Wednesday, August 17, 2005

notities voor een andere jeugd

Ik hou er wel van om door Gent te zwerven, meestal ’s avonds, als ik niet het gevoel heb nog iets van kwaliteit op computer te kunnen zetten.

Gisteren liep ik een vriendin tegen het lijf die me op de hoek van de straat vertelde dat doedelzakken eigenlijk op maat gebouwd worden. Als je bijvoorbeeld hele grote borsten hebt, dan zal je doedelzak dunner en langer zijn. Kennis is leuk (zie verder).

Van Eyck. Een man blaft tegen zijn hond, zo’n kerel die het voor zijn ego beschamend vindt als zijn hond niet meteen elk bevel uitvoert. Ik begrijp niet waarom je met je hond gaat wandelen om dat beest vervolgens om de drie tegels te laten zitten; het beest begreep het duidelijk ook niet.
Dat dat allemaal zomaar huisdieren mag hebben, om van kinderen nog te zwijgen. Je wil je niet voorstellen wat achter al die gevels gebeurt.
(Kleine historische uitwijding: in ’14-’18 had Hitler een hond in de loopgraven. Als die niet meteen deed wat hij wilde, ranselde hij het dier af, zo erg dat zijn medesoldaten er wat van zeiden.)

Ter hoogte van de jachthaven die Gent nu blijkbaar heeft –het havenaspect doet me niks, maar ’t lijkt me leuk om in de zomer op die trapjes te zitten- sta ik plots voor mijn middelbare school, het (terecht) trotse Sint-Lievenscollege. De niet voor leerlingen bedoelde poort waar ik ’s middags moest aanbellen als ik –het schoolreglement brekend- de middag in de Slegte had doorgebracht en de tijd uit het oog verloren was. Kijk, dat ging zo: een broodje gezond van bij ’t Smulderke kostte 50 frank, 80 voor een groot broodje, geloof ik. Die van 80 kocht ik nooit, want die kon je niet eten terwijl je stapte, tenzij je groente over je kleren modieus vond. Maar ook die van 50 sloeg ik soms over, en met het geld dat ik op die manier uit mijn mond spaarde, kon ik boeken kopen. Zulke heerlijke jongens waren wij toen, want ik had toen een vriend, een partner in crime, maar hij hield van Reve en ik van Mulisch.

Ik ging niet elke middag naar buiten: soms leek het me handiger om met enkele anderen huiswerk te maken en soms regende het te hard. In de straat naast die met de poort zie je de ramen van de eetzaal, waar ’s middags opzicht werd gehouden door iemand die door niemand werd gerespecteerd maar wel door velen gevreesd, al zou je het aan zijn bijnaam niet zeggen. Pipo was een klein mannetje met een kale ronde kop en een achterdochtige, domme blik. Om het in de refter een beetje rustig te houden vond hij er niets beter op dan af en toe lukraak een eerstejaars uit te kiezen, die een flinke mep te geven en vervolgens met veel misbaar buiten te zetten. Nog triester dan die mep vond ik te zien hoe dat kind dan een nog grotendeels vol bord moest leegkappen. Daar hadden zijn moeder en vader wel voor betaald. Geen aardige man, die Pipo, geen knip voor de vingers waard als opvoeder; een beetje als die kerel met zijn hond. Pipo woont aan de Zuid, voor wie nog een rekening met hem te vereffenen heeft.

School was vreselijk vanaf het tweede middelbaar, toen ik plots geen zin meer had om nog te studeren, maar –’t zal wel vreemd klinken- aan de leerkrachten lag dat meestal niet. Er waren onvoorstelbare schoften bij (met stip op een: mijn klastitularis uit het derde jaar, daarover zal ik het later nog wel eens hebben), maar die waren uitzonderlijk: over het algemeen was het daar een bijzonder degelijk en gevarieerd lerarenkorps. Met gevarieerd bedoel ik dat die mannen (er liepen ook enkele vrouwen, maar ik heb er maar twee gekend die als lerares wat voorstelden) elkaar tegenspraken over actuele thema’s enzo, dat was natuurlijk razend interessant: waarom zijn die twee intelligente mensen het niet met elkaar eens?

Goed, je had wel het gezever dat je als scholier centraal stelt: de verboden oorpiercings (‘Doe ze nu uit, Bouke.’ ‘Ja, ik doe het meteen.’ ‘Nee, nu!’), de schoolagenda die je aan het einde van het schooljaar moest overschrijven wegens te slordig, de toetsen, het zo weinig mogelijk bijleren van leerkrachten die je niet leuk vond... Ik zei het al: school was natuurlijk vreselijk. Als je de wereld ziet ten onder gaan, heb je niet zoveel interesse voor semi-deponente werkwoorden of integralen of waarom je geen punaises door je balpen mag duwen. Volgens mij hebben jongeren nog niet leren relativeren, wat overigens niet te verwarren valt met de onverschilligheid waar zoveel volwassenen trots op zijn.

Zie je, daarom hou ik ervan om door Gent te zwerven: ik kom mezelf overal tegen: aan schoolpoorten, in de Slegte, op bankjes in het park, langs het kot van deze of gene...

Maar om het nog even af te maken (hoewel, ik vond dit een leuk stukje om te maken: ik moet eens wat meer schrijven over mijn schooltijd): school was vreselijk en de literatuur bracht redding. (Een beetje teveel redding, want ik heb jarenlang teveel gelezen en te weinig mensen gezien en dat merk ik nu nog.) De literatuur en kennis, dat is twee. Zodra je ontdekt dat het natuurlijk gewoon leuker is om iets te weten dan om niets te weten, kan je die flauwekul van toetsen (‘Neem een blad papier’ was het signaal voor onvoorstelbaar gezucht in de klas, gezucht en wanhopige protesten) en examens achter je laten.
Bij mij kwam dat omhelzen van kennis halfweg de vierdes, toen ik het me enorm ging beklagen dat ik geen Grieks studeerde, omdat ik dan enkel Latijn had van meneer Coppenolle, misschien wel de meest fantastische mens aller tijden. Maar daar is aan verholpen: ik heb dan een zomer Grieks geblokt; mijn partner in crime was een genie inzake klassieke talen en ik vrijde toen ook met zijn zus, dus zo’n vreselijke zomer was het niet. Ik weet nog dat er tijdens het speciaal toelatingsexamen een klein spinnetje uit mijn haar kwam kruipen. Ik had toen heel erg vreemd haar. Ik had toen nog haar.

Anyway, op het einde van de zesdes was het zo erg dat ik zelfs chemie en fysica leuk vond (alleen Lichamelijke en Muzikale Opvoeding bleven tot het einde een verschrikking). Ik wist dus niet wat ik moest gaan studeren, want ik vond alles leuk en had geen zin in specialisatie, nog steeds niet trouwens. Germaanse zat wel in mijn hoofd, maar literatuur bestuderen, dat klinkt ook maar vies (‘Is het ook,’ zei mijn vaders lief, dat toen nog literatuur studeerde). Omdat we een heerlijke leraar godsdienst hadden, overigens weggepest door leerlingen die dat niet begrepen, wilde ik eigenlijk bijbelwetenschappen gaan studeren in Leuven. Maar het is volstrekt het tegenovergestelde geworden: ik ben voor het gemak een vriend gevolgd, en geschiedenis in Gent is een ticket naar alles wat niet hoort. Dat vertel ik nog wel eens als ik door dat stuk Gent zwerf.