weekdier
Zucht. Ik heb de indruk dat ik hier de komende weken telkens dezelfde tekst ga schrijven, omdat het gewoon niet anders kan.
Zondagavond
Het was zomer vandaag. Wang Lan Ying trok me uit mijn verhaal –ik werd toevallig net ontvoerd- en duwde me de straat op. Ik wilde de heuvels in, zij wilde naar zee.
-Maar ik wil meer tegenwoordige tijd, daar gaat deze tekst over.-
Onder het stappen probeer ik mijn broekspijpen op te stropen –we wandelen naar zee want daar wil zij heen-, erg handig is dat niet. Ze genstert lichtvoetig verder, vertelt over haar examen waarvoor ze misschien geslaagd is en misschien ook niet en voor de zoveelste keer bewonder ik haar om het groot plezier dat zij schept in het leven –het mijne- en het gemak waarmee ze dat doet.
Terwijl we het water instappen en elkaar proberen voetje te lichten zeg ik ‘kom, we gaan van de wereld,’ en zet koers volle zee. Dat kan, want het water wordt hier slechts zeer langzaam dieper. Voor haar is alles goed, als ze maar druppels op me kan spatten en de zon in het water bestuderen. We laten pootjebadende mensen achter tot we alleen nog het water rondom ons hebben, het water en een meeuw die even dag komt zeggen.
Ze merkt dat ik een beetje stilval en vraagt hoopvol wat ik denk. We maken wel pret maar ik voel me meer acteur of publiek of zelfs maar decor tegenover haar glitter en glamour. Er hangt wat in mijn hoofd: ik voel me als een man die met de gezinshond het bos inwandelt om die daar achter te laten.
(Ik herken de liefde als ik haar zie en ben bang dat er rechtvaardigheid bestaat; als die bestaat, dan zou je zo’n kans niet nog eens mogen krijgen. Of hoe zit dat?)
Dinsdag
Het wordt avond en ik ga naar het marktplaatsje om tomaten en wortels voor bij de pasta. Slecht nieuws: mei you wortels. Goed nieuws: ik loop er mijn struikeldier tegen het lijf. Ze neemt me mee naar een restaurant waarvan ze de baas kent, die doet me twee wortels cadeau. Gelukkig eet Wang Lan Ying ‘s avonds meestal niet, mijn pastagedoe is geen aangename kennismaking met mijn (nochtans niet erg indrukwekkende) kookkunst.
Ze kijkt naar Hotel Rwanda, ik kijk deels mee. Deels: ik kook en er komt een studente langs die een tekst ter correctie voorlegt. Het einde bekijken we samen en ik zie een kind van dertien naast zijn vader zitten in diens zetel met lelijke motiefjes in lelijke kleuren. Ik vraag me af of dat kind, toen het dertien was, nog onder zijn vaders arm kroop en daar genoot van het bedachtzame lurken aan de sigaar, de asbak op de armleuning, de rook- en lichaamsgeur. We keken dan altijd naar het nieuws (eerst BRT en dan VTM of omgekeerd) en ik herinner me nu dat het daar was, al dan niet onder een arm, dat ik die beelden zag van hakkende machetes, het was vanuit de hoogte en vanuit de verte gefilmd. En later, ook in die zetel, zagen we hoe een jongen van een brug werd gegooid, het was van zeer dichtbij gefilmd.
We zitten er samen wat bij te sniffen, ze zegt dat ik ‘easily moving’ ben en vraagt naar het waarom van de genocide. Ik zeg dat ik het niet weet maar begin voor het gemak dan toch te praten over kolonisering en Hutu en Tutsi en 1960, met een mooi schema erbij dat het onbegrip moet verstoppen. We zitten er verslagen bij, haar haar hangt in mijn gezicht, ik zeg jouw hair is altijd everywhere.
Het zijn intense tijden, de hoogtes zijn hoog en de dieptes zijn diep en allebei frequent aanwezig. Wij zijn een bergketen, inclusief vrolijke riviertjes waarvan je kan drinken –het is geen tranendal-, berggeiten zonder noemenswaardige hobby’s, een verlaten hut en ook nog een enorme cliffhanger.
Ik richt het vele afscheid misschien gewoon teveel op haar. Fuck, wat een idee ook om naar China te komen! Ik had eens een lief in Dendermonde, dat was al lastig genoeg.
(De computer hier probeert lief en lastig te veranderen in life en lasting.)
(Woensdag. Ik schrijf per abuis een gedicht.)
Donderdag.
Mijn ogen zijn moe van het tl-licht en mijn lichaam wil geen Chinees voer meer. Ik voel me alsof iemand een ziekte aan mijn naam heeft gegeven. Met andere woorden, ik luister niet naar wat ze zegt; je kan niet half luisteren naar WLY, dat laat haar taal niet toe. Pas wanneer ik het fort opgeef en een beetje naar haar toe kruip, zien we elkaar weer. Ik zeg sorry, ik vergat even wie je was. (Dat steel ik van Tom Cruise.)
Vrijdag.
Ik plan te werken in de afternoen, maar het wordt Wat Anders. Olympische medaille Wat Anders.
Des avonds verbaas ik mezelf: ‘Zullen we naar de stad gaan en pizza eten?’ Volkomen impulsief springen we op de bus. Onderweg zie ik mijn tweede lijk in China: een dikke man ligt dood op straat, hij is nog niet toegedekt. Onder een taxi ligt zijn fiets in een deuk.
We hebben nog geen honger en wandelen wat door downtown, looking real tasty.
In het restaurant vraag ik om de vegetarische pizza (de klootzakken noemen het ‘Garden lovers’), weet je wat de dienster zegt? ‘Die moet je niet nemen, ‘t is geen lekkere: er zit geen vlees in.’
Ik heb er schik in WLY te zien knutselen met mes en vork. En later, terwijl zij praat, voer ik haar tiramisu. Voor wat, hoort wat.
Zondagavond
Het was zomer vandaag. Wang Lan Ying trok me uit mijn verhaal –ik werd toevallig net ontvoerd- en duwde me de straat op. Ik wilde de heuvels in, zij wilde naar zee.
-Maar ik wil meer tegenwoordige tijd, daar gaat deze tekst over.-
Onder het stappen probeer ik mijn broekspijpen op te stropen –we wandelen naar zee want daar wil zij heen-, erg handig is dat niet. Ze genstert lichtvoetig verder, vertelt over haar examen waarvoor ze misschien geslaagd is en misschien ook niet en voor de zoveelste keer bewonder ik haar om het groot plezier dat zij schept in het leven –het mijne- en het gemak waarmee ze dat doet.
Terwijl we het water instappen en elkaar proberen voetje te lichten zeg ik ‘kom, we gaan van de wereld,’ en zet koers volle zee. Dat kan, want het water wordt hier slechts zeer langzaam dieper. Voor haar is alles goed, als ze maar druppels op me kan spatten en de zon in het water bestuderen. We laten pootjebadende mensen achter tot we alleen nog het water rondom ons hebben, het water en een meeuw die even dag komt zeggen.
Ze merkt dat ik een beetje stilval en vraagt hoopvol wat ik denk. We maken wel pret maar ik voel me meer acteur of publiek of zelfs maar decor tegenover haar glitter en glamour. Er hangt wat in mijn hoofd: ik voel me als een man die met de gezinshond het bos inwandelt om die daar achter te laten.
(Ik herken de liefde als ik haar zie en ben bang dat er rechtvaardigheid bestaat; als die bestaat, dan zou je zo’n kans niet nog eens mogen krijgen. Of hoe zit dat?)
Dinsdag
Het wordt avond en ik ga naar het marktplaatsje om tomaten en wortels voor bij de pasta. Slecht nieuws: mei you wortels. Goed nieuws: ik loop er mijn struikeldier tegen het lijf. Ze neemt me mee naar een restaurant waarvan ze de baas kent, die doet me twee wortels cadeau. Gelukkig eet Wang Lan Ying ‘s avonds meestal niet, mijn pastagedoe is geen aangename kennismaking met mijn (nochtans niet erg indrukwekkende) kookkunst.
Ze kijkt naar Hotel Rwanda, ik kijk deels mee. Deels: ik kook en er komt een studente langs die een tekst ter correctie voorlegt. Het einde bekijken we samen en ik zie een kind van dertien naast zijn vader zitten in diens zetel met lelijke motiefjes in lelijke kleuren. Ik vraag me af of dat kind, toen het dertien was, nog onder zijn vaders arm kroop en daar genoot van het bedachtzame lurken aan de sigaar, de asbak op de armleuning, de rook- en lichaamsgeur. We keken dan altijd naar het nieuws (eerst BRT en dan VTM of omgekeerd) en ik herinner me nu dat het daar was, al dan niet onder een arm, dat ik die beelden zag van hakkende machetes, het was vanuit de hoogte en vanuit de verte gefilmd. En later, ook in die zetel, zagen we hoe een jongen van een brug werd gegooid, het was van zeer dichtbij gefilmd.
We zitten er samen wat bij te sniffen, ze zegt dat ik ‘easily moving’ ben en vraagt naar het waarom van de genocide. Ik zeg dat ik het niet weet maar begin voor het gemak dan toch te praten over kolonisering en Hutu en Tutsi en 1960, met een mooi schema erbij dat het onbegrip moet verstoppen. We zitten er verslagen bij, haar haar hangt in mijn gezicht, ik zeg jouw hair is altijd everywhere.
Het zijn intense tijden, de hoogtes zijn hoog en de dieptes zijn diep en allebei frequent aanwezig. Wij zijn een bergketen, inclusief vrolijke riviertjes waarvan je kan drinken –het is geen tranendal-, berggeiten zonder noemenswaardige hobby’s, een verlaten hut en ook nog een enorme cliffhanger.
Ik richt het vele afscheid misschien gewoon teveel op haar. Fuck, wat een idee ook om naar China te komen! Ik had eens een lief in Dendermonde, dat was al lastig genoeg.
(De computer hier probeert lief en lastig te veranderen in life en lasting.)
(Woensdag. Ik schrijf per abuis een gedicht.)
Donderdag.
Mijn ogen zijn moe van het tl-licht en mijn lichaam wil geen Chinees voer meer. Ik voel me alsof iemand een ziekte aan mijn naam heeft gegeven. Met andere woorden, ik luister niet naar wat ze zegt; je kan niet half luisteren naar WLY, dat laat haar taal niet toe. Pas wanneer ik het fort opgeef en een beetje naar haar toe kruip, zien we elkaar weer. Ik zeg sorry, ik vergat even wie je was. (Dat steel ik van Tom Cruise.)
Vrijdag.
Ik plan te werken in de afternoen, maar het wordt Wat Anders. Olympische medaille Wat Anders.
Des avonds verbaas ik mezelf: ‘Zullen we naar de stad gaan en pizza eten?’ Volkomen impulsief springen we op de bus. Onderweg zie ik mijn tweede lijk in China: een dikke man ligt dood op straat, hij is nog niet toegedekt. Onder een taxi ligt zijn fiets in een deuk.
We hebben nog geen honger en wandelen wat door downtown, looking real tasty.
In het restaurant vraag ik om de vegetarische pizza (de klootzakken noemen het ‘Garden lovers’), weet je wat de dienster zegt? ‘Die moet je niet nemen, ‘t is geen lekkere: er zit geen vlees in.’
Ik heb er schik in WLY te zien knutselen met mes en vork. En later, terwijl zij praat, voer ik haar tiramisu. Voor wat, hoort wat.

<< Home