Saturday, May 28, 2005

Vrijdagnamiddag, folie circulaire

Het kind jengelt
1. Rond tweeën komt de conciërge met een loodgietende man die spectaculair uit zijn mond stinkt mijn waterafvoer herstellen. (Even getest, het water loopt nog even vrolijk over mijn keukenvloer. Ik snijd de afvoer zelf open, zodat ze het nu wel Echt moeten herstellen. Stelletje bosberen.) Ik doe alsof ik samen met de conciërge naar de loodgieter kijk, maar ik houd de deurbewaarder zelf in het oog. ‘t Is een aardige kerel, maar ik heb een slecht humeur dus ik (noem hem Willy en) denk: zoals hij daar lichtjes voorovergebogen staat, het lijkt alsof zijn dochter ooit werd verkracht en hij niet goed wist wat hij daaraan kon doen en dan maar niks heeft gedaan. Het zit wel goed met zijn dochter, maar ze komt haast nooit meer thuis, dat vindt hij jammer, maar hij weet niet goed wat hij daaraan kan doen.
Hij draagt een zakenmankostuum, zoals werkmensen wel vaker doen in landen die in onze ogen enkel deugen voor toerisme of burgeroorlog.

2. Leeggoed: Een mail gekregen van mijn naar huis gevluchte Amerikaanse collega die niet zozeer een annus als wel een vita miserabilis kent: haar eerste alinea begint met een verontschuldiging dat ze niet vaker schrijft. Typisch Angela: sorry dat ik ongelukkig ben, sorry dat ik daar niets aan doe, sorry dat ik altijd sorry zeg, sorry dat ik leef. Daarna schrijft ze dat het vrij goed met haar gaat, het is het soort goed dat je zelf niet zou willen. Ik besef dat ik nu even een inktzwart slecht mens ben en besluit om later of niet te antwoorden.

3. Ik ben eens in een huis geweest, een gigantisch herenhuis waarvan de kapstokkenkamer –jawel- groter was dan mijn keuken. Alles was te groot –de leegte van te rijk. Het huis was al groot toen de kinderen er nog woonden. Nu die het huis uit waren, was het een enorme bewaarplaats geworden van lege bedden en fotoboeken en moeders eigen fitnessruimte. In heel Vlaanderen wonen almaar meer verouderende koppels in huizen die te groot zijn voor hun tweeën en te klein voor de hekel die ze vaak aan elkaar hebben. Ook hun kinderen kunnen niks doen met zo’n huis, want die hebben het verleerd om gezinnen te stichten, en die grote migrantengezinnen hebben er het geld niet voor.

Het kind krijgt een snoepje
Maar dan komt Wang Lan Ying aanbellen en ze neemt me mee groente kopen en vergeet dat ze in China is en spreekt (haar) Engels tegen de oude verkoper die haar niet begrijpt en in de winkel is de tofu uitverkocht en zegt ze ‘tofu is so out!’ en thuis steekt ze haar haar op voor me, twee stokjes erin, want een vrouw is pas een vrouw als je haar nek kan zien en als ik haar bijt jaagt ze me de keuken uit, ‘ga jij maar schrijven’ en ze noemt me yangyang (‘jeuk’) omdat ik mijn handen niet thuishoud en ik weet dat dat het Chinese woord is dat ik me moet laten tatoeëren, want ‘jeuk’ is toch wel een geestig woord om op je lichaam te hebben staan, neen?

Terwijl ze naar Gone with the wind kijkt en ik doe alsof ik niet meekijk, denk ik aan de toekomst. Het leven is kort. Eigenlijk wil ik helemaal nooit meer iets tegen mijn goesting doen. Bijvoorbeeld een pak met das dragen of beleefder zijn dan ik ben of opstaan voor ik wakker word. Dringend te doen daarentegen:

-Andere plaatsen zien, op dit moment wil ik vooral naar Rwanda (net een heerlijk boekje over gelezen), Australië (maar dan wel voor een flinke poos rondtrekken), Zuid-Franse dorpjes, Schotland (stel je voor, zo’n dorpje waar het altijd regent en een slechtgehumeurde rechercheur een moord onderzoekt terwijl jij lekker binnen zit met je haard en je boek en je dagboek en je vrouw misschien, de wandelingen langs de schaapjes en het groen en het gras).
-Op mijn gemak een boek lezen, maar niet te lang, want ik heb het lastig om me te concentreren.
-Meer Frans, Spaans, Duits en Chinees leren. Je kan dan praten met meer mensen en boeken lezen zoals ze bedoeld zijn en als je letterlijk gaat vertalen kan je lachen en het Nederlands helpen heruitvinden.
-Met mijn trouwe rugzak op stap, gewoon om helemaal nergens te zijn, want als je ergens bent, dan is dat met een doel, zoals lesgeven of studeren ofzo en ik vind elk doel snel saai: ik ben het grootste slachtoffer van de globalisering en de consumptueuze vrijheidsbeleving van het Westen.
-Met mijn vrienden op café. Ik houd dan vaker mijn mond dan ik van mezelf gewend ben, maar ik hoor hen graag bezig en denk altijd nog lang na over wat ze zeiden.

Mijmerend over morgen maak ik in mijn hoofd lijstjes van wat ik wel graag doe en probeer daar dan een toekomst uit te puren. Hout hakken heb ik eigenlijk altijd leuk gevonden, en ook: de haard aansteken. En paaseieren rapen, spellingsfouten zoeken, mijn zus pesten, die man van Snoecks in De Standaard lezen, lezen, vrouwelijk schoon, schrijven (hoewel, ook weer niet altijd GODVERDOMME), rondlopen met rugzak, Wang Lan Ying, eten, lange Duitse woorden, de vier Robin Hood-jeugdboeken en hoofdrekenen. Zit daar toekomst in?

Ik weet het niet. Maar ik heb het nog nooit geweten en zie mij hier nu zitten.