Saturday, July 02, 2005

het zoet en het zuur

(Ik zou kunnen vertellen hoe ik met WLY over een paadje loop en we een enorm padden/kikkerconcert bijwoonden. Dat zou ik alsvolgt kunnen beschrijven: ‘Veilig verscholen in het lange gras rond de poel geven geheimzinnige beesten luid commentaar: krrrr en sssss, klinkt het afkeurend. In de poel voeren grootsprakerige paddenkikkers een veelzijdige discussie, waarbij ieder voortdurend op hetzelfde argument hamert en niet naar elkaar wordt geluisterd.’ Ik zou kunnen zeggen hoe verbijsterd ik ben wanneer WLY de wikkel van haar ijsje achteloos weggooit.
Maar ja.)

We zitten in het donker met de kust aan onze voeten, een eindje verder steken enkele gelukkige jongens vuurwerk af. Ik denk met tegenzin aan de jongeren in eigen land en aan de mensen in het algemeen. Joviaal, genereus, vrolijk, vlot en goedlachs zijn over het algemeen Chinese woorden.
Toegegeven, ik kijk erg uit naar B. die de barbecue aanwakkert met zijn haardroger. Naar moeders nieuwste tuinplannen. Naar F. en zijn vooruitgang op de gitaar. Naar een filmpje of een tentoonstelling als het moet. Naar lasagne. Naar discussies over de stomste en grootste dingen. Naar J. en zijn eigen taal. Naar de trouwvorderingen van nu al twee bevriende koppels. Naar blond en naar de bibliotheek. Naar E. –niemand kan zo geloofwaardig vragen of je gelukkig bent als zij. Naar mijn boeken (geloof het of niet, maar vanochtend werd ik wakker met deze gedachte: ‘Volgens mij heb ik enkele jaren terug Mulisch’ De procedure aan iemand uitgeleend en staat dat boek nog niet terug in mijn rek. Moet ik dringend checken.’). Naar J. en zijn vuurpagode (ik zei het al, een eigen taal; als het vuur niet goed trekt, noemt hij dat ‘een beetje tragisch’), naar al die familie en vrienden die in China ontbraken, naar de mensen die zullen zeggen: ‘Zo, je bent terug.’
‘Ja.’
‘En, hoe was het?’
‘Goed.’

Er zijn veel hippe mensen in mijn land. Maar ik hou niet van ‘de mensen’ in België, ik kan er niet aan doen. Op straat is iedereen altijd zo boos op me en ook, ze rijden me omver. De madam in de winkel kijkt me niet eens aan als ik betaal en ze zegt ook niet hallo. Mensen die ik niet ken willen meestal geen mensen worden die ik ken: niemand zegt ooit wat. Ligt dat alleen aan mij –want toegegeven, ik weet zelf ook niet hoe je een gesprek begint met een onbekende- of is er meer aan de hand?
In China zie ik mensen overal en altijd vlot met elkaar in gesprek of discussie treden. In mijn land moet je daarvoor speciaal op café en zelfs dat is niet voldoende: moet jij eens op je eentje aan een toog gaan zitten en kijken wat er gebeurt.

Er zijn heel wat Chinese eigenschappen die ik niet op prijs stel: de eindeloze hello’s, de desinteresse voor of vaak achterlijke visie op alles wat enigszins de eigen haard en buik overstijgt (ter illustratie: WLY’s snoepwikkel, Taiwan, zwarten, de eindeloze aantallen winkeltjes met hersenloze spulletjes waar verveelde jongeren hun geld aan kunnen hangen enz.) -ik wou hier een opsomming geven, maar ‘t vorige vat het wel een beetje samen. Wat ik wilde zeggen: los van dat alles verkies ik voor de figuranten in mijn drama toch een vrolijke bende Chinezen die ‘s avonds de straat optrekken met de halve huisraad boven grimmige en morrende Belgen met verbeten trek om de mondhoeken, meegebracht vanop kantoor. (En ik haat het dat ik ook zo’n morrende –zie deze tekst- Belg ben. Snap je nu waarom WLY zo’n nuttige veldmuis voor me is?)

Binnen dik twee weken sta ik terug in dat land, België, waar ik zoveel ontzettend mooie dingen over weet, waarover ik zoveel deprimerende cijfers en verhalen ken. En hetzelfde geldt voor China, met zijn folteringen die in de rest van de wereld van de daken worden geschreeuwd maar hier geen blaadje doen trillen, met zijn stalletjes op straat met enorme hopen fruit, met zijn mensen die allemaal een perfect figuur lijken te hebben, met zijn gebrek aan mijn vrienden en familie, met zijn gebrek aan cultuur, met zijn exploderend toerisme dat alles wat mooi is, zal verwoesten. Met zijn gedienstige vrouwen met zwart haar en sterke kuitspieren en de meest onmogelijke schoenen en laarsjes met alle soorten kraaltjes, ponponnetjes en vetertjes. China, met zijn rijstnoedels en zoete aardappels en vlees dat overal wordt ingedraaid, met zijn prostitutie en dildowinkels, met zijn zot Engels, met mij en zonder mij, met de televisie waar je vaak enkel het hoofd bij kan schudden, met zijn eiland dat het zijne niet is, met Inktkussen, met dieren die de pech hebben van hier te zijn (tenzij ze ook zeldzaam zijn), met zijn Olympische Spelen en een Muur, met het badminton en pluimvoetbal in de straat, met zijn brede glimlach en het onderhandelen, met de inefficiëntie en de piraterij en de scholieren die bedelen om te kunnen studeren, met de oudere achtbare collega in leren broek van het merk Playboy en de Chinese legermantels van verkleumde dagloners, China, met je gastvrijheid en je hypocrisie, je moordende politieke regime en je fantastisch lieve Chinezen, met Wang Lan Ying die ik nog graag nog zoveel meer... China: het is goed voor een keer.