Het paard van Alexander
Gezien op het vliegtuig: een vechtfilm, Jackie Chan in Hongkong. Bij een straatstalletje koopt hij een hamburger en zegt tot een hond die hem aankijkt: ‘It’s nobody you know.’
Dit is de gedachte waarmee ik wakker word. Dan open ik mijn ogen en zie ik Renate liggen(Dorrestein) en is de dag voorgoed begonnen.
Gisteravond een heugenswaardig Chinamoment beleefd of eigenlijk waren het er twee: rond vijf uur wordt het grijs en grimmig, even later begint het ook hard te waaien. Voor ik het goed en wel besef is het donker, echt donker, en begint het te bliksemen en donderen en doen. Daar houd ik wel van (en ik hernieuw mijn voornemen zo snel mogelijk Schotland te bezoeken, want het zal daar regenen voor mij). Het kriebelt om te gaan wandelen, maar ik kan niet, want ik verwacht een student. (En trouwens, om echt fatsoenlijk in de regen te wandelen heb je eigenlijk ook een hond nodig.)
John, want zijn echte naam wil ik niet geven, heeft een hoop vragen voor me. Morgen en overmorgen zijn het weer Nationale Examendagen: miljoenen studenten testen hun Engels. Het is het certificaat voor deze nationale examens dat een werkgever ervan overtuigt dat iemand Engels kan (niet dat er gesproken wordt op het examen; zo is er het -aannemelijke- verhaal van een meisje dat slaagde voor CET-6, de hoogste graad, en dat op de markt niet om een ei kon vragen).
Gedurende anderhalf uur zitten we over Johns teksten gebogen, hij heeft zich geoefend op essays schrijven. Daar volgt hij op zondagen zelfs speciaal les voor. ‘Je moet beginnen met je onderwerp of probleem aan te geven, dat leg je dan uit en je eindigt met een conclusie.’ Hallo. Wat leren ze hier eigenlijk op de middelbare school? Van een (verder studerende) twintigjarige mag je toch verwachten dat die geleerd heeft een beetje samenhangend te schrijven?
Maar ik heb veel sympathie voor John, niet in het minst omdat ik hem zo’n knappe jongen vind. Hij doet me wat denken aan hoe heet die acteur, hij speelt Hephaestion in de film Alexander. Hij –John dus, niet de schone Hephaestion en zeker niet de over ‘t paard getilde Alexander- is ook pienter. Hij werkt hard, praat vlot Engels. En hij heeft me geraakt met zijn verhaal over de desinteresse van werkgevers omwille van zijn afkomst.
Hij legt me uit hoe de essays verbeterd worden: de beoordelaar zal het gedurende 1 minuut lezen en daarna beslissen of hij snapt wat je wilde overbrengen of niet. John wil dus van mij weten hoe je snel iets duidelijk maakt. We hebben het over bruggenwoordjes en terugverwijzingen, over ‘ten eerste’, ‘ten tweede’ en tenslotte ook over het kapitalisme, want hij vraagt (voor zijn essay) waarom zoveel mensen last hebben van hun sub-health. (We besluiten dat dat vreemde woord mentale gezondheid betekent. Rare jongens, die examinatoren.)
En dan zegt hij: ‘Goed, nu moet ik ervandoor, ik ga de antwoorden van het examen kopen.’ Het dondert buiten, we zitten in Keulen. Ik ga weer op mijn stoel zitten en vraag: ‘Is dat niet een beetje illegaal?’
‘Ja,’ zegt John, en hij lacht. Eigenlijk hoor ik hem buiten te schoppen.
‘Waar haal je die antwoorden dan?’
‘Dat is geheim, kan ik je echt niet zeggen.’
‘Hoeveel betaal je ervoor?’
‘Tussen de vijfhonderd en duizend yuan. Je moet wel pas betalen als je slaagt.’
‘Hoe weten ze dan dat je geslaagd bent?’
‘Ze kijken op de computer naar je naam.’
‘Aha. ‘Ze’ zijn dus geen stelletje amateurs.’
En zo licht hij een tipje van de sluier op: een kameraad vanop de middelbare school studeert nu in Beijing. Die heeft blijkbaar contacten met degenen die de antwoorden verkopen (ik veronderstel dat de examens ook in Beijing opgesteld worden). John vertelt dat hij er zelf ook nog geld aan zou kunnen verdienen door de antwoorden op zijn beurt te gaan verkopen.
‘Niet erg eervol om op die manier te slagen,’ zeg ik. Dat geeft hij grif toe, maar nog belangrijker is het aan een goede job te geraken.
‘Jamaar, volgens mij ben jij best wel in staat om te slagen voor dit examen.’
‘Het is te belangrijk om te gokken.’
Wanneer hij vertrekt, besluit ik alsnog te gaan wandelen. Het land is onzichtbaar en om de zoveel seconden overbelicht, alsof daarboven iemand iets niet goed heeft afgesteld. De straten zijn willige rivierbeddingen, mijn voeten –'ze zijn groot en er staat haar op,' zeggen de Chinezen- worden natter dan mijn schoenen. Ik wandel weg van de schoolgebouwen, weg van hun licht. Dan staar ik in het donker naar het bliksemlicht, ik stap in de regen en ga onder gedonder. Als de bliksem dichtbij inslaat is er van rollend gedonder geen sprake. Het gespan scheurt open met vele hoge en lage tonen tegelijk, het trilt in je hoofd (je hebt de neiging je even te bukken, best wel stom) en je kijkt nieuwsgierig om je heen, zoekt naar het gebouw dat je zonet uiteen hoorde spatten. Dan stap je weer verder.
Dit is de gedachte waarmee ik wakker word. Dan open ik mijn ogen en zie ik Renate liggen(Dorrestein) en is de dag voorgoed begonnen.
Gisteravond een heugenswaardig Chinamoment beleefd of eigenlijk waren het er twee: rond vijf uur wordt het grijs en grimmig, even later begint het ook hard te waaien. Voor ik het goed en wel besef is het donker, echt donker, en begint het te bliksemen en donderen en doen. Daar houd ik wel van (en ik hernieuw mijn voornemen zo snel mogelijk Schotland te bezoeken, want het zal daar regenen voor mij). Het kriebelt om te gaan wandelen, maar ik kan niet, want ik verwacht een student. (En trouwens, om echt fatsoenlijk in de regen te wandelen heb je eigenlijk ook een hond nodig.)
John, want zijn echte naam wil ik niet geven, heeft een hoop vragen voor me. Morgen en overmorgen zijn het weer Nationale Examendagen: miljoenen studenten testen hun Engels. Het is het certificaat voor deze nationale examens dat een werkgever ervan overtuigt dat iemand Engels kan (niet dat er gesproken wordt op het examen; zo is er het -aannemelijke- verhaal van een meisje dat slaagde voor CET-6, de hoogste graad, en dat op de markt niet om een ei kon vragen).
Gedurende anderhalf uur zitten we over Johns teksten gebogen, hij heeft zich geoefend op essays schrijven. Daar volgt hij op zondagen zelfs speciaal les voor. ‘Je moet beginnen met je onderwerp of probleem aan te geven, dat leg je dan uit en je eindigt met een conclusie.’ Hallo. Wat leren ze hier eigenlijk op de middelbare school? Van een (verder studerende) twintigjarige mag je toch verwachten dat die geleerd heeft een beetje samenhangend te schrijven?
Maar ik heb veel sympathie voor John, niet in het minst omdat ik hem zo’n knappe jongen vind. Hij doet me wat denken aan hoe heet die acteur, hij speelt Hephaestion in de film Alexander. Hij –John dus, niet de schone Hephaestion en zeker niet de over ‘t paard getilde Alexander- is ook pienter. Hij werkt hard, praat vlot Engels. En hij heeft me geraakt met zijn verhaal over de desinteresse van werkgevers omwille van zijn afkomst.
Hij legt me uit hoe de essays verbeterd worden: de beoordelaar zal het gedurende 1 minuut lezen en daarna beslissen of hij snapt wat je wilde overbrengen of niet. John wil dus van mij weten hoe je snel iets duidelijk maakt. We hebben het over bruggenwoordjes en terugverwijzingen, over ‘ten eerste’, ‘ten tweede’ en tenslotte ook over het kapitalisme, want hij vraagt (voor zijn essay) waarom zoveel mensen last hebben van hun sub-health. (We besluiten dat dat vreemde woord mentale gezondheid betekent. Rare jongens, die examinatoren.)
En dan zegt hij: ‘Goed, nu moet ik ervandoor, ik ga de antwoorden van het examen kopen.’ Het dondert buiten, we zitten in Keulen. Ik ga weer op mijn stoel zitten en vraag: ‘Is dat niet een beetje illegaal?’
‘Ja,’ zegt John, en hij lacht. Eigenlijk hoor ik hem buiten te schoppen.
‘Waar haal je die antwoorden dan?’
‘Dat is geheim, kan ik je echt niet zeggen.’
‘Hoeveel betaal je ervoor?’
‘Tussen de vijfhonderd en duizend yuan. Je moet wel pas betalen als je slaagt.’
‘Hoe weten ze dan dat je geslaagd bent?’
‘Ze kijken op de computer naar je naam.’
‘Aha. ‘Ze’ zijn dus geen stelletje amateurs.’
En zo licht hij een tipje van de sluier op: een kameraad vanop de middelbare school studeert nu in Beijing. Die heeft blijkbaar contacten met degenen die de antwoorden verkopen (ik veronderstel dat de examens ook in Beijing opgesteld worden). John vertelt dat hij er zelf ook nog geld aan zou kunnen verdienen door de antwoorden op zijn beurt te gaan verkopen.
‘Niet erg eervol om op die manier te slagen,’ zeg ik. Dat geeft hij grif toe, maar nog belangrijker is het aan een goede job te geraken.
‘Jamaar, volgens mij ben jij best wel in staat om te slagen voor dit examen.’
‘Het is te belangrijk om te gokken.’
Wanneer hij vertrekt, besluit ik alsnog te gaan wandelen. Het land is onzichtbaar en om de zoveel seconden overbelicht, alsof daarboven iemand iets niet goed heeft afgesteld. De straten zijn willige rivierbeddingen, mijn voeten –'ze zijn groot en er staat haar op,' zeggen de Chinezen- worden natter dan mijn schoenen. Ik wandel weg van de schoolgebouwen, weg van hun licht. Dan staar ik in het donker naar het bliksemlicht, ik stap in de regen en ga onder gedonder. Als de bliksem dichtbij inslaat is er van rollend gedonder geen sprake. Het gespan scheurt open met vele hoge en lage tonen tegelijk, het trilt in je hoofd (je hebt de neiging je even te bukken, best wel stom) en je kijkt nieuwsgierig om je heen, zoekt naar het gebouw dat je zonet uiteen hoorde spatten. Dan stap je weer verder.

<< Home