I went to the woods...
Oh captain, my captain,
Het is alweer enkele jaren geleden dat ik u schreef. Ik meen me vaag te herinneren dat het geleden is van mijn tweede kandidatuur, maar ik kan er flink naast zitten. Ik zou natuurlijk in mijn brievenmappen kunnen opzoeken wanneer u me voor het laatst schreef (want u antwoordde àltijd, na enkele bedachtzame weken) maar als ik daaraan begin, is het weer uren later voor ik opkijk uit mijn dozen verzamelpapier en me herinner waarom ik in die mappen moest zijn. Want ik begin dan toch maar te lezen in wat al die vergeten mensen die ooit de belangrijkste waren, me toevertrouwden. Of ze zijn niet allemaal vergeten (anders zou ik u niet schrijven), van mijn vader bijvoorbeeld heb ik nogal wat, die woonde dan ook vaak in het buitenland, of toch minstens niet thuis.
Waar ben ik nu? Wel, thuis. Op de nok van het dak tegenover me ligt een poes te slapen onder een overhellende bruidssluierplant. Thuis is Gent, vrij dicht bij school, ja, ik heb het niet ver geschopt. Ik schrijf dit op de computer en bij dat feit moeten we even stil blijven staan.
U heeft eens verteld hoe dat bij u ging, die eerste computer. U kon –wat zeg ik: kan- goed vertellen, enkele gerichte bewegingen kluisterden ons aan u vast. U had al zoveel gehoord over die fantastische sprong voorwaarts, de computer. Dus op een dag had u er ook een gekocht: ‘Ik haalde hem uit de doos en zette hem aan. Dan kreeg je zo’n blauw scherm te zien... Ik heb een tijdje naar dat blauw scherm zitten staren en toen heb ik ‘m terug in de doos gestopt.’
Het is een van de mooiste verhalen die ik in mijn schooltijd heb gehoord. U besloot met deze woorden: ‘Laten jullie het me weten wanneer ik echt een computer nodig heb? Dan koop ik er weer eens een.’
Ik zal niet zeggen dat het echt nodig is, maar als u mijn brief wil lezen, moet u wel even naar deze ‘site’ ‘surfen’ (deze alinea stuur ik, uit welwillendheid, nog gewoon naar uw thuisadres, dat ik altijd heb bewaard): http://inktkussen.blogspot.com. Maar ik heb wel graag dat u antwoordt in een echte handgeschreven brief, ik vind het zo triest dat die niet meer bestaan en pleit zelf ook schuldig.
Een blogspot is een soort internet-dagboek, dat dus iedereen kan lezen. Een beetje vreemde combinatie, als je erover nadenkt: aan een dagboek word je toch eigenlijk verondersteld hoogstpersoonlijke zaken toe te vertrouwen? Maar dan heeft u niet genoeg tv (televisie) gekeken om op te merken dat mensen niet langer gesteld zijn op privacy. Want privacy maakt niet interessant of beroemd, en dat laatste is natuurlijk wat iedereen wil. Daarom leven, beminnen, ruziën, kotsen, trouwen en sterven mensen op televisie en schrijven ze op het internet.
Misschien voelt u zich nu tekortgedaan dat ik niet gewoon een brief naar u, naar u alleen, stuurde. Ik kan enkele goede redenen verzinnen waarom ik het toch op deze manier doe, maar uiteindelijk blijft u zitten met het gevoel beroofd te zijn van de exclusiviteit waar een geadresseerde recht op heeft. Bedenk dan dat het nog altijd gewoon een brief is van mij -niemand anders- aan u -en niemand anders.
Ik ben dus thuis. Het lijkt misschien vreemd dat ik dat zo uitdrukkelijk kom te vermelden. Dat komt omwille van mijn werk. Na mijn studies geschiedenis (min of meer graag gedaan en min of meer bevredigd beëindigd) heb ik werk gezocht. De eerste keer vond ik werk in Tsjechië, maar kreeg ik, na enkele blijde weken van reikhalzend uitkijken naar vertrekdatum, te horen dat het feest niet doorging omdat de kwestieuze –door Europa gesponsorde- ngo in financiële problemen was geraakt. De tweede keer vond ik werk in Londen, al zou ik van thuis uit gewerkt hebben. Daar liep het mis omdat de organisatie, nochtans ’s werelds grootste in haar branche, geen behoorlijk loon wilde uitbetalen. De derde keer was de goede keer: ik vond werk in China, waar ik een jaar lang uw job uitoefende. Engels. Ik wil daar graag aan toevoegen dat mijn Engels erop is vooruitgegaan sinds het vijfde middelbaar.
Over dat China-avontuur kan u op deze website heel wat lezen. Niet alles natuurlijk, zo zijn dagboeken, maar wel veel.
Dat was een lastig jaar, dat werklozenjaar. Ik heb besloten nooit meer werkloos te zijn; dus nu, terug uit China, heb ik mezelf werk gegeven, het loont niet, maar wel de moeite: ik ben bezig met mijn familiegeschiedenis en het is, als u me toestaat jongerentaal te gebruiken, de max.
Eenzaam werk, dat wel. Je zit achter je computer en schuift met stukjes tekst, of je ploegt door de meest duffe teksten op zoek naar een naam of datum. Ik heb al vaak gevloekt dat ik dit niet als thesis heb gedaan.
Toch, het is een plezante job en het houdt me even zoet. En daarna? Dat is een goede vraag, het antwoord is nog onduidelijk. Er zijn drie mogelijkheden: ik blijf thuis; ik ga terug naar mijn school in Dalian; ik trek naar elders in de wereld. Op lastige dagen wil ik geen van de drie. Op nog lastiger dagen wil ik alledrie. Andere dagen zijn er niet echt, maar ik weet ze gelukkig te vullen.
Ongelukkig ben ik dus niet want het is ook wel leuk op een loopplank te leven: carpe diem, zoals die dode dichter al zei. Ik groet u, my captain,
Bouke
Het is alweer enkele jaren geleden dat ik u schreef. Ik meen me vaag te herinneren dat het geleden is van mijn tweede kandidatuur, maar ik kan er flink naast zitten. Ik zou natuurlijk in mijn brievenmappen kunnen opzoeken wanneer u me voor het laatst schreef (want u antwoordde àltijd, na enkele bedachtzame weken) maar als ik daaraan begin, is het weer uren later voor ik opkijk uit mijn dozen verzamelpapier en me herinner waarom ik in die mappen moest zijn. Want ik begin dan toch maar te lezen in wat al die vergeten mensen die ooit de belangrijkste waren, me toevertrouwden. Of ze zijn niet allemaal vergeten (anders zou ik u niet schrijven), van mijn vader bijvoorbeeld heb ik nogal wat, die woonde dan ook vaak in het buitenland, of toch minstens niet thuis.
Waar ben ik nu? Wel, thuis. Op de nok van het dak tegenover me ligt een poes te slapen onder een overhellende bruidssluierplant. Thuis is Gent, vrij dicht bij school, ja, ik heb het niet ver geschopt. Ik schrijf dit op de computer en bij dat feit moeten we even stil blijven staan.
U heeft eens verteld hoe dat bij u ging, die eerste computer. U kon –wat zeg ik: kan- goed vertellen, enkele gerichte bewegingen kluisterden ons aan u vast. U had al zoveel gehoord over die fantastische sprong voorwaarts, de computer. Dus op een dag had u er ook een gekocht: ‘Ik haalde hem uit de doos en zette hem aan. Dan kreeg je zo’n blauw scherm te zien... Ik heb een tijdje naar dat blauw scherm zitten staren en toen heb ik ‘m terug in de doos gestopt.’
Het is een van de mooiste verhalen die ik in mijn schooltijd heb gehoord. U besloot met deze woorden: ‘Laten jullie het me weten wanneer ik echt een computer nodig heb? Dan koop ik er weer eens een.’
Ik zal niet zeggen dat het echt nodig is, maar als u mijn brief wil lezen, moet u wel even naar deze ‘site’ ‘surfen’ (deze alinea stuur ik, uit welwillendheid, nog gewoon naar uw thuisadres, dat ik altijd heb bewaard): http://inktkussen.blogspot.com. Maar ik heb wel graag dat u antwoordt in een echte handgeschreven brief, ik vind het zo triest dat die niet meer bestaan en pleit zelf ook schuldig.
Een blogspot is een soort internet-dagboek, dat dus iedereen kan lezen. Een beetje vreemde combinatie, als je erover nadenkt: aan een dagboek word je toch eigenlijk verondersteld hoogstpersoonlijke zaken toe te vertrouwen? Maar dan heeft u niet genoeg tv (televisie) gekeken om op te merken dat mensen niet langer gesteld zijn op privacy. Want privacy maakt niet interessant of beroemd, en dat laatste is natuurlijk wat iedereen wil. Daarom leven, beminnen, ruziën, kotsen, trouwen en sterven mensen op televisie en schrijven ze op het internet.
Misschien voelt u zich nu tekortgedaan dat ik niet gewoon een brief naar u, naar u alleen, stuurde. Ik kan enkele goede redenen verzinnen waarom ik het toch op deze manier doe, maar uiteindelijk blijft u zitten met het gevoel beroofd te zijn van de exclusiviteit waar een geadresseerde recht op heeft. Bedenk dan dat het nog altijd gewoon een brief is van mij -niemand anders- aan u -en niemand anders.
Ik ben dus thuis. Het lijkt misschien vreemd dat ik dat zo uitdrukkelijk kom te vermelden. Dat komt omwille van mijn werk. Na mijn studies geschiedenis (min of meer graag gedaan en min of meer bevredigd beëindigd) heb ik werk gezocht. De eerste keer vond ik werk in Tsjechië, maar kreeg ik, na enkele blijde weken van reikhalzend uitkijken naar vertrekdatum, te horen dat het feest niet doorging omdat de kwestieuze –door Europa gesponsorde- ngo in financiële problemen was geraakt. De tweede keer vond ik werk in Londen, al zou ik van thuis uit gewerkt hebben. Daar liep het mis omdat de organisatie, nochtans ’s werelds grootste in haar branche, geen behoorlijk loon wilde uitbetalen. De derde keer was de goede keer: ik vond werk in China, waar ik een jaar lang uw job uitoefende. Engels. Ik wil daar graag aan toevoegen dat mijn Engels erop is vooruitgegaan sinds het vijfde middelbaar.
Over dat China-avontuur kan u op deze website heel wat lezen. Niet alles natuurlijk, zo zijn dagboeken, maar wel veel.
Dat was een lastig jaar, dat werklozenjaar. Ik heb besloten nooit meer werkloos te zijn; dus nu, terug uit China, heb ik mezelf werk gegeven, het loont niet, maar wel de moeite: ik ben bezig met mijn familiegeschiedenis en het is, als u me toestaat jongerentaal te gebruiken, de max.
Eenzaam werk, dat wel. Je zit achter je computer en schuift met stukjes tekst, of je ploegt door de meest duffe teksten op zoek naar een naam of datum. Ik heb al vaak gevloekt dat ik dit niet als thesis heb gedaan.
Toch, het is een plezante job en het houdt me even zoet. En daarna? Dat is een goede vraag, het antwoord is nog onduidelijk. Er zijn drie mogelijkheden: ik blijf thuis; ik ga terug naar mijn school in Dalian; ik trek naar elders in de wereld. Op lastige dagen wil ik geen van de drie. Op nog lastiger dagen wil ik alledrie. Andere dagen zijn er niet echt, maar ik weet ze gelukkig te vullen.
Ongelukkig ben ik dus niet want het is ook wel leuk op een loopplank te leven: carpe diem, zoals die dode dichter al zei. Ik groet u, my captain,
Bouke

<< Home