Sunday, April 08, 2007

een muur van beton

S.,

Gisteren viel ik door de tijd. ’t Was geen madeleinekoekje dat daarvoor zorgde, maar geografie. Ik was met vrienden –maar meer dan vrienden- naar Cap Blanc-Nez gereden en
Het was zomer 1997 of zoiets, jij was net geslaagd voor je herexamen wiskunde en we waren verliefd.
Je ouders hadden zich er toen al mee verzoend dat we een koppel waren, ze hadden ook niet echt te kiezen. En dus hadden ze mij ook uitgenodigd in een vakantiehuisje ergens aan de Belgische kust, waar je moeder geweldig kookte, je vader zijn buik liet verbranden tot hij dieprood zag –wat volgens je moeder goed voor hem was- en je broer boeken las en naar zijn death- of was het black-metal luisterde. En wij dus verliefd waren, wat ook wel dagen vulde.
We waren naar Cap Blanc-Nez gereden. Je ouders gingen de rechterkant op, waar behalve ’t lelijke Calais niets te zien was, maar ze hadden waarschijnlijk niet zo heel veel zin om te wandelen. Misschien zouden ze wel een nummertje gaan maken in de bosjes, al vond je moeder dat waarschijnlijk ça ne se fait pas. Je broer bleef in de wagen zitten, waar hij zijn boeken kon lezen en naar zijn death- of was het black-metal luisteren.
Wij liepen zuidwaarts naar Cap Gris-Nez. Je droeg je paarse modellenkleed waar je lichaam in paste als heuvels in Frankrijk. Ik weet niet meer of we op het reglementaire pad liepen, een paar meter van de klifrand, dan wel achter de draad met allerlei verbods- en waarschuwingsborden. Waarschijnlijk het laatste, ik was toen nog niet zo’n fascist; hoewel jij er anders leek over te denken nadat ik het in juli ’99 uitmaakte omdat, omdat, wel, omdat het lang genoeg had geduurd verdomme en omdat ik naar de unief ging.
Er stond een bunker, volop begroeid met doorndingen en boven het trapgat stond prikkeldraad waar we handig onder kropen. We daalden een trapje af en stonden toen in een betonnen cel, het was er niet donker en niet licht, want door een kijkgat viel het zicht op de zee en de geallieerden. Ik stond achter je en beschreef je oor die scène van The Longest Day waarin een mof vanuit zijn bunker naar het water staat te turen en plots de zwarte stippen ziet die alles anders zullen maken. Ik stond dus achter je, je was bezorgd om je kleed, in een of ander delicaat stofje, en het contact met de vuile stenen, dus je hield je armen tegen de muur en liet me maar doen om al die paarse stof van je voeten tot je buik te krijgen en ik weet ook nog dat ik me nadien afvroeg of de Duitsers ooit hun bunker daarvoor gebruikt hadden. We kwamen klaar met zicht op zee en
Gisteren stond ik dus weer in die bunker. Het was ongeveer tien jaar later en er hing nog steeds prikkeldraad en er kwamen, net als toen, argwanende mensen voorbij die niet weten waarvoor een bunker dient. Ik kroop opnieuw onder de prikkeldraad en daalde opnieuw het smalle trapje af en stond opnieuw in de kleine bunker. De zon scheel fel in mijn gezicht, want de muur die boven de klif hing en waarin het kijkgat had gezeten, de muur waartegen jij je handen had gelegd, was in de afgrond gedonderd.
Ik stond daar met in mijn ogen tegelijk het zicht op zee en een zoveel mooiere betonnen muur. Ik was twee mensen tegelijk, dat jong van tien jaar geleden en ’t kind dat ik vandaag ben en er bleek veel veranderd, maar ik voel me nog altijd trouw aan die ik van toen, want als ik er de kans toe krijg, wil ik een vrouw nog ste -anyway, ik heb een bunker overleefd, dat kan niet iedereen zeggen.