werk
Mijn hemd is bezweet. Ik heb net drie uur door het centrum van Gent gereden. Bergen. Fietsers. Rode lichten. Voorrang. Ik heb nog altijd het gevoel dat het almaar beter gaat, al heeft er op de Sterre toch een SUV boos naar me getoeterd. ’t Leek me geen kwaad idee even uit te stappen en de chauffeur in elkaar te slaan, maar volgens mijn begeleidster dwing je daarmee geen respect af.
Vanochtend heb ik een broek gekocht, ’t is een mooie, en heel leuk is dat je ze niet hoeft te strijken. ’t Is wel een beetje een sjieke broek, dat moest, want tot nu toe was ik een nozem en een zwerver en daar moet nu verandering in komen, want vanaf volgende maand geef ik Nederlandse les op een taalinstituut in Brussel. Deze week training gehad; langs alle kanten werd aan ons, de tien docenten in opleiding, gehakt, gebeiteld en geschaafd, om ons enkele onderwijstechnieken bij te brengen.
Elke ochtend neem ik samen met miljoenen anderen de metro en tram in Brussel. De Brouckère...Montgomery...1b Stokkel... Geprangd tussen al die echte mensen die naar hun werk gaan voel ik me bijna een van hen.
’t Is dus uit met de werkloosheid. De grootste uitdaging wordt nu niet alleen om mijn werk een beetje goed uit te voeren, maar ook om, naast dat werk, mijn Gentse leven en het schrijven niet te verwaarlozen. Ik heb geen flauw idee hoe het zal zijn. Komt een mens afgepeigerd thuis, enkel nog goed voor Thuis? Of zeg je: hiephiephoi, de hele avond voor mezelf en mijn hobby/vrienden? Ik weet het niet. China was te anders om een referentiekader te kunnen zijn.
Maar ik ben toch wel heel blij, eigenlijk feitelijk, met mijn broek die ik niet hoef te strijken en met mijn job die ik niet meer moet zoeken en met mijn zus die als passagier vrijwillig doodsangsten uitstaat als ik over een kruispunt scheur:
‘Had jij voorrang? Nee, Bouke!’
‘Jamaar, die ander was gestopt!’
‘Natuurlijk, anders was hij tegen je gereden.’
‘Precies. Wat is dan het probleem?’
Of:
‘Je reed door het oranje licht!’
‘Jamaar, dat springt zomaar van groen op oranje! Waarom zit daar geen blauw of bruin waarschuwingslicht tussen?’
Vanochtend heb ik een broek gekocht, ’t is een mooie, en heel leuk is dat je ze niet hoeft te strijken. ’t Is wel een beetje een sjieke broek, dat moest, want tot nu toe was ik een nozem en een zwerver en daar moet nu verandering in komen, want vanaf volgende maand geef ik Nederlandse les op een taalinstituut in Brussel. Deze week training gehad; langs alle kanten werd aan ons, de tien docenten in opleiding, gehakt, gebeiteld en geschaafd, om ons enkele onderwijstechnieken bij te brengen.
Elke ochtend neem ik samen met miljoenen anderen de metro en tram in Brussel. De Brouckère...Montgomery...1b Stokkel... Geprangd tussen al die echte mensen die naar hun werk gaan voel ik me bijna een van hen.
’t Is dus uit met de werkloosheid. De grootste uitdaging wordt nu niet alleen om mijn werk een beetje goed uit te voeren, maar ook om, naast dat werk, mijn Gentse leven en het schrijven niet te verwaarlozen. Ik heb geen flauw idee hoe het zal zijn. Komt een mens afgepeigerd thuis, enkel nog goed voor Thuis? Of zeg je: hiephiephoi, de hele avond voor mezelf en mijn hobby/vrienden? Ik weet het niet. China was te anders om een referentiekader te kunnen zijn.
Maar ik ben toch wel heel blij, eigenlijk feitelijk, met mijn broek die ik niet hoef te strijken en met mijn job die ik niet meer moet zoeken en met mijn zus die als passagier vrijwillig doodsangsten uitstaat als ik over een kruispunt scheur:
‘Had jij voorrang? Nee, Bouke!’
‘Jamaar, die ander was gestopt!’
‘Natuurlijk, anders was hij tegen je gereden.’
‘Precies. Wat is dan het probleem?’
Of:
‘Je reed door het oranje licht!’
‘Jamaar, dat springt zomaar van groen op oranje! Waarom zit daar geen blauw of bruin waarschuwingslicht tussen?’

<< Home