Kleine Kapelstraat 8
Toen zijn moeder hem voor het eerst zag, vond ze Gunther eigenlijk maar een teleurstelling. Hij hing vol bloed en vlokken en vuil en hij was er ook de schuld van dat haar man haar had verlaten. ‘Ik had er meer van verwacht,’ zei ze, en gaf het kind terug aan de verpleegster. Ze sloeg een tijdschrift open, zag een naam en gaf die dan maar door aan haar zoon.
De volgende dag nam ze haar kind mee naar huis en daar groeide het op en er gebeurde verder niets opvallends.
Gunther ging naar school en daar veroorzaakte hij geen problemen. Hij had geen vrienden, want hij was niet interessant of rijk of leuk, en hij werd niet gepest, daar was hij te onzichtbaar voor.
Zijn moeder stuurde hem voetballen, dan was hij er niet op zaterdag, wanneer ze hem al vroeg op de dag zijn grote voetbaltas in de handen stopte, waarmee hij naar de club wandelde. Daar was op dat uur van de dag nog niemand en Gunther zat onder een afdakje op zijn tas en keek naar de kalklijnen op het veld en wachtte tot de anderen kwamen. Het getik van de voetbalschoennoppen op het beton was al van ver te horen.
Gunther stond in de goal, want zijn ploegleden waren niet bijzonder geïnteresseerd in hem; het was een goed team, zodat ze meestal met zijn tienen in de aanval gingen terwijl Gunther in de goal wat heen en weer liep over de witte lijn. Als het koud was, sloeg hij zijn grote handschoenen tegen elkaar.
Rechts van zijn huis lag een veldje, daar ging hij zitten als zijn moeder wilde dat hij buiten speelde. Jonas zat er ook vaak, maar die keek naar de vogels en de verschillende planten en dat maakte Gunther moe. Hij zat het liefst tussen enkele hoge maïsstengels.
Een paar keer keken ze samen naar de vrouw in het zwarte badpak aan het zwembad. Op een keer keek ze recht naar hen, draaide zich om en ontblootte haar rug.
Tussen de maïsstengels genoot hij niet van de stilte, maar van het alleen zijn. Daarom kocht hij op zijn dertiende een tweedehands brommertje waarmee hij op het veldje heen en weer reed. Hij dacht dan aan niets, maar trok aan het stuur en gaf gas.
Niemand vond het erg toen Gunther werd doodgeschoten. Het was een zaterdagavond en er was een feestje voor de jeugdteams op de voetbalclub, waar hij van zijn moeder naartoe moest; terwijl iedereen boterkoeken at en chocomelk dronk en lachte, at Gunther boterkoeken en dronk hij chocomelk. Daarna gingen ze voetballen op het A-terrein, waar ze normaal niet op mochten. De lichten werden niet aangestoken, dus speelden ze gewoon in het restlicht uit de kantine. Gunther stond in de goal aan de andere kant van het veld in het donker.
Hij had de bal niet zien komen. Hij lag uitgestrekt op zijn rug, zijn armen wijd open om de onzichtbare bal toch te kunnen vangen. Maar de bal was recht op zijn neus terechtgekomen, en zijn neus was in zijn hersens geschoten. Niemand wist of hij op slag was overleden, want toen de bal terugkaatste, hadden de jongens, die niets gezien hadden, verder gespeeld en zijn moeder had ook niet om een autopsie gevraagd. ‘We moeten verder gaan met het leven,’ zei ze, en ontmoette een leuke man met wie ze kort daarna trouwde en erg gelukkig werd.
De volgende dag nam ze haar kind mee naar huis en daar groeide het op en er gebeurde verder niets opvallends.
Gunther ging naar school en daar veroorzaakte hij geen problemen. Hij had geen vrienden, want hij was niet interessant of rijk of leuk, en hij werd niet gepest, daar was hij te onzichtbaar voor.
Zijn moeder stuurde hem voetballen, dan was hij er niet op zaterdag, wanneer ze hem al vroeg op de dag zijn grote voetbaltas in de handen stopte, waarmee hij naar de club wandelde. Daar was op dat uur van de dag nog niemand en Gunther zat onder een afdakje op zijn tas en keek naar de kalklijnen op het veld en wachtte tot de anderen kwamen. Het getik van de voetbalschoennoppen op het beton was al van ver te horen.
Gunther stond in de goal, want zijn ploegleden waren niet bijzonder geïnteresseerd in hem; het was een goed team, zodat ze meestal met zijn tienen in de aanval gingen terwijl Gunther in de goal wat heen en weer liep over de witte lijn. Als het koud was, sloeg hij zijn grote handschoenen tegen elkaar.
Rechts van zijn huis lag een veldje, daar ging hij zitten als zijn moeder wilde dat hij buiten speelde. Jonas zat er ook vaak, maar die keek naar de vogels en de verschillende planten en dat maakte Gunther moe. Hij zat het liefst tussen enkele hoge maïsstengels.
Een paar keer keken ze samen naar de vrouw in het zwarte badpak aan het zwembad. Op een keer keek ze recht naar hen, draaide zich om en ontblootte haar rug.
Tussen de maïsstengels genoot hij niet van de stilte, maar van het alleen zijn. Daarom kocht hij op zijn dertiende een tweedehands brommertje waarmee hij op het veldje heen en weer reed. Hij dacht dan aan niets, maar trok aan het stuur en gaf gas.
Niemand vond het erg toen Gunther werd doodgeschoten. Het was een zaterdagavond en er was een feestje voor de jeugdteams op de voetbalclub, waar hij van zijn moeder naartoe moest; terwijl iedereen boterkoeken at en chocomelk dronk en lachte, at Gunther boterkoeken en dronk hij chocomelk. Daarna gingen ze voetballen op het A-terrein, waar ze normaal niet op mochten. De lichten werden niet aangestoken, dus speelden ze gewoon in het restlicht uit de kantine. Gunther stond in de goal aan de andere kant van het veld in het donker.
Hij had de bal niet zien komen. Hij lag uitgestrekt op zijn rug, zijn armen wijd open om de onzichtbare bal toch te kunnen vangen. Maar de bal was recht op zijn neus terechtgekomen, en zijn neus was in zijn hersens geschoten. Niemand wist of hij op slag was overleden, want toen de bal terugkaatste, hadden de jongens, die niets gezien hadden, verder gespeeld en zijn moeder had ook niet om een autopsie gevraagd. ‘We moeten verder gaan met het leven,’ zei ze, en ontmoette een leuke man met wie ze kort daarna trouwde en erg gelukkig werd.

<< Home