sneeuw in Finnevaux
Finnevaux zal na dit Ardennenweekend XL nooit meer hetzelfde zijn. De voetafdrukken van blote jongens en meisjes die zich na een saunasessie in de sneeuw wentelen, gigantische sneeuwballen die eigenlijk sneeuwmannen moesten worden, talrijke en reusachtige maaltijden, velden die omgeploegd zijn door legendarische sneeuwoorlogen... En het was nog wel zo’n mooi klein dorpje met oerdegelijke gevels en hoge schuren, oude stenen voederbakken waarin geduldige winterbloemen, paadjes en weiden en stilte, vooral ook veel stilte om te verscheuren of van te genieten.
Wanneer ik ’s avonds laat in mijn blootje in mijn schoenen sta en naar het neerdwarrelende sneeuwpoeder sta te luisteren dat ons bedekt alsof we wafeltjes zijn, slaag ik er niet in te beslissen of het nu donker is of licht: er is geen maan- of stadslicht maar de sneeuw lijkt al wat goed en mooi is een beetje toe te lichten, een soort selectieve lichtbron.
‘Kan jij geen pint openen met een aansteker?’
‘Nee,’ zeg ik, ‘dat kan ik niet.’
Hij opent het flesje voor me. ‘Dat is ook niet nodig.’
’t Is een goede groep om mee op weekend te gaan. Het zijn op zich al leuke mensen, in groep wordt alles nog een stukje intenser. Op de een of andere manier krijg ik ook bijna altijd de sfeer of het soort gesprek waar ik op dat moment behoefte aan heb: ik pas dus in het plaatje. Ook belangrijk: je krijgt je rust. Ik herinner me relaties en chirokampen, daar had je eigenlijk nooit een moment alleen. ’t Werd je gewoon niet gegund, alsof je vriendin of leiding bang was dat je uit verveling meteen weg zou lopen. Hier kan het wel: wie een beetje rust nodig heeft, doet even de afwas of gaat hout klieven. Mooi systeem.
Om de een of andere reden ben ik geen langslaper. Dus ’s ochtends trippel ik door het (deurloze) huis, probeer de haard aan te steken –een opsteker voor je mannelijk gevoel, al was het (helpen) vervangen van een band ergens voorbij Brussel ook niet slecht- en ga daarna op wandel. Natuurlijk heb ik mijn Chinese legerdonsdeken aan, stijlvol aangevuld met regenboogsjaal. Zo blijf ik buiten schot van de jagers.
Ik ben op zoek naar het kerkhof, in kleine Waalse dorpjes kunnen die nog best aardig zijn. De Belgische vlag komt me ter hulp, ’t is gauw gevonden zo. Het rood van de vlag begint al wat uit te rafelen, maar het bordje is gloednieuw: Commonwealth war grave. Per ardua ad astra: hier ligt Wing Commander Luxmoore, piloot voor de RAF, 31 jaar is hij geworden. Ik verbaas me een beetje over de recente bloemen op zijn graf en denk ondertussen dat hier ook ‘Wing Commander Roald Dahl’ had kunnen staan. Oorlog is zonde, beeld je eens in wat die Luxmoore allemaal nog had kunnen doen.
Even verder wrijf ik een grafzerk schoon, want iedereen ligt hier in de sneeuw: er staat te lezen dat een jonge man betreurd wordt door zijn épouse. ’t Is toch stom dat je dood moet voor je oud kan worden met een mens naar keuze aan je zij. Dood ga je toch, ik zie geen reden tot haast. Bovendien is zo’n kerkhof ook maar een tijdelijke oplossing.
Ik wandel terug door een weide en klim over prikkeldraad, dat voelt ook altijd goed (tenzij het fout gaat) en even later verlaat ik mijn broedende hoofd en krijg ik wentelteefjes voorgeschoteld, er volgt een discussie over waarom die dingen zo heten en ik neem even deel aan een competitie zoveel mogelijk eten.
Nu zit ik in Brussel, ’t was ook mijn keuze niet, maar ik begin de stad toch een beetje leuk te vinden. Ik loop hier rond met het gevoel dat het in Gent allemaal wat zachter is, een repetitie voor de hoofdstad. Hier in Brussel is wat groot is, groter dan in Gent. Auto’s zitten de voetgangers nog net iets dichter op de hielen. De smeltkroes is kleurrijker. De madam aan het loket nog iets korter af en norse mensen kijken hier nog een beetje bozer. De affiches aan leegstaande panden zijn meer verscheiden. Twee talen zijn exotischer dan één. Haar huis is warmer dan het mijne.
Wanneer ik ’s avonds laat in mijn blootje in mijn schoenen sta en naar het neerdwarrelende sneeuwpoeder sta te luisteren dat ons bedekt alsof we wafeltjes zijn, slaag ik er niet in te beslissen of het nu donker is of licht: er is geen maan- of stadslicht maar de sneeuw lijkt al wat goed en mooi is een beetje toe te lichten, een soort selectieve lichtbron.
‘Kan jij geen pint openen met een aansteker?’
‘Nee,’ zeg ik, ‘dat kan ik niet.’
Hij opent het flesje voor me. ‘Dat is ook niet nodig.’
’t Is een goede groep om mee op weekend te gaan. Het zijn op zich al leuke mensen, in groep wordt alles nog een stukje intenser. Op de een of andere manier krijg ik ook bijna altijd de sfeer of het soort gesprek waar ik op dat moment behoefte aan heb: ik pas dus in het plaatje. Ook belangrijk: je krijgt je rust. Ik herinner me relaties en chirokampen, daar had je eigenlijk nooit een moment alleen. ’t Werd je gewoon niet gegund, alsof je vriendin of leiding bang was dat je uit verveling meteen weg zou lopen. Hier kan het wel: wie een beetje rust nodig heeft, doet even de afwas of gaat hout klieven. Mooi systeem.
Om de een of andere reden ben ik geen langslaper. Dus ’s ochtends trippel ik door het (deurloze) huis, probeer de haard aan te steken –een opsteker voor je mannelijk gevoel, al was het (helpen) vervangen van een band ergens voorbij Brussel ook niet slecht- en ga daarna op wandel. Natuurlijk heb ik mijn Chinese legerdonsdeken aan, stijlvol aangevuld met regenboogsjaal. Zo blijf ik buiten schot van de jagers.
Ik ben op zoek naar het kerkhof, in kleine Waalse dorpjes kunnen die nog best aardig zijn. De Belgische vlag komt me ter hulp, ’t is gauw gevonden zo. Het rood van de vlag begint al wat uit te rafelen, maar het bordje is gloednieuw: Commonwealth war grave. Per ardua ad astra: hier ligt Wing Commander Luxmoore, piloot voor de RAF, 31 jaar is hij geworden. Ik verbaas me een beetje over de recente bloemen op zijn graf en denk ondertussen dat hier ook ‘Wing Commander Roald Dahl’ had kunnen staan. Oorlog is zonde, beeld je eens in wat die Luxmoore allemaal nog had kunnen doen.
Even verder wrijf ik een grafzerk schoon, want iedereen ligt hier in de sneeuw: er staat te lezen dat een jonge man betreurd wordt door zijn épouse. ’t Is toch stom dat je dood moet voor je oud kan worden met een mens naar keuze aan je zij. Dood ga je toch, ik zie geen reden tot haast. Bovendien is zo’n kerkhof ook maar een tijdelijke oplossing.
Ik wandel terug door een weide en klim over prikkeldraad, dat voelt ook altijd goed (tenzij het fout gaat) en even later verlaat ik mijn broedende hoofd en krijg ik wentelteefjes voorgeschoteld, er volgt een discussie over waarom die dingen zo heten en ik neem even deel aan een competitie zoveel mogelijk eten.
Nu zit ik in Brussel, ’t was ook mijn keuze niet, maar ik begin de stad toch een beetje leuk te vinden. Ik loop hier rond met het gevoel dat het in Gent allemaal wat zachter is, een repetitie voor de hoofdstad. Hier in Brussel is wat groot is, groter dan in Gent. Auto’s zitten de voetgangers nog net iets dichter op de hielen. De smeltkroes is kleurrijker. De madam aan het loket nog iets korter af en norse mensen kijken hier nog een beetje bozer. De affiches aan leegstaande panden zijn meer verscheiden. Twee talen zijn exotischer dan één. Haar huis is warmer dan het mijne.

<< Home