Thursday, June 29, 2006

twee meisjes

Twee meisjes kijken naar beneden en zien alles gebeuren.
‘Ze doen gewoon verder,’ zegt het eerste meisje.
‘Ja,’ zegt het tweede meisje.
‘Dat is toch erg.’
‘Dat is toch goed,’ zegt het tweede meisje. ‘Het zou droevig zijn als de mensen altijd alles erg zouden blijven vinden. Ze zouden niet meer kunnen bewegen onder al dat opgestapelde verdriet.’
‘Verdriet,’ zegt het eerste meisje.
‘Wat is ervan?’
‘Dat zou toch nooit helemaal mogen verdwijnen, als het echt verdriet is. Tranen drogen, maar het zout blijft liggen op de huid. Het wacht tot het leven opnieuw uithaalt om dan in de wonde te bijten. En zo gaat het maar door, elke keer groeit ons verdriet tot het groot genoeg is om aan dood te gaan.’
‘Dat is poëzie,’ zegt het tweede meisje. ‘Ik was nog niet verdrietig. Jij ook niet. In het echt gaat het niet zo.’
‘Dat is waar. Maar eigenlijk vind ik dat wel jammer.’
‘Is het goed om ongelukkig te zijn?’
‘Nee. Maar je moet toch leven in stijgende lijn. Als het verdriet om wie we verliezen vervlakt, wat hebben we dan nog? Moeten we niet tenminste onze eigen herinneringen proberen vast te houden? Moeten we ons niet schamen dat we niet meer erg vinden wat we vroeger erg vonden?’
‘Dat is opnieuw poëzie.’
‘Het is toch zo dat ons verdriet vluchtig is. Als wij zelf al niet eens meer kunnen treuren om wat ons vroeger zo raakte, is dat dan wel oprecht verdriet geweest? Hebben we dan nog het recht om ooit iets erg te vinden?’
‘Denk je dan dat leven, echt leven, niet meer betekent dan onophoudelijk en almaar meer rouwen om wat voorbij is?’
‘Misschien is dat precies wat leven is. En misschien vormt dat besef de troost voor zij die hier aankomen. Ik weet het niet goed, ik ben hier nog maar pas.’