Leterme heeft gewoon gelijk
Het is nu proefondervindelijk duidelijk: erotiek helpt het best om ’s morgens wakker te worden. ’t Is voor mij altijd een heel vraagstuk te bepalen wat ik op de trein naar Brussel zal lezen. Die Metro, daar ben je na zeven minuten door, acht als Britney of Paris erin staat. Dan heb je nog dertig minuten voor je. Slapen is natuurlijk uitgesloten, want dan ben je toch maar een wrak als je in Centraal uit je zetel glijdt. Naar de slaperige gezichten rondom je kijken is deprimerend, en praten mag ook al niet. Lezen dus. Non-fictie is sowieso kut, en het mag ’s morgens ook niet al te zwaar, dus je wil geen psychologische romans, exit de Russen en al dat soort boeken. Na proeve van verschillende vormen van lectuur blijkt ongeremde erotiek, type Jan Wolkers, het beste middel. 't Schrijven mag ook.
Je kan eenvoudigweg niet indommelen als de letters van het opengevouwen boek voor je versmelten tot gekrulde schaamhaartjes, met in het midden een vochtig geheim dat zich altijd pas prijs belooft te geven in een volgend boek.
Het non-stop erotische menszijn van de mens wordt in onze samenleving ontkend, maar ’t blijft toch een feit dat je, als je met zijn allen in de trein zit, een geweldig naaktfeest zou kunnen aanrichten waar de Romeinen nog eens van in hun baard zouden krabben. Je staat in de metro en even verder staat een rok met een vrouw erin, die je je zomaar zou kunnen toeëigenen als jullie dat zouden willen, of jij alleen, in een manvriendelijker maatschappij. Je zou zomaar naar haar kunnen toestappen en ter plekke je lust begraven, en na afloop zou je even met je nek kraken, au revoir zeggen als het leuk was en wegstappen, ik zie het probleem niet.
Maar de vrijheid is een gek ding. ’t Is iets om naar te streven, maar ‘t is veel mooier om naar te streven dan om het te hebben. Daarom ben ik, alles welbeschouwd, niet zo’n voorstander van in het wild neuken, zoals je dat ziet bij gulzige jongelingen en in de populaire cultuur.
Maar goed, nog even over die geile vrijheid: die daklozen lopen ook voortdurend met een paal boven water, volgens een vriend van me hebben ze daarom natuurlijk allemaal honden. Dat zou nog eens een thesisonderwerp zijn voor een studente in de ethiek of psychologie, bij voorkeur een scharminkelig stuk geremdheid, met treurig hangende stalactieten waardoor die dakloze na zijn afloop ontgoocheld terug bij zijn hond kruipt.
’t Is moeilijk te beseffen dat die mensen voor en achter je in de Delhaize ook seksuele beesten zijn, die misschien wel dezelfde fantastische gedachten hebben als jij (ik niet, hoor), zodat ’t in aller hoofden toch een vunzige bedoening is, daar bij Delhaize, om nog te zwijgen van de straat, waar tientallen mensen je een na een voorbijlopen, allemaal gemiste kansen eigenlijk. Er zijn de marginale vrouwen die ’s avonds laat met hun goedkope wijn en alcoholblozende wangen en vettige slierten haar verzamelen in Brussel-Centraal; de kleren hangen hen onwelvoeglijk om het lijf, zoals het vel om de botten van een olifant die verdwaalde in de woestijn en eenzaam toeterend stierf en door de zon uitgedroogd werd omdat er geen andere beesten aan willen zitten: zo denk je over dat soort vrouwen. Er zijn de met goud behangen zwarte kanjers van Kunst-Wet met borsten als clusterbommen, ingesnoerde billen en buiken en borsten die ambitieus uit hun tralies willen springen, een pleidooi voor algemene amnestie. Vrouwen die nors en uitgedroogd en met boodschappentassen naar hun gympjes zitten te staren, van wie je niet kan geloven dat ze ooit een man in zichzelf hebben laten verdrinken. Vrouwen die je leuk vindt omdat ze een beetje vrolijk kijken en niet te beroerd zijn om hun schoonheid aan je te openbaren, en zichzelf soms onafgebroken zitten te bekijken in het spiegelende raam van de ondergrondse, maar je vergeeft het hen, want zelf zit je hen toch ook aan te staren? Vrouwen met kinderen, die zijn natuurlijk ’t begeerlijkst; de vrouwen, niet de kinderen, ’t kan je toch niet zo opwinden, het idee van zo’n aanvankelijk nog tegenspartelend kind waarvan je het leven aan het verwoesten bent onder je harige lijf -of misschien toch. Vrouwen met de Amerikaanse vlag op hun voorsteven, een echte afknapper, zelfs al steken er twee smekende tepels naar voren, hongerig naar pijn uit de meedogenloze mond van een groot kind met tanden. Vrouwen met bekkens zo breed als contrabassen en, opnieuw zoals bij een bas, langgerekte bijthalzen; zo’n contrabasvrouw is een uitnodiging om in te wroeten als een uitgehongerd zwijn dat in de rulle aarde truffels, enfin, geile wijven dus. Vrouwen in het gezelschap van een man, maar de meeste mannen zien er niet uit en daardoor verliezen ook zij veel van hun glans. Vrouwen die mannen zijn, een enkele keer zie je een gebeeldhouwde man die je bij ’t haar zou willen grijpen en voorover dwingen om grachten te graven, het zou een vrouw moeten zijn, maar die houden er over ’t algemeen niet van op die manier. Vrouwen van wie de clitoris je zo in de hand schiet als je haar in de tang neemt en vrouwen met grote ogen, waarmee ze je in bed liggen aan te staren alsof je er nog moet aan beginnen terwijl je je al een halfuur de krampen zwoegt. Vrouwen van boven de zeventig waarvan je je afvraagt hoe hun zaakje eruitziet en of zij misschien ook graag nog eens beneveld en bedeeld willen worden. Vrouwen om van te houden, een lief ding om in een wattendoosje te stoppen, of als het een feministe is, om twee vleugeltjes aan te hangen; een vrouw om van te houden en om goed voor te zijn. Vrouwen die boeken lezen (dàt is pas aantrekkelijk! Nog meer dan een rok met zijn illusie van toegankelijkheid). Vrouwen met gekke fantasieën die ’t misschien lekker vinden dat je hen met je rechtse (veel sterker dan je linkse die slechts dient om te schrijven en ’t door de koene rechterhand gesneden eten nuffig op een vork te prikken) vol in het gezicht slaat, waarna ze half bewusteloos voor ’t rapen ligt, met het straaltje zoet bloed dat uit haar neus in haar mond loopt en haar armen onbeschermend naast haar lijf dat, da’s gemakkelijk, achteruit sloeg op je bed met donkerrode lakens, zodat je je geen zorgen hoeft te maken over bloedvlekken. Vrouwen met mooi lang haar dat je uit bewondering zou willen strelen als ze dichtbij je staan, maar dat doe je niet, want, ja, waarom niet eigenlijk?
Je kan eenvoudigweg niet indommelen als de letters van het opengevouwen boek voor je versmelten tot gekrulde schaamhaartjes, met in het midden een vochtig geheim dat zich altijd pas prijs belooft te geven in een volgend boek.
Het non-stop erotische menszijn van de mens wordt in onze samenleving ontkend, maar ’t blijft toch een feit dat je, als je met zijn allen in de trein zit, een geweldig naaktfeest zou kunnen aanrichten waar de Romeinen nog eens van in hun baard zouden krabben. Je staat in de metro en even verder staat een rok met een vrouw erin, die je je zomaar zou kunnen toeëigenen als jullie dat zouden willen, of jij alleen, in een manvriendelijker maatschappij. Je zou zomaar naar haar kunnen toestappen en ter plekke je lust begraven, en na afloop zou je even met je nek kraken, au revoir zeggen als het leuk was en wegstappen, ik zie het probleem niet.
Maar de vrijheid is een gek ding. ’t Is iets om naar te streven, maar ‘t is veel mooier om naar te streven dan om het te hebben. Daarom ben ik, alles welbeschouwd, niet zo’n voorstander van in het wild neuken, zoals je dat ziet bij gulzige jongelingen en in de populaire cultuur.
Maar goed, nog even over die geile vrijheid: die daklozen lopen ook voortdurend met een paal boven water, volgens een vriend van me hebben ze daarom natuurlijk allemaal honden. Dat zou nog eens een thesisonderwerp zijn voor een studente in de ethiek of psychologie, bij voorkeur een scharminkelig stuk geremdheid, met treurig hangende stalactieten waardoor die dakloze na zijn afloop ontgoocheld terug bij zijn hond kruipt.
’t Is moeilijk te beseffen dat die mensen voor en achter je in de Delhaize ook seksuele beesten zijn, die misschien wel dezelfde fantastische gedachten hebben als jij (ik niet, hoor), zodat ’t in aller hoofden toch een vunzige bedoening is, daar bij Delhaize, om nog te zwijgen van de straat, waar tientallen mensen je een na een voorbijlopen, allemaal gemiste kansen eigenlijk. Er zijn de marginale vrouwen die ’s avonds laat met hun goedkope wijn en alcoholblozende wangen en vettige slierten haar verzamelen in Brussel-Centraal; de kleren hangen hen onwelvoeglijk om het lijf, zoals het vel om de botten van een olifant die verdwaalde in de woestijn en eenzaam toeterend stierf en door de zon uitgedroogd werd omdat er geen andere beesten aan willen zitten: zo denk je over dat soort vrouwen. Er zijn de met goud behangen zwarte kanjers van Kunst-Wet met borsten als clusterbommen, ingesnoerde billen en buiken en borsten die ambitieus uit hun tralies willen springen, een pleidooi voor algemene amnestie. Vrouwen die nors en uitgedroogd en met boodschappentassen naar hun gympjes zitten te staren, van wie je niet kan geloven dat ze ooit een man in zichzelf hebben laten verdrinken. Vrouwen die je leuk vindt omdat ze een beetje vrolijk kijken en niet te beroerd zijn om hun schoonheid aan je te openbaren, en zichzelf soms onafgebroken zitten te bekijken in het spiegelende raam van de ondergrondse, maar je vergeeft het hen, want zelf zit je hen toch ook aan te staren? Vrouwen met kinderen, die zijn natuurlijk ’t begeerlijkst; de vrouwen, niet de kinderen, ’t kan je toch niet zo opwinden, het idee van zo’n aanvankelijk nog tegenspartelend kind waarvan je het leven aan het verwoesten bent onder je harige lijf -of misschien toch. Vrouwen met de Amerikaanse vlag op hun voorsteven, een echte afknapper, zelfs al steken er twee smekende tepels naar voren, hongerig naar pijn uit de meedogenloze mond van een groot kind met tanden. Vrouwen met bekkens zo breed als contrabassen en, opnieuw zoals bij een bas, langgerekte bijthalzen; zo’n contrabasvrouw is een uitnodiging om in te wroeten als een uitgehongerd zwijn dat in de rulle aarde truffels, enfin, geile wijven dus. Vrouwen in het gezelschap van een man, maar de meeste mannen zien er niet uit en daardoor verliezen ook zij veel van hun glans. Vrouwen die mannen zijn, een enkele keer zie je een gebeeldhouwde man die je bij ’t haar zou willen grijpen en voorover dwingen om grachten te graven, het zou een vrouw moeten zijn, maar die houden er over ’t algemeen niet van op die manier. Vrouwen van wie de clitoris je zo in de hand schiet als je haar in de tang neemt en vrouwen met grote ogen, waarmee ze je in bed liggen aan te staren alsof je er nog moet aan beginnen terwijl je je al een halfuur de krampen zwoegt. Vrouwen van boven de zeventig waarvan je je afvraagt hoe hun zaakje eruitziet en of zij misschien ook graag nog eens beneveld en bedeeld willen worden. Vrouwen om van te houden, een lief ding om in een wattendoosje te stoppen, of als het een feministe is, om twee vleugeltjes aan te hangen; een vrouw om van te houden en om goed voor te zijn. Vrouwen die boeken lezen (dàt is pas aantrekkelijk! Nog meer dan een rok met zijn illusie van toegankelijkheid). Vrouwen met gekke fantasieën die ’t misschien lekker vinden dat je hen met je rechtse (veel sterker dan je linkse die slechts dient om te schrijven en ’t door de koene rechterhand gesneden eten nuffig op een vork te prikken) vol in het gezicht slaat, waarna ze half bewusteloos voor ’t rapen ligt, met het straaltje zoet bloed dat uit haar neus in haar mond loopt en haar armen onbeschermend naast haar lijf dat, da’s gemakkelijk, achteruit sloeg op je bed met donkerrode lakens, zodat je je geen zorgen hoeft te maken over bloedvlekken. Vrouwen met mooi lang haar dat je uit bewondering zou willen strelen als ze dichtbij je staan, maar dat doe je niet, want, ja, waarom niet eigenlijk?

<< Home