gök 2 en alle Gentse sterren
Beste Luc,
Het is niet dat ik onbeleefd wil zijn, maar Beste meneer De Vos, jij voelt toch ook dat dat niet kan. Wij zijn toch allemaal sterren gelijk. Beste Luc dus,
Je hebt geen pint met ons gedronken gisteren en daar had je ongelijk in. Het ging over Dylan en dat die spaghetti kookte op zijn jacht, en over boeken en over seks (ben jij een ‘compatibele man’, Luc?) en over al wie er niet was.
‘Hij ziet zijn leven, de eeuwen gaan voorbij.’ Terwijl ik met je mee zit te zingen en de voorbije nacht hoor weerklinken in mijn stem, denk ik na over je populariteit:
Je bent het soort man dat ermee dweept dat hij altijd een schelmjongen blijft. Want jouw stem klinkt toch ook altijd alsof je wakker werd in het Volkshuis? Ik denk dat je er wel van houdt dat je haar zo vettig is.
Ik denk dat je het wel leuk vindt dat iedereen je kent; de man met wie je in het café zat te praten, leek het iets minder leuk te vinden hoe je mijn vriendinnen zat op te meten. Ben jij zo’n man die in een boekenhandel op het boekenmeisje toestapt en vraagt of ze een koffie met je wil drinken? Nee, ik geloof van niet, misschien ga je haar uitdagend staan aankijken, zo van: durf jij me uitvragen? Maar dat zijn vileine woorden, ik heb geen gegronde reden om zo kwaad over je te spreken.
Je forse omvang hoort niet, maar aan dat beeld zijn we ondertussen gewend en zelfs gehecht geraakt, zoals een satraap die zijn harem bezoekt eigenlijk ook een forse buik hoort te hebben, stevig ingesnoerd in zijn felgroene djellaba door een rode heupsjaal met twee kromzwaarden erin. Zoals jij je op je barkruk draaide om de nachtzijde van mijn feministische vriendin (niet zo een voor de vorm, maar met echte scherpe randjes, ze zou een goede en veeleisende moeder voor haar dochter zijn) te bestuderen, vreesde ik even dat jij heel Gent tot je harem waande, want iedereen kent je en iedereen houdt van Mia.
Je hebt onze tafel goed in de gaten gehouden, terecht overigens: E., wiens zeeën van lichtgeelzoetjesaanoranje haar ik hier al heb bezongen, die zo stil kan zitten luisteren, maar van wie elk woord raak is; E. die haar lief mist en we love her for it, want wij missen hem ook; E. die altijd het hoogste woord voert, zo’n kind dat op het verjaardagsfeestje van een ander bepaalt wat er gespeeld moet worden; H., hij gaat in een café werken, jullie kunnen vrienden worden, maar hij zal met je harem gaan lopen; B. en M., het is al veel te lang geleden dat ik hen had gezien, maar dat is werkelijk onterecht en toen ze biljartten ging je met hen praten en mij liet je aan mijn lot over; E., maar haar heb je al in detail bestudeerd en ik kan het je niet kwalijk nemen; S., die het leukst gekleed ging, ze wist alles en nog meer over boeken.
Het zijn veelal historici, Luc, dat zijn tragische mensen want ze zoeken naar wat al voorbij is, en ze beweerden stellig dat er van ‘wijn op bier geeft plezier’ en ‘bier op wijn geeft venijn’ niks aan is, dat die zinnetjes enkel een uiting zijn van de minachting van het volk van stand (dat wijn drinkt) voor het bier van de loners, geschonken in lokalen zoals datgene waar wij gisteren vrolijk bier en wijn door elkaar en binnen sloegen.
Toch had ik het gevoel dat ik boven mijn stand leefde; van de kostprijs van zo’n pint kan ik in China drie keer eten, acht keer als ik het restaurant goed kies. Ook dat vind ik een beetje tragisch.
Luc, wat ik zeggen wou: ik ken maar twee liedjes van je en dat spijt me, maar als jij belooft dat je, voor je je hoofd te rusten legt, nog een derde klassieker schrijft, dan beloof ik je alles wat een loner zonder harem kan beloven aan een schelm van stand.
Het is niet dat ik onbeleefd wil zijn, maar Beste meneer De Vos, jij voelt toch ook dat dat niet kan. Wij zijn toch allemaal sterren gelijk. Beste Luc dus,
Je hebt geen pint met ons gedronken gisteren en daar had je ongelijk in. Het ging over Dylan en dat die spaghetti kookte op zijn jacht, en over boeken en over seks (ben jij een ‘compatibele man’, Luc?) en over al wie er niet was.
‘Hij ziet zijn leven, de eeuwen gaan voorbij.’ Terwijl ik met je mee zit te zingen en de voorbije nacht hoor weerklinken in mijn stem, denk ik na over je populariteit:
Je bent het soort man dat ermee dweept dat hij altijd een schelmjongen blijft. Want jouw stem klinkt toch ook altijd alsof je wakker werd in het Volkshuis? Ik denk dat je er wel van houdt dat je haar zo vettig is.
Ik denk dat je het wel leuk vindt dat iedereen je kent; de man met wie je in het café zat te praten, leek het iets minder leuk te vinden hoe je mijn vriendinnen zat op te meten. Ben jij zo’n man die in een boekenhandel op het boekenmeisje toestapt en vraagt of ze een koffie met je wil drinken? Nee, ik geloof van niet, misschien ga je haar uitdagend staan aankijken, zo van: durf jij me uitvragen? Maar dat zijn vileine woorden, ik heb geen gegronde reden om zo kwaad over je te spreken.
Je forse omvang hoort niet, maar aan dat beeld zijn we ondertussen gewend en zelfs gehecht geraakt, zoals een satraap die zijn harem bezoekt eigenlijk ook een forse buik hoort te hebben, stevig ingesnoerd in zijn felgroene djellaba door een rode heupsjaal met twee kromzwaarden erin. Zoals jij je op je barkruk draaide om de nachtzijde van mijn feministische vriendin (niet zo een voor de vorm, maar met echte scherpe randjes, ze zou een goede en veeleisende moeder voor haar dochter zijn) te bestuderen, vreesde ik even dat jij heel Gent tot je harem waande, want iedereen kent je en iedereen houdt van Mia.
Je hebt onze tafel goed in de gaten gehouden, terecht overigens: E., wiens zeeën van lichtgeelzoetjesaanoranje haar ik hier al heb bezongen, die zo stil kan zitten luisteren, maar van wie elk woord raak is; E. die haar lief mist en we love her for it, want wij missen hem ook; E. die altijd het hoogste woord voert, zo’n kind dat op het verjaardagsfeestje van een ander bepaalt wat er gespeeld moet worden; H., hij gaat in een café werken, jullie kunnen vrienden worden, maar hij zal met je harem gaan lopen; B. en M., het is al veel te lang geleden dat ik hen had gezien, maar dat is werkelijk onterecht en toen ze biljartten ging je met hen praten en mij liet je aan mijn lot over; E., maar haar heb je al in detail bestudeerd en ik kan het je niet kwalijk nemen; S., die het leukst gekleed ging, ze wist alles en nog meer over boeken.
Het zijn veelal historici, Luc, dat zijn tragische mensen want ze zoeken naar wat al voorbij is, en ze beweerden stellig dat er van ‘wijn op bier geeft plezier’ en ‘bier op wijn geeft venijn’ niks aan is, dat die zinnetjes enkel een uiting zijn van de minachting van het volk van stand (dat wijn drinkt) voor het bier van de loners, geschonken in lokalen zoals datgene waar wij gisteren vrolijk bier en wijn door elkaar en binnen sloegen.
Toch had ik het gevoel dat ik boven mijn stand leefde; van de kostprijs van zo’n pint kan ik in China drie keer eten, acht keer als ik het restaurant goed kies. Ook dat vind ik een beetje tragisch.
Luc, wat ik zeggen wou: ik ken maar twee liedjes van je en dat spijt me, maar als jij belooft dat je, voor je je hoofd te rusten legt, nog een derde klassieker schrijft, dan beloof ik je alles wat een loner zonder harem kan beloven aan een schelm van stand.

<< Home