar omdat het goed geschreven is; ik stoor me gewoonlijk aan zinnen waarover ik struikel, maar dat had ik hier niet. Anderzijds vind ik het een beetje makkelijk scoren als de schrijver zijn eigen naam gebruikt: dan bewonder je hem om zijn openhartigheid, maar ja, weet jij veel natuurlijk. Herkenbaar: jonge blanke die niets meer te veroveren heeft, beetje onthecht, beetje sarcastisch, niet kwaadaardig hoor. Postmodern: geen grote verhalen. Dan maar beetje links zijn. Gelukkig wordt dat bekende deuntje hier en daar overstegen, krijg je toch een observatie die je vrienden op café nog niet hadden gemaakt.
Op Tolstoy was ik meteen dol, maar erg ver ben ik nog niet.
Mark Twains boek gaat aan het einde de dieperik in. Maar het overgrote deel is beestig en wie het niet leest moet het zelf maar weten.
Vanuit België heb ik mijn cd’s van The Doors meegebracht. Ik was vergeten dat ik verslaafd ben aan The Doors (maar ‘The end’ vind ik echt niet goed).
Vanochtend: ik word wakker om zeven uur (dat wil zeggen: mijn klokje zegt zeven uur, ik vraag me minutenlang af of dat ‘s ochtends of ‘s avonds is; vreemd gevoel, geloof me) omdat de een of andere klootzak aan het boren is in het gebouw. Ik draai me nog eens om. Om negen uur wordt er aangebeld, ik draai me nog eens om. Om twaalf uur word ik wakker, ik draai me nog eens om, maar voor mijn raam hoor ik meisjes badminton spelen en giechelen, wie dan nog blijft liggen is vergeefs.

<< Home