Sunday, June 05, 2005

wandel, wandelstok

Liu Ye en ik worden door Yu Yang naar het bejaardentehuis gebracht. Liu Ye is mijn studente, Yu Yang is haar kamergenote die ook naar mijn les komt; haar major is Bejaardenzorg. Hoewel ze echt een verpleegstertype is, wil ze zich meer met management bezighouden. Goed management zorgt ervoor dat al die oude mensen wat te doen hebben, legt ze uit.
Het verpleegstertype geeft me constant goede tips: je moet ‘s avonds je voeten wassen met lauw water om mooie dromen te hebben, je moet naar Hangzhou om een vrouw te vinden, je moet elke dag twintig minuten in je handen klappen voor je bloedsomloop...

We wandelen vijf minuten door de warmte over de weg. Aan de ingang bijten twee herdershonden op de tralies van hun kooitje. Een lange oprit klimt langs een betonnen vijver waar een hoop jonge mannen zit te vissen. ‘Bezoekende familie,’ zegt Yu Yang, maar de oude vaders en moeders zijn nergens te bekennen. Er drijven enkele dode vissen op het bruine water.

We wandelen naar binnen en staan meteen in een televisiekamer: enkele oude mannen zitten in diepe zetels oud te wezen. Ze dragen allen een Mao-pet behalve die ene met zijn hippe Nike-klak. Ondanks de warmte zitten ze in laagjes gehuld, militaire hemden en dikke pyjamabroeken. Een verpleegster –zo’n echte, in het wit en met een gesteven witte muts: nurse Ratched!- verwelkomt ons. Mogen we eens rondlopen? Welzeker! Wel opletten, in het andere gebouw zitten de psychiatrische patiënten.

Yu Yang, zo flink als ze klein is, stapt kordaat de eerste kamer binnen: ‘Hallo, (televisie,) wij komen even op bezoek!’ Op twee bedden, elk tegen een muur met een nachtkastje ertussen, zitten twee mannen zacht te praten. Met de bedden en het kastje staat de hele kamer vol. Er is een groot raam en er liggen mooie houten latjes op de vloer. Ze hebben ook hun eigen badkamertje, met westers toilet. Aan de muren hangen herfstige eiken in Amerika en een bos plastic bloemen -alles is beter dan wat ik in mijn land zag in een bejaardentehuis: van die wrede cynisch-katholieke dingen over pijn dragen zonder te zagen en dat dat je dan gelukkig maakt.

De oude man is 81. Hij heeft zijn hele leven in de fabriek gewerkt, nu zijn zijn knieën kapot; hij toont me zijn wandelstok; of we die in mijn land ook hebben? Ook hij draagt zijn laagjes en Mao-pet. Daaronder draagt hij een enorme bos vergrijsde wenkbrauwen. Handige mensen kunnen er zeker krulletjes in draaien. De oude baas kan het nog goed uitleggen, hij praat over zijn knieën en zijn pilletjes die hij niet lekker vindt en als ik hem (via YY en LY) zeg dat het mooi is om hem zo energiek bezig te zien, zegt hij dat er niets erg is aan oud worden, zolang je maar blijft leven.

De man op wiens bed ik zit, een stuk jonger dan zijn kamergenoot, wacht geduldig zijn beurt af. Dan doet ook hij zijn verhaal: hij werkt voor de politie, maar er is iets mis met ‘zijn bloed in zijn hoofd’ en nu komt hij hier uitrusten. Hij legt uit dat het lastig is om voor de politie te werken, want je moet voortdurend opletten dat niemand wat verkeerd doet. ‘Ik weet wat het is,’ zeg ik, ‘ik ben leraar.’ Hij vertelt verder, terwijl ik naar Yu Yang kijk die handen vasthoudt en opgaat in het verhaal, besluit ik dat het goed is dat bejaarden met niet-bejaarden op een kamer liggen.

We wandelen een beetje verder, er is geen lift om de tweede of derde verdieping te bereiken. Ik vraag hoeveel die mensen voor zo’n kamer betalen: ‘Between 500 and 700 yuan. It’s more if they can’t move.’
We vallen binnen bij een goedlachs bollevrouwtje van 74. Ze woont hier nog maar negen dagen, het zal haar 525 yuan per maand kosten. De bewoners aan de overkant van de gang betalen 625 yuan, want daar hebben ze zonneschijn. Ze heeft veertig jaar voor het leger gewerkt en vangt nu maandelijks een pensioen dat haast even hoog is als haar loon: 1000 yuan. Het strand hier is vuil, merkt ze zeer terecht op, waar ik woonde was het veel netter. Dan begint ze te vertellen over de buurt waar ze vandaan komt: even voor ze hierheen verhuisde, trouwde een meisje uit de buurt met een zwarte. Een zwarte!, reageren ook Liu Ye en Yu Yang geschokt. Ja, gaat ze verder, en iedereen lachte dat meisje natuurlijk uit. Maar het is een gentleman, echt waar, hij vraagt altijd of ik al gegeten heb. Dus nu vindt de buurt het wel oké.
Ik kan het niet laten te vragen wat de drie dames tegen zwarten hebben. De oudste zegt: zijn vel natuurlijk! Nee, ik houd niet van zwarten. Lieflijke Yu Yang: met hun zwarte vel en hun witte tanden lijken het wel gevaarlijke beesten.
Dan vraagt onze gastvrouw hoe oud ik ben, 23 dus, en of ik getrouwd ben (neen). ‘Maar goed ook,’ zegt ze, ’23 is veel te jong om te trouwen. 25, dát is een goede leeftijd!’

Daarna proberen we nog even de fitnesstoestellen uit. Overal in China zie je in parken en op pleinen dezelfde geelblauwe toestellen staan waarmee je je spieren fit kan houden; ze dienen dus speciaal voor oudere mensen, ik vind het schitterend om die dingen overal te zien. Terwijl we daar dus zo’n beetje trekken en fietsstappen en draaien, komt een bende oude mannen van het avondeten en neemt de hele boel over. We praten nog even met een dokter die ons afraadt om de psychiatrische afdeling te bezoeken, want er is net controle op bezoek; we zien inderdaad een vijftiental mannen rondwandelen, maar ze zien er vriendelijk uit, niet Chinees-communistisch.

Over een bijzonder bejaardenonvriendelijk paadje van trapjes en steentjes wandelen we terug naar de stenen vijver. ‘En,’ vraagt Yu Yang, ‘kom je hier wonen als je oud bent?’
‘Ik word nooit oud, maar doe ik het op een dag toch, dan is het met Mao-pet. Dan bel ik je op en zeg ik: vandaag wil ik oud worden.’