Tuesday, January 23, 2007

Mohammed

In het huis is de kamer. In de kamer zit het kind, en ook de man. In het kind is het oorlog, want de man is in de kamer en leest zijn krant.
Het is warm in de kamer, en het kind voelt de naalden prikken in zijn huid, alsof naast hem een zeer kalme en onzichtbare beul met grote precisie zijn werk doet. Het is stil, op het branden van het hout na, en het kind verbeeldt zich de rustige en onbezorgde adem van de man te horen, en stikt van woede. Het is stil in de kamer, zoals ook op het slagveld na de strijd een stilte neerdaalt, zodat de achtergebleven gewonden denken dat ook zij dood zijn.
Maar in de kamer is de strijd nog volop aan de gang. Wie door het raam binnen keek, zou niet alleen het bloemenperkje onder het raam verwoesten, maar ook twee mensen zien in een erg gezellige kamer. De kamer is vol zachte kleuren, op de houten tafel staan bloemen in een vaas en er liggen kranten. Naast het vuur dat hij heeft aangestoken zit de man te genieten van de warmte, de krant, zijn rustige leven. In de andere zetel zit het kind en het leest zijn boek.
Maar het is niet stil in de kamer. Er woedt oorlog en dingen gaan kapot.

Uit de keuken komen de geluiden van de moeder. Zij maakt vis. De man zal straks zijn vis eten en over collega’s praten en de moeder zal luisteren. Zij is een verraadster en het kind zal als eerste de tafel verlaten.
Aan tafel zegt de moeder iets over de bloemen onder het raam, die het kind volgens haar heeft vertrappeld, maar zij is een verraadster en het kind heeft haar al lang verlaten. Hij weet dat woede gemakkelijker te dragen is dan angst en verdriet.

Het kind is een soldaat en blijft vechten om te kunnen bestaan, verklaart uiteindelijk de oorlog aan alles en iedereen. Het weet niet dat het met zichzelf in oorlog is en blijft vechten.

Op zijn kamer haalt hij het mes te voorschijn en het koude staal troost na de hitte van de kamer. Hij stopt het mes in zijn mond, bijt en draait en schudt. Dan proeft hij het bloed en de beloning van de pijn. Een soldaat die niet lijdt, is geen soldaat en het kind kan alleen maar soldaat zijn.
Maar alle dagen zijn dezelfde en de oorlog is overal en de woede maakt het kind leeg en het leven zwaar.

Op een nacht kijkt het kind in het koude veld naar de maan en het bloed droogt op zijn hand en in zijn hart. Hij voelt geen woede meer en weet niet hoe het verder moet.