Monday, June 27, 2005

G.O.D.

Zaterdagvoormiddag. Ik heb amper geschreven over rechtvaardigheid of het begint te rommelen in mijn buik. De rest van het weekend ben ik zo ziek als een hond, allemaal door wat slechte melk (was ik maar fruitariër). Geweldige Orchidee Deconinck, want zo heet Wang Lan Ying: ‘You had bad music? I mean, milk?’
Als ik ziek ben, komt er altijd een totaalspektakel van, met onder meer gastoptredens van hyperventilatie en tinteling/gevoelloosheid. Maar omdat ik onderhand weet dat ook dat weer overgaat, raak ik niet in paniek en krijg iets sneller mijn adem onder controle. Toch, op maandagochtend zucht ik soms nog kilometers diep. Maar rond de middag is het voorbij en moet enkel nog mijn maag (de honger) heropgestart worden.

Maandagnamiddag is een mooie meid. WLY speelt met mijn cd’s terwijl ik de punten bereken van mijn studenten. Ik becijfer altijd eerst hoeveel studenten moeten slagen. Ik zal wel een schoft zijn, maar Martin Luther King was nu eenmaal niet de president van de VS en woensdag komt ook in China voor vrijdag, meestal zelfs met een donderdag tussenin.
Wang Lan Ying zit met het tekstboekje van Leonard Cohens ‘The Future’ in haar pollen. Ze zit op mijn tapijt in haar huid en haar en zingt mee. Ze zingt over ‘crack and anal sex’ maar ook ‘so don’t give me the world today and tomorrow take it away’ en ‘those nights on Tiananmen Square’.

Met haar meerstemmige gedachtegang zegt ze plots: ‘Water can’t move.’
‘Shenme?’
‘’Light as the breeze’. Breeze: water can’t move. Shi bu shi?’
‘Bu shi. You mean freeze.’

Of: ‘I think the –en ze beweegt haar handen in golfjes op en neer- is good, his sound isn’t.’

Terwijl ze zit te zingen, denk ik aan hoe ik tot het Engels doordrong. Het had ook vaak te maken met muziek: ‘Wat zingt die mens hier nu eigenlijk?’ Gaandeweg ontwikkelde ik een ongevaarlijke doch tijdrovende woordenboekobsessie: bij elk boek dat ik las, legde ik een lijstje aan van mij onbekende woorden. In het woordenboek duidde ik de opgezochte woorden aan, het lijstje verstopte ik in een nog ongelezen boek om mezelf later te testen. (Heptarchie. Rigodon. Omineus.)
Dat gehannes met lijstjes en aanduidingen heb ik ondertussen opgegeven, maar ik vind het nog steeds onverantwoord een onbekend woord niet op te zoeken. Of zoals mijn leerkracht Nederlands zou zeggen: ‘Wie geen woordenboek gebruikt, is natuurlijk een oen zonder weerga.’ Die man had wel meer geestige zinnetjes in zijn mouw. Tegen een onderuitgezakte leerling zei hij bijvoorbeeld: ‘Ik ga twee oogjes op jou tekenen, dan ben je een zak meel met twee oogjes op.’

Ze zit te zingen en ik plan een oeuvre.
Over mijn schooltijd valt eigenlijk wel veel te vertellen. Volgens de man van Grieks en Latijn moest je eertijds de Ilias uit het hoofd kennen om druïde te mogen worden. Ik vond dat toen ongelooflijk, maar is het dat wel? Als jij optelt hoeveel liedjes, film- (en Simpsons)fragmenten en gedichten je uit het hoofd kent, dan kom je ook aan een Ilias. Om nog te zwijgen over stukjes Reis naar het einde van de nacht.
(Over die leerkrachten van me: niet dat ik een olifantengeheugen heb, maar die mensen vielen vaak in herhaling. Het nut daarvan is bij dezen bewezen.)

WLY heeft net als mijn moeder een fors litteken op haar bovenarm van de een of andere inenting die mijn generatie in Europa niet meer nodig had. Ze heeft ook een duim waar een hapje aan ontbreekt, niet ik, maar een of andere aardappelmachine draagt daarvoor verantwoordelijkheid. Het lange dunne witte streepje op haar voet? ‘I don’t remember.’
Later op de avond leert ze me haar naam schrijven.

Aan de schoolpoort liggen zandzakjes om te vermijden dat het regenwater afkomstig van de kwarteneenhalve berg over de trappen naar het lager gelegen schoolgebouw zou lopen.
Wang Lan Ying heeft ‘s avonds computerles, ik ga mee naar buiten om nog eens lucht te zien.
‘Wandelingetje.’
‘Yes?’
‘No, not you.’