prikkeltoneel
Dit jaar verjaar ik twee weken vroeger. Vader vertrekt volgende week naar het buitenland, vandaar.
Eigenlijk heb ik het niet zo voor verjaren. Dat komt door de aboriginals, die in Australië wonen en waar ik als kind bijgevolg dol op was (net als op ’s werelds grootste kei of koalabeertjes of The Flying Doctors; alles behalve vegemite, Australië’s favoriete toespijs die als rubber smaakt). In een boek las ik dat die aboriginals geen verjaardagen vieren, maar een feest geven wanneer ze van zichzelf vinden een beter mens geworden te zijn. ‘Hou jij het maar bij verjaardagen,’ schampert mijn zus dan.
Je wil zeker weten wat ik gekregen heb. Shampoo van mijn zus, want zij vindt altijd van die leuke geurtjes. Mijn vader wrijft spontaan wat van dat sensuele vanillegoedje in zijn handen; en dat vlak voor hij naar de kerk moet. Wij hebben een beetje een rare familie.
Van mijn moeder krijg ik vuilniszakken en een boek, hou je vast: ‘Handboekje voor de Katholieke Man’, de dato 1948. Een klein citaatje:
‘...en komt men heel licht tot dingen, die nadelig en zondig, of op zijn minst opgeschroefd, potsierlijk en onnatuurlijk zijn en daarom zichzelf wreken door onvoldaanheid, hartzeer en walging. We bedoelen hier overdreven sport en modedwaasheden, alcoholpret en kroegvermaken, gepeperde romans en prikkeltoneel met alles wat daaruit pleegt voort te vloeien.’
En dan citeer ik nog niet eens over de ‘voortbrengingsdaad’ of over de moderne roman als de verheerlijking van alle zonden of over 'moderne praktijken' (masturbatie).
De Kerk is toch eigenlijk wel een geestige bron van vermaak. Of om de priester van gisteren te citeren: ‘Mensen zijn niet allemaal hetzelfde. Soms ziet gij d’er een uit Azië lopen, awel, dat is dan ne gelen. En een uit Afrika, wel, die ziet dan zwart.’ Geel, zwart... Maar in mijn hoofd denk ik aan bruin en wit, want voor mijn verjaardag krijg ik van mijn tante altijd een wit brood, dat is een traditie, omdat wij vroeger thuis enkel bruin brood aten.
Ondertussen kan ik met enige trots melden twee privé-leerkrachten Chinees gevonden te hebben. In ruil leer ik hen Nederlands. Een van hen wou graag strips lezen: ‘Do you have Suske and Whiskey?’ Bijzonder aangenaam om zo’n beetje China in huis te halen. Maar pas op, ’t zijn geen daaskoppen: ze zijn allebei aan hun doctoraat aan het werken, hij inzake financieel recht, zij omtrent informatiemanagement. Misschien moet ik haar eens vragen hoe ik de stortvloed aan gegevens over mijn familiegeschiedenis kan beheren.
‘Ik vind de grond hier zo hard.’ Een vriend komt terug uit Congo en beklaagt zich over de Gentse straten die niet van aangestampte aarde zijn. Hij vertelt over heerlijk kleine banaantjes en over bussen met eigennamen, over een chaotisch nationaal luchthaventje en over motorcrossen door Kinshasa.
Mmm, banaantjes. Ik zou wel weer eens elders willen zijn. Maar ja, aldus sprak reeds de Engel tot de jeugdige Tobias: ‘Zij, die enkel hun zinnelijke lusten willen bevredigen, geven aan de boze vijand de heerschappij in hun hart.’
Eigenlijk heb ik het niet zo voor verjaren. Dat komt door de aboriginals, die in Australië wonen en waar ik als kind bijgevolg dol op was (net als op ’s werelds grootste kei of koalabeertjes of The Flying Doctors; alles behalve vegemite, Australië’s favoriete toespijs die als rubber smaakt). In een boek las ik dat die aboriginals geen verjaardagen vieren, maar een feest geven wanneer ze van zichzelf vinden een beter mens geworden te zijn. ‘Hou jij het maar bij verjaardagen,’ schampert mijn zus dan.
Je wil zeker weten wat ik gekregen heb. Shampoo van mijn zus, want zij vindt altijd van die leuke geurtjes. Mijn vader wrijft spontaan wat van dat sensuele vanillegoedje in zijn handen; en dat vlak voor hij naar de kerk moet. Wij hebben een beetje een rare familie.
Van mijn moeder krijg ik vuilniszakken en een boek, hou je vast: ‘Handboekje voor de Katholieke Man’, de dato 1948. Een klein citaatje:
‘...en komt men heel licht tot dingen, die nadelig en zondig, of op zijn minst opgeschroefd, potsierlijk en onnatuurlijk zijn en daarom zichzelf wreken door onvoldaanheid, hartzeer en walging. We bedoelen hier overdreven sport en modedwaasheden, alcoholpret en kroegvermaken, gepeperde romans en prikkeltoneel met alles wat daaruit pleegt voort te vloeien.’
En dan citeer ik nog niet eens over de ‘voortbrengingsdaad’ of over de moderne roman als de verheerlijking van alle zonden of over 'moderne praktijken' (masturbatie).
De Kerk is toch eigenlijk wel een geestige bron van vermaak. Of om de priester van gisteren te citeren: ‘Mensen zijn niet allemaal hetzelfde. Soms ziet gij d’er een uit Azië lopen, awel, dat is dan ne gelen. En een uit Afrika, wel, die ziet dan zwart.’ Geel, zwart... Maar in mijn hoofd denk ik aan bruin en wit, want voor mijn verjaardag krijg ik van mijn tante altijd een wit brood, dat is een traditie, omdat wij vroeger thuis enkel bruin brood aten.
Ondertussen kan ik met enige trots melden twee privé-leerkrachten Chinees gevonden te hebben. In ruil leer ik hen Nederlands. Een van hen wou graag strips lezen: ‘Do you have Suske and Whiskey?’ Bijzonder aangenaam om zo’n beetje China in huis te halen. Maar pas op, ’t zijn geen daaskoppen: ze zijn allebei aan hun doctoraat aan het werken, hij inzake financieel recht, zij omtrent informatiemanagement. Misschien moet ik haar eens vragen hoe ik de stortvloed aan gegevens over mijn familiegeschiedenis kan beheren.
‘Ik vind de grond hier zo hard.’ Een vriend komt terug uit Congo en beklaagt zich over de Gentse straten die niet van aangestampte aarde zijn. Hij vertelt over heerlijk kleine banaantjes en over bussen met eigennamen, over een chaotisch nationaal luchthaventje en over motorcrossen door Kinshasa.
Mmm, banaantjes. Ik zou wel weer eens elders willen zijn. Maar ja, aldus sprak reeds de Engel tot de jeugdige Tobias: ‘Zij, die enkel hun zinnelijke lusten willen bevredigen, geven aan de boze vijand de heerschappij in hun hart.’

<< Home