Monday, July 18, 2005

the last post

En zo, waarde lezer, treffen wij elkaar voor het laatst op Chinese bodem. De volgende keer dat je me leest, zal ik in Gent geschreven hebben (het houdt dus nog niet op). Het is een lange dag geweest, ik zit in mijn rode hempie te zweten in een uitgestorven kantoor. Vanochtend mijn zus en Ingrid op het vliegtuig naar Zuid-China gezet, daarna beginnen inpakken en, toen het hopeloos bleek, een extra zak gaan kopen. Nog enkele brieven geschreven en op hoop van zege aan iemand meegegeven om naar het postkantoor te brengen. Opgeruimd.

Ik merk dat ik naar goede gewoonte op de zaken vooruitloop. We beginnen bij het begin: de aankomst van Cindy en Ingrid op Chinese bodem. Ze zijn tweemaal opgestegen vanuit Brussel, vertellen ze, want het vliegtuig keerde terug omdat een uitgewezen Albanees teveel amok maakte. Ik help hen in de luchthaven tickets kopen om later verder te vliegen. Mijn kaart van de Bank of China, zo beweert de trut van het ticketing office, kan niet gebruikt worden op haar machine, want er staat ‘American money’ op. Ik vraag in mijn beste Chinees waarom ze in godsnaam denkt dat op mijn Bank of China-card Amerikaans –ik ben geen Amerikaan- geld staat. Ze doet me een plezier en probeert toch eens mijn kaart. Die werkt uiteraard perfect.
Maar niet lang, want iemand –het is een Belgische- plooit mijn bankkaart. Dat is niet goed. Dat is helemaal niet goed. Vooral niet als ze nog twee weken door China willen sjokken en die kaart willen gebruiken.
Ik maak hen wakker met behulp van Rage against the machine nadat ze twaalf uur in bed hebben gelegen omdat ze anders nog meer zullen afzien van hun jet-lag. Ingrid: ‘Ik heb elk weekend jet-lag.’
Ikzelf ben dan al enkele uren op, want ik wist dat Wang Lan Ying me vroeg zou komen bezoeken. (Noot aan mezelf: ‘Bouke, vergeet niet hoe je haar zag lopen in het straatje en naar beneden ging om haar binnen te laten. Maar je liep haar mis en toen je na enkele minuten terug binnenkwam stond ze al, zoals afgesproken, aan je raam te fluisterroepen. Ze kon niet aanbellen want dan zouden je zus en Ingrid wakker worden. Vergeet niet hoe ze daar stond en jij stak je stomme kop door het raam en ze riep, fluisterend: ‘Bouke! Open the door! You foolish!’)
Ons dagje Dalian (de volgende dag) wordt dus ingekort, we brengen zevenhonderd vierendertig uur door in de bank om een nieuwe kaart te bemachtigen. (Aan de infobalie zit een ex-studente van me. Ik schreef op deze weblog ooit dat ik een verdachte zoen kreeg van een studente die op het randje van falen balanceerde. Gelukkig heb ik haar toen niet gefaald.) Zoals gewoonlijk zeggen ze eerst duizend keer dat het niet gaat en dat we naar een ander filiaal moeten, maar uiteindelijk gaat het natuurlijk toch. Stomme Chinezen.
Cindy vat het goed samen: het lijkt wel alsof ze alles altijd voor het eerst moeten doen.

Cindy en Ingrid worden voorgesteld aan een handvol van mijn studenten, ze krijgen geschenkjes. Maar ik steel ook enkele momenten voor mezelf en WLY. Ze wijst naar de blauwe hartjes in haar oren en vertelt: ‘Deze heb ik speciaal voor jou gekocht. Kijk, ik draag ook oogschaduw. Before you I didn’t.’
In ruil scheer ik me voor we de volgende dag naar Pulandian vertrekken. WLY heeft ‘s ochtends nog examen, dus wij bussen enkele uren vroeger naar het station om alvast tickets te bemachtigen. Ik toon de madam WLY’s geschreven vraag om tickets. ‘Gaat niet!’ krijgen we andermaal zeer stellig te horen, maar enkele minuten aandringen en wat onderling madammengekwebbel later kunnen we natuurlijk wel tickets kopen. Een jaar is toch echt niet voldoende om de Chinezen te doorgronden.
WLY leert Cindy in het station haar haar opsteken met twee stokjes. In ruil leren wij haar tot tien tellen in het Nederlands. Geweldig, ik heb het met mijn camera op video opgenomen: vvvvvvier...neeeehen...

Ik sta opnieuw in Pulandian. Geweldig! Twintig dagen geleden heeft het koebeest een kalf geworpen, ‘t is al een flink beest. Er lopen ook vijftien eendenkuikens rond en dikke kippen. Nu en dan komt ook een hondekuiken voorbijdrentelen en ook een klein katje. Ook het zotje, WLY’s achterlijke nicht, loopt er nog, ze heeft nog steeds dezelfde etensresten rond haar mond. Na vijf minuten sta ik al op een kistje op de kar om abrikozen te plukken die hoog in de boom hangen.
Ingrid en Cindy hebben verschillende soorten chocolade meegebracht. Bij het eerste pak dat wordt geopend klaagt vader dat hij tandpijn heeft. ‘Maar vind jij het dan toch een beetje lekker?’ vraag ik mama. Ze schudt beslist het hoofd. ‘Niet goed.’ De tweede smaak gaat er vlot in; baba blijkt plots zijn tandpijn verloren. De volgende dag zijn de vier pakken chocolade verslonden.

Uit de veren rond halfzes. Buiten zit Er pang (Dik Kind, haar koosnaampje) met een lepel aardappelen te schillen voor het ontbijt. Omdat haar moeder lui is, liggen het erf en huis er nogal vuil bij en wat erger is: kookt WLY driemaal per dag.
Pat pat pat doen de eendenpoten op het beton, terwijl ze nieuwsgierig binnenkijken in de keuken. Eendje bijt in mijn teen terwijl ik aardappelen schil met een glasscherf. WLY ziet er geweldig uit, ze steelt een kus van me terwijl haar moeder de dag alweer voor bekeken houdt en terug gaat slapen.

We maken met ons tweetjes een flinke wandeling: eerst ga ik de maïs inspecteren die ik hielp zaaien. Dan lopen we voorbij enkele graven de heuvels in. Terwijl een hoop zwarte mieren over ons heen kruipt, praten we over mijn mogelijke terugkeer, over de liefde, alleen wonen en met mensen samen wonen, haar droom om kledij-ontwerperij te studeren.
Alsof we geen kinderen meer zijn, praten we over de mogelijkheid samen naar het zuiden van China te trekken. ‘Je moet niet huilen, wo yong ni gaoxing.’

‘s Namiddags gaan we zwemmen. WLY’s moeder is toch echt in alles een groot kind. Terwijl de rest van de dorpers zich liever op het droge houdt, stort zij zich dolenthousiast op de grote rubberen band die ze meebracht. Later zie ik een wespennest en wil ze er een steen op gooien om dan snel in het water te springen. (En nog later speelt ze UNO, een kaartspel, met Ingrid en mijn zus en domineert ze door hard op tafel te slaan en de anderen op te jagen.)
Het meer is heerlijk: niet koud, geen andere zwemmers en een flinke portie WLY. Ze kan niet zo goed zwemmen, dus hangt ze in de rubberen band en peddelt ze een beetje in het rond. Dat neusje! Met dat zwarte haar en ronde gezicht in die band op het stille meer en de heuvels... ‘t Is een mooi zicht, ik jaag Ingrid uit het water om een foto te nemen.

De kippen op het dak en op elke mogelijke tak, de eendjes die in elk visnet en in elke draad verstrikt raken, het kalf dat zijn eigen poten niet weet te gebruiken, het blozen van de abrikozen, de meesjes, het meer aan het huis en de heuvels rond het meer en de bergen achter de heuvels, de stilte en het lome kruipen van de padden: dat is Wang Lan Ying.
WLY werkt enkele uren aan de dumplings, ik help een beetje. ‘s Avonds, tijdens UNO, wast ze buiten kleren en bestek; ik help een beetje.
Het slapen is lastig: alle mogelijke insecten behalve de kleine hebben zich verzameld in mijn kamer (de woonkamer, waar dus het licht de hele avond brandt.) Luide brulboeien, vaarzen, vlinders en vliegende herten zoemen en flapperen tegen alles aan. Toch word ik maar zo’n tiental keer gestoken. Die beesten willen natuurlijk zoet bloed en geen donkere gal, want ik val niet blij in slaap. Voor ik het licht uitknip, kijk ik naar de Chinese wereldkaart (waarop Europa niet in het midden ligt) en zie ik dat het land, de mens dus, als een uitgezaaide tumor op de aarde ligt. Ik snap niet waarom China niet gewoon naast Gent had kunnen liggen.

De volgende dag. We maken een ochtendwandeling en worden echt omsingeld door vlinders. Ik herhaal mijn restaurantzinnetje: ‘Bu chi rou, bu chi yu, bu chi lade.’ Ik eet geen vlees, vis of pikant. ‘Vlinders eten dat allemaal niet. Ze leven van de liefde. Daarom volgen ze ons en vliegen ze ook vaak in paartjes.’
Dat mag ook wel eens gezegd. (Kom, dan zijn we er meteen vanaf: ‘s avonds is het bewolkt en zien we de sterren niet. Ik zeg, het is niet omdat je ze niet meteen ziet, dat ze er niet zijn.)

In de namiddag stappen we enkele uren door de heuvels om twee Mao-petten te kopen voor mijn vrienden (describer, neen, het is December.) Ik maak een filmpje van haar. Net wanneer het erop staat, is mijn batterij leeg en valt het toestel uit.
Later, terwijl zij alweer in de keuken staat, gaan de Belgen zwemmen. Ik hang daar in het water, in de golfjes.

Alle mooie momenten hier hebben hun uitdagingen: ‘s avonds op de kang, terwijl Ingrid en Cindy kaarten tegen moeder, vertaalt ze een gedicht van haar voor me. Ik val ondertussen in slaap. Geleidelijk aan dekt ze me helemaal toe omdat ik opschrik wanneer een beest op me landt. Een laken over mijn benen. Stukje deken over mijn armen. Ik voel hoe ze een handdoek op mijn hals legt. Ik word helemaal ingepalmd.

De volgende ochtend. Vader is niet thuisgekomen. Wang Lan Ying wordt veroordeeld tot een moeder die geen klap doet in het huishouden, een vader die blijkbaar schaamteloos de hele nacht wegblijft en een halvegare die de mooiste momenten verstoort. Enkele uren voor we op de bus moeten, maken Wang Lan Ying en ik een laatste wandeling naar Onze heuveltop. Terwijl ze haar ziel blootlegt, staat haar nicht erboven te kwijlen, geeft WLY nu en dan een mep omdat ze niet begrijpt wat er gebeurt. Ik wil geen afscheid en het is ook niet het afscheid dat ik had gewild. Maar het wordt nog erger, want als we terug zijn, zegt WLY –‘t is een warhoofd- plots: we moeten er dringend vandoor. Ze had nochtans duidelijk gezegd dat de bus om 11.40 voorbij reed, dus dacht ik dat het goed zat als we om elf uur aan het kruispunt zaten, een eindje van het gehucht vandaan. Niet dus, ik snap er niets van, we gaan er snel vandoor. Aangekomen aan het kruispunt, met CDW en Ingrid in ons kielzog, slaat ze zich voor het hoofd: ‘Ik ben je cadeautje vergeten.’ Ze leent snel een fiets en gaat ervandoor. En wat had je gedacht, dan komt natuurlijk die bus er al aan. Maar het lijkt me niet de bus die ons naar Dalian zal brengen, ik vraag om even te wachten, de chauffeur biedt aan Wang Lan Ying op te halen. We komen aan bij haar huis, ze springt de bus in, ik stop snel iets –het cadeautje- in mijn rugzak. Kunnen we nu terug, vraag ik, we willen de juiste bus niet missen. Ze snapt het niet, met haar vergeetachtigheid altijd godverdomme... Ik wind me op. Ze vergeet al haar Engels, ik schakel over op Chinees: ‘We moeten nu snel terug.’
De echte bus staat er al. Ingrid en Cindy zijn erin geslaagd de chauffeur te doen wachten. Ik spring van de bus, stop haar wat geld in de handen (voor de chauffeur die me naar haar huis bracht), zeg dat ik haar graag zie, leg mijn vinger nog even op haar kin en stap dan op. De bus rijdt al en ik kijk door het raam, ze heeft een geel hemdje aan, haar haren en haar lach en haar glinsterende ogen en haar hand wapperen om het meest en toen was China voorbij.