Monday, June 13, 2005

Dandong aan het water

Dit weekend de dag geplukt: Ik heb Noord-Korea gezien! Vind je me geen held? Ik ook!

Vrijdag. Ik word vroeg wakker en heb pas les om 8.10, dus in de tussentijd (In de tussentijd, tevens de titel van een nieuw verhaal mijnerschrijfs) denk ik na over geld: je moet dat een beetje durven gebruiken. De komende dagen zal ik alle kosten die Wang Lan Ying en ik maken voor mijn rekening nemen. Ik moest haar even overtuigen, maar ik wilde haar graag mee, dus punt andere lijn. Ik ken een Bouke die daar allerlei problemen bij zou hebben verzonnen; fuck it, een koning(in) moet een gevolg hebben.
Ik neem me ook voor om goed voor haar te zijn. Ik ben namelijk zo’n klootzak, een typische man die zijn vrouw uit het hoofd probeert te praten dat ze moe is.

Na de les-
Intermezzo: de les. Het gaat over de wereld die vergaat en het ruimtetuig van de VN dat naar de nieuwe wereld vertrekt. De studenten moeten bepalen wat voor mensen worden geselecteerd. Niet: basketbalspeler Yao Ming, die is te groot en eet alles op (in Gent heb ik eens met een straatracist gebabbeld, die had het om dezelfde reden niet voor migranten: ‘Ze komen hier alles opeten!’). De studenten zien er bovendien wel wat in om enkel Chinezen mee te nemen; liever geen negers om kinderen mee te maken en ook verschillende religies zien ze niet zitten: ‘Different religions don’t eat together.’

Na de les vind ik mijn prijsbeest aan de schoolpoort, we bussen stadwaarts. ‘t Is maar op het nippertje dat we nog aan een ticket naar Dandong raken, anders was het zakdoekje leggen geweest in Dalian.
WLY vraagt wat er op mijn t-shirt staat, het is Amnesty International, ‘t gaat over de verjaardag van de Verklaring van de Rechten van de Mens. Ze heeft het ook nog over Supperman en slaat luck en fuck door elkaar.

We zullen uiteindelijk iets meer dan zeven uur op de bus zitten. Aanvankelijk, in het begin van de namiddag, oefenen we nog op enerzijds de naam Ingrid (die komt me volgende maand samen met mijn zus bezoeken; WLY: ‘een griet’, ‘yoghurt’ en dan toch ‘Ingrid’; ze had mijn zus gemaild, in haar ontwerp van mail stond ‘Dear comedy sister’, ze bedoelde ‘Dear Cindy sister’) en anderzijds op heart, hard, hurt en head, maar algauw ligt ze op en rond en tussen me te slapen. (Haar hoofd glijdt nu en dan van mijn schouder en dan moet ik instandhoudingswerken uitvoeren.)
Terwijl rondom mij iedereen indommelt en ik weer speciaal moet doen en door het venster kijk -er hangen onschadelijke wolkjes- denk ik na over tragiek: veel dingen zijn tragisch omdat er helemaal geen tragiek in schuilt. Een man stapt ‘s ochtends de keuken in; zijn vrouw, gebogen over het aanrecht, draait zich niet om om hem goedemorgen te kussen, maar vraagt: kaas of salami? En hij zegt salami alsof het normaal is dat kaas of salami de eerste woorden zijn die je van je vrouw te horen krijgt. (Opletten, mijn boekje tikt even tegen haar arm.) Banaal. Dat is toch zeker wel tragisch?

Hobbelend voorbij gehuchten en stadjes en bergen en rijstvelden som ik op wat ik over Noord-Korea weet. De Japanners hebben het bezet en na de Wereldoorlog wisten de Russen en Amerikanen niet wat ze ermee moesten doen. Dus kwamen ze met die achtendertigste lijn aanzetten en werd het land gesplitst. Toen kwam er oorlog van, ik weet niet precies waarom maar de Zuid-Koreaanse leider schijnt niet tof geweest te zijn, en na de oorlog was er niets veranderd. Tot op de dag van vandaag heb je Noord en Zuid. Uit de lessen van Coolsaet en Doom weet ik ook nog dat MacArthur ontslagen werd omdat hij teveel boel zocht met de Chinezen.
Over Noord-Korea vandaag weet ik alleen dat iedereen ertegen is. Ze schijnen daar honger en atomen te hebben en niet vrij te zijn. Als dat waar is, dat hier dan maar snel eens een westers leger die Kim Teel Bal van de macht komt verdrijven, maar ja, mijn slimmere vrienden zeggen dan dat het zo niet werkt. (Schrijf ik in mijn boekje terwijl ik iets rechter ga zitten; het lukt niet, ze draait haar hoofd naar het raam. Kalf dat ik ben!) Ik ben zo’n braaf kind dat altijd naar slimmere mensen luistert. Weet je waarom ik Europa zo goed vind? Omdat Timothy Garton Ash er in De Standaard zo knap over schrijft. Ik ben een kudde in ‘t diepst van mijn gedachten.

Halverwege houden we even halt nadat verschillende passagiers een rookgeur opsnuiven.
Dandong, rond tien uur. We nemen de taxi naar de school van een vriendin van WLY, voor mij wordt een hotelletje vlakbij gevonden. Dandong is een muggenstad, ik krijg een soort ineengekrulde wierook die ‘s ochtends nog altijd niet is opgebrand. Het werkt, de muggen vallen als vliegen.

Zaterdag. We proberen verloren te lopen, maar ik heb al teveel op de kaart zitten kijken om te zien wat ik wil zien. Laffe reiziger. Op straat staat een dertigtal witjassen gezamenlijk te fitnessen, het zijn de werknemers van een apotheek.
We komen bij een enorme trap die ons naar een enorme pilaar brengt. Dit is de ‘Memorial Hall of the War to Resist US Aggression and Aid Korea’. Er staat een blok beton naast, het blijkt een museum. Buiten slingeren wat vliegtuigen en artillerie rond. Boys with toys klimmen erop en eronder en draaien aan slingers, doen retteketek retteketek.

In de ontvangstzaal staat Mao –de Kinnenlap, de Venerisch Zieke, de Druppelaar, de... ik moet niet weten van die mens.

Een opschrift: ‘to the most lovable person’. Eh?
De match ging tussen de ‘U.S. imperialists and its running dogs’ en de ‘Chinese People’s Volunteers’.
Over het naoorlogse China: ‘The Central Committee decided that the financial condition would take a turn for the better in three years’ time or so.’
Over het feit dat dit juridisch gezien een VN-actie was en geen Amerikaanse oorlog, enkel dit: ‘The US manipulated the UN Security Council to pass a resolution’; over de dwaze VN-boycot van de Russen (ironisch genoeg ter wille van China) die die resolutie mogelijk maakte, wordt niets gezegd. Kijk eens aan zeg, waarvoor een thesis schrijven goed kan zijn.

Het valt me op dat in de oorlog nooit mensen werden gedood, maar wel heel wat vijanden werden uitgeschakeld. ‘Enemies’ werden ‘annihilated’ of ‘wiped out’.
Er zijn heel wat foto’s te zien van Chinese soldaten. Chinese soldaat eet rijst. Chinese soldaat springt over een beek. Chinees kabinet in vergadering. Bij dat alles uitleg (ook in het Engels) over de oorlogshandelingen: de tactische besprekingen, de opmars en nederlagen... Kaarten met pijltjes, oude geweren, impressies van slagvelden. En heroïek, altijd weer de heroïek. De Moedige Vrijwilligers deden dit. De Moedige –Penis!- Vrijwilligers deden dat.
Er worden enkel foto’s van de Chinese zijde gebruikt, nooit zie je iets door een Amerikaanse lens. De enige foto’s van westerlingen zijn die van krijgsgevangenen. Tegenover de wreedheden van de Amerikanen (bijvoorbeeld: gedwongen tatoeages) staat de voorbeeldige behandeling die de Amerikaanse en Britse krijgsgevangenen genoten. Ze hadden het in hun kamp zelfs zo goed dat ze er spontaan een betoging organiseerden; op een foto zie je westerse gezichten met spandoeken tegen de imperialistische oorlog en ‘Taiwan for China’.
Iemand een korrel zout?

Dandong zelf schijnt ook gebombardeerd te zijn, meer zelfs: ook dieper in China zouden bommen zijn gegooid en ik lees ook over ‘bacteriological warfare by the US’ die enkel door een massale gezondheidscampagne van de Chinese regering werd gecounterd. Misschien ja, misschien nee.

De Chinese moslims, wordt ons ook nog verteld, hielden -alweer zeer spontaan en voluntaristisch- een inzameling voor een ‘Muslim China Airplane’.
In het museum volgen groepjes mensen een luid sprekende gids met luidspreker. Als ze allemaal een beetje hun mond hielden zou de gids perfect te verstaan zijn zonder luidspreker, maar dit is China.
(Tussen twee haakjes, een museum moet ook voorzien in bankjes –‘Is hij daar nu weer met zijn bankjes?’- en dat ontbreekt hier.)

In een van de laatste hallen wordt, zoals gewoonlijk, de heldenmoed van de Chinese krijgers benadrukt. De Volunteers waren grote helden, ze hebben met hun bloed voor 'peace and happiness' en –och, nu we toch bezig zijn- 'world peace' gezorgd. Wel niet eenvoudig, de hiërarchie van de heldenmoed: je hebt special class hero maar ook first class hero. Het allerhoogste is ‘model’ te worden genoemd.
‘The war concluded victoriously.’

En dan nog de verplichte spreuk: ‘De geschiedenis mag niet vergeten worden. Men mag niet vergeten.’ Nog even langs het museumwinkeltje –geen boeken ofzo, wel sigaretten en realistische bolletjesgeweren en massagerollers- en een bordje ‘Exist’ brengt je naarbuiten.

Over de aanleiding van deze oorlog, over het feit dat na al dat bloedvergieten Korea nog steeds opgedeeld was, over de Truman-doctrine en over burgers die stierven: niks. De Verenigde Naties, Rusland, een eventueel evoluerende visie op de Korea-oorlog in de VS... Niets. Leegte. Wat een dom museum, echt dom. (Cfr. sommige joodse organisaties die het in een holocaustmuseum enkel over de judeocide willen hebben.)

We eten koek en praten over de gelukkige en betogende krijgsgevangenen.
WLY: ‘Hoezo, je gelooft het niet? Maar je hebt toch de foto’s gezien?’
En: ‘Jamaar, als elk land zijn eigen waarheid vertelt, hoe weten we dan welk land gelijk heeft?’

We stappen naar Noord-Korea, ik vraag mijn borrelhapje wat ze erover weet. Ze heeft horen vertellen over Chinezen die eten geven aan de Noord-Koreanen. Een ding is alvast duidelijk: grotelandenmensen weten geen fuck van geografie, ze weet niet waar Rusland ligt ten opzichte van Noord-Korea.
Ik schrijf dat alles niet om WLY dom te noemen, maar om duidelijk te maken dat een klein speldenprikje (‘Zo’n foto is geen bewijs’) genoeg kan zijn voor een lawine aan twijfels. Daarmee bewijst ze dat ze slim is, want ze durft veel twijfelen en ze is nieuwsgierig.

En dan staan we plots aan de helemaal niet brede Yalu-rivier. Dit is de grens met Noord-Korea. Ik zie bomen (groen), schoorstenen (grijs) en enkele mensen (niet erg duidelijk, maar ongetwijfeld twee benen en een hoofd). Noord-Korea. Het ligt daar echt.
Langs het water aan de Chinese zijde liggen heel wat bootjes. Voor tien yuan brengen ze je tot op enkele meters van het buitenland. Ik vind het wel een beetje vies, zo’n bootje nemen om dat andere land –de ellende, liefst zoveel mogelijk- te gaan bekijken. Maar ik doe het toch en verstop me achter mijn lens. Wat te zien: we varen eerst onder de nieuwe en dan voorbij de in de oorlog gebombardeerde brug. Er staat een rad dat, als het ooit werkte, Noord-Koreanen in de hoogte tilde. Een klasje kinderen. Op roestende bootjes zitten soldaten te zitten. Een bijeenkomst van een honderdtal mensen, ze kijken allemaal ernstig. Op een bootje staat een ontwikkelingskind te kijken zoals het hoort: een tikkel droef maar niet helemaal.

Kortom, er is niks te zien. Nadien maken we de rekening: op dagen als deze stappen minstens tweeduizend mensen in zo’n bootje, ze betalen elk tussen de 10 en 20 yuan. Tweeduizend maal tien is twintigduizend yuan (dat is een hoop brood). En dat allemaal om wat ellende te zien.

‘s Avonds spelen we aan de waterkant een soort voetbal met een pluimpje, dat zie je hier iedereen doen op straat; dat en badminton, de voetpaden zijn er breed genoeg voor. Terwijl we het pluimpje heen en weer trappen doet de duisternis zijn intrede en komen er wolken over het water te hangen. ‘s Avonds lijkt het contrast veel groter: in de Democratische Republiek schijnt hier en daar een lichtje. In China spat het neon van de KTV-bargevels, staan hoge nieuwe gebouwen, wandelen mensen langs het water terwijl ze het vuurwerk negeren ter ere van het zoveelste festival, ditmaal voor een verdronken dichter of zoiets; alleszins weer een festival met zijn eigen Eten Met een Verhaal. (In dit geval: rijst in bladeren gewikkeld, dat beschermt het eten voor de dichter tegen hongerige vissen.)

Dit is dus de Beschaving, editie 2005: of je veel kansen krijgt in je leven of niet hangt af van de oever waarop je geboren wordt.

Maar misschien is er toch hoop voor Noord-Korea als rustoord voor de Chinezen. ‘Hier staan bomen! We hebben geen winkelcentra, geen haast en geen werk... Enkel de goeie ouwe vertrouwde ellende...’
Neen, ik moet het herhalen, ik heb er eigenlijk geen flauw idee van hoe het is om in Noord-Korea te leven. Lijdt de gemiddelde Kim honger? Weet zij/hij wie David Beckham is? Mag je er lesbisch en gelukkig zijn?
We kuieren door het avondlijke Dandong, er zijn gezellig veel prostituees, handig verspreid over de hele stad, iedereen leeft op straat –de straten zijn geweldig breed, met vier rijen bomen tussen de autobaan en de brede fietsbanen en brede voetpaden. Er zijn weinig auto’s, mensen sleuren tafels naar buiten, doen fitness op de toestellen... Het is hier permanent Gentse Feesten maar dan zonder het teveel aan drank en minder druk. Een kerel loopt rond met een grote foto van Saddam op zijn borst, in de kleuren van en gemodelleerd naar de bekende Che-foto. China.

Zondag. Ik denk nog even na over de gezelligheid die je hier vindt op plaatsen waar die niet is gepland –want winkelcentra en trekpleisters zijn veelal enerverend en stom en dwaas. Er is een aspect van de Chinese persoonlijkheid waarover ik het nog niet heb gehad –vermoed ik; weet ik veel wat er op deze weblog te lezen staat- en dat is machogedrag. Toegegeven, Chinese mannen hebben er een handje van weg elkaar te dwingen tot drinken en roken. Maar afgezien daarvan dragen ze maar weinig machismo in zich. Het zijn aardige mensen. Er is hier geen stoerdoenerij, tenminste niet dat ik heb gemerkt. Het zijn speelvogels die elkaar voor het lapje houden, terwijl bij ons heel wat autochtone/allochtone karakters het nodig vinden iedereen aan te kijken alsof ze elk moment iemand naar de keel gaan vliegen. Mensen doen hier hun mond open tegen elkaar.

Op een kruispunt verloopt alles chaotisch want de lichten voor kruisende rijrichtingen staan beide op groen, echt waar.
Het is weekend dus China trouwt. Overal zie je slierten auto’s met telkens een lange witte slee voorop.
In een grote winkelstraat staan panelen die de aandacht willen vestigen op veiligheid: foto’s van lachende mannen met helm, foto’s van ingestorte huizen, foto’s in verband met olie en koken... Voor de stand van de brandveiligheid is een grote foto gekozen van Jack en Rose op de Titanic, met in grote letters DISASTER ernaast. Hip. China. Love it.

We gaan zitten op een grasperkje naast een bordje waarop staat dat het verboden is op het gras te gaan zitten. Ik kijk naar Noord-Korea en WLY speelt met mijn voeten en lokt kindjes.

Rond de middag springen we weer de bus op. Wang Lan Ying is een gelukkig soort mens: ze sluit haar ogen en ze slaapt, kon iedereen dat maar, G. Ik bekijk haar graag als ze slaapt; dat klein mondje, gemaakt om te tuiten, chaotisch lange zwarte haren en een vel van zachter goud. Het is altijd ook een beetje triest, omdat het hier niet lang meer duren zal, misschien is het daarom ook zo’n mooie tijd.
(En hoeveel heeft dit weekend me nu gekost? Net geen 500 yuan of 50 euro. Geef toe, een weekend voor twee voor 50 euro, daarover mag je niet sikkeneuren. Kan je voor 50 euro naar U2?)

Nieuwsgierig als ik ben doorzoek ik haar tas. ‘You are not culture, you can’t look in my bag!’ Ik bekijk haar paspoort. Wat blijkt? De Chinezen hebben hun ‘nationality’ zoals ze het zelf noemen (etnie) op hun paspoort staan. WLY hoort tot de overgrote meerderheid Han.
En dat allemaal in mijn Amnesty-shirt.