Opstel: mijn straat
De Kleine Kapelstraat
(Jonas Vanderbrugge)
Mijn straat is de Kleine Kapelstraat. Het is niet mijn straat, maar van de mensen. De mensen in mijn straat zijn eerst mijn vake en mijn moeke, die wonen in mijn huis op nummer negen. Naast ons, in nummer zeven, wonen twee nieuwe mensen. Ze wonen er nog maar twee weken. Leuk, zegt moeke. De nieuwe man maakt tafels enzo. Ook naast ons, maar aan de andere kant, waar Tobbe altijd door de draad kruipt, woont Anna in nummer elf. Anna is mijn buurvrouw, ze is niet getrouwd met een man. Ik heb gezegd dat ik met haar zal trouwen, want ze is nooit kwaad op Tobbe en als ze kookt, kookt ze soms ook voor mij.
Ook aan onze kant van de straat, maar dan verder, voorbij de bocht en bijna aan de Kleine Kapel, staat een wei. In de wei staan paardebloemen en een paard, maar niet in de winter. Dan staat het paard ergens binnen, zegt vake. Ik wil ook een paard in de woonkamer, maar moeke zegt dat ze genoeg werk heeft met haar twee varkens. Naast het paard woont ik weet haar naam niet, maar ze is zot, zegt iedereen, want niemand weet haar naam en ze spreekt tegen de lucht. Ze woont in de Sint-Stefaniekapel, dat is de Kleine Kapel, dus ik noem haar in mijn hoofd Stefanie. Stefanie draagt grijze kleren met grijs haar, ze woont in de kapel, ik weet niet wat ze doet. Soms zet moeke een potje eten aan haar deur.
Aan de andere kant van de straat wonen ook mensen. In nummer vier wonen Georges en Germaine. Germaine vraagt altijd of ze mijn oma mag zijn omdat ik geen oma en geen opa en geen pépé en geen mémé meer heb. Omdat moeke altijd alles vergeet, stuurt ze mij naar Germaine om een doos melk of bruine suiker. Georges heeft duiven die op zijn hand zitten en ook op mijn hand. Georges heeft ook geen linkerbeen. Germaine is ziek want ze is oud, ze zit altijd in haar stoel en moeke roept altijd: blijf zitten, Germaine, ik weet toch al alles staan. Naast Georges en Germaine, tegenover ons, staat een nieuw huis, het is groot. Te groot zegt vake en hij lacht altijd dat ze veel werk zullen hebben om alle ramen te wassen. Ze hebben ook een grote auto, maar ik ken hen niet. De man werkt en de vrouw die blond is zwemt in hun zwembad, dat is alles wat ik weet.
Naast het grote huis ligt het veldje. Deze zomer hebben Gunther en ik soms in de struiken van het veldje gezeten om naar de vrouw in het zwembad te kijken, maar nu zijn we geen vrienden meer. Vooraan in het veldje crosst Gunther nu soms op zijn brommer. Achteraan waar de maïs begint wonen de dieren en de planten, als je lang stilzit, zie je alle vogels en ik heb ook eens een rat gezien.
Er wonen nog mensen in mijn straat maar mijn blad is al vol.
(Jonas Vanderbrugge)
Mijn straat is de Kleine Kapelstraat. Het is niet mijn straat, maar van de mensen. De mensen in mijn straat zijn eerst mijn vake en mijn moeke, die wonen in mijn huis op nummer negen. Naast ons, in nummer zeven, wonen twee nieuwe mensen. Ze wonen er nog maar twee weken. Leuk, zegt moeke. De nieuwe man maakt tafels enzo. Ook naast ons, maar aan de andere kant, waar Tobbe altijd door de draad kruipt, woont Anna in nummer elf. Anna is mijn buurvrouw, ze is niet getrouwd met een man. Ik heb gezegd dat ik met haar zal trouwen, want ze is nooit kwaad op Tobbe en als ze kookt, kookt ze soms ook voor mij.
Ook aan onze kant van de straat, maar dan verder, voorbij de bocht en bijna aan de Kleine Kapel, staat een wei. In de wei staan paardebloemen en een paard, maar niet in de winter. Dan staat het paard ergens binnen, zegt vake. Ik wil ook een paard in de woonkamer, maar moeke zegt dat ze genoeg werk heeft met haar twee varkens. Naast het paard woont ik weet haar naam niet, maar ze is zot, zegt iedereen, want niemand weet haar naam en ze spreekt tegen de lucht. Ze woont in de Sint-Stefaniekapel, dat is de Kleine Kapel, dus ik noem haar in mijn hoofd Stefanie. Stefanie draagt grijze kleren met grijs haar, ze woont in de kapel, ik weet niet wat ze doet. Soms zet moeke een potje eten aan haar deur.
Aan de andere kant van de straat wonen ook mensen. In nummer vier wonen Georges en Germaine. Germaine vraagt altijd of ze mijn oma mag zijn omdat ik geen oma en geen opa en geen pépé en geen mémé meer heb. Omdat moeke altijd alles vergeet, stuurt ze mij naar Germaine om een doos melk of bruine suiker. Georges heeft duiven die op zijn hand zitten en ook op mijn hand. Georges heeft ook geen linkerbeen. Germaine is ziek want ze is oud, ze zit altijd in haar stoel en moeke roept altijd: blijf zitten, Germaine, ik weet toch al alles staan. Naast Georges en Germaine, tegenover ons, staat een nieuw huis, het is groot. Te groot zegt vake en hij lacht altijd dat ze veel werk zullen hebben om alle ramen te wassen. Ze hebben ook een grote auto, maar ik ken hen niet. De man werkt en de vrouw die blond is zwemt in hun zwembad, dat is alles wat ik weet.
Naast het grote huis ligt het veldje. Deze zomer hebben Gunther en ik soms in de struiken van het veldje gezeten om naar de vrouw in het zwembad te kijken, maar nu zijn we geen vrienden meer. Vooraan in het veldje crosst Gunther nu soms op zijn brommer. Achteraan waar de maïs begint wonen de dieren en de planten, als je lang stilzit, zie je alle vogels en ik heb ook eens een rat gezien.
Er wonen nog mensen in mijn straat maar mijn blad is al vol.

<< Home