een lief met tien vingers
1. Ik heb eens een lief gehad dat ’s avonds altijd nog wat wilde drinken. Ze stuurde me steevast uit bed om chocomelk te maken (een keer heeft ze me zelfs zover gekregen en zover was dan de nachtwinkel). Ik woon koud, de isolatie deugt niet, de tegels zijn koud – en ’s nachts zijn pantoffels altijd zoek. ‘Ik heb de dekens warm gehouden voor je,’ klonk het wanneer ik met een dampende kop binnenkwam en dan moest ik dankbaar zijn.
Chocomelk maken terwijl we nog op waren mocht niet, ‘dat doet iedereen’, eerst moest ik helpen de dekens opwarmen. Van al dat dommelen kreeg ik slaap en zij dorst.
Volgens mij dronk ze helemaal niet zo graag chocomelk en wilde ze mij gewoon weten doen wat ik dan deed, het tegenstribbelen en de pantoffels die zoek waren en het licht dat niet aan mocht en mijn klachten uit de keuken terwijl ik in een pannetje roerde.
2. Ik heb eens een lief gehad toen er nog geen internet was. We waren jong en ongelukkig en schreven elkaar voortdurend gigantisch lange brieven. Als ik vandaag jong en romantisch zou willen zijn, ik zou wel weten wat gedaan: niks e-mail, brieven!
Elke dag –tijdens de les, thuis, op de bus- schreef ik. Thuis bladerde ik door Humo’s en kranten om dingen uit te knippen: haar naam in hoofdletters of foto’s van dikke dieren of (aangepaste) eindejaarsvraagjes of een boom voor in de kantlijn.
In die brieven ging het dan over alles wat niet goed was en dat was nogal wat. We woonden twintig km van elkaar en waren trots dat we het ondanks die enorme afstand toch probeerden. We zagen elkaar ook graag, dat hielp.
3. Ik heb eens een lief gehad dat niet gelukkig was. Of beter, ze was wel gelukkig, maar te broos. Haar ouders waren gek, dat is waar, maar ze had ook veel redenen om gelukkig te zijn. Dat hielp niet: op haar balans woog alles naar beneden. Geluk was iets dat woog, ze was er niet mee vertrouwd; als ze huilde, kon ze zichzelf zijn. Ongelukkig zijn, dat begreep ze. Geluk kun je niet uitleggen, dat moet je durven aanvaarden zoals het komt.
Je moest er heel voorzichtig mee omgaan, ’t was eigenlijk geen meisje om bij een jongen te zijn. Op den duur is ze toch wel gelukkig geworden, geloof ik, maar dat was na mij, toen ze al wat eelt had.
4. Ik heb eens een lief gehad, zomaar, omdat iedereen het deed. Het was zomer, Zwitserland, CM-kamp en haar vriendin kwam vragen of ik het wilde aanmaken. Mijn haar was toen groen en zij droeg een t-shirt van Jim Morrison, daardoor pasten we bij elkaar, vond ze. Het is trouwens daar en toen dat ik mijn eerste tongzoen heb gekregen, maar niet van haar. Gekregen, zeg ik, want ’t was voor mij ook een verrassing.
5. Ik heb eens een lief gehad dat mooi was. Daar kon ik echt geen seconde van afblijven, zo mooi vond ik haar. Ik heb een zwak voor onbetwistbaar vrouwelijke handen en vingers, tja, ieder zijn ding. Haar vingers waren lang en rank, ik had er echt ontzag voor, ze had er tien en in de rest van haar lijf was ik ook geïnteresseerd. (Er woonde in die tijd een baby onder mij, dat beest huilde elke nacht en wij vroegen elkaar dan altijd af of het onze schuld was.)
Ik vond haar geweldig mooi, maar ja, ik was verliefd. Op dat moment was ik ook wel een oorlog begonnen of symfonieën gaan schrijven, als het moest. Geen probleem, maar gelukkig was ze even tevreden met chocomelk.
Even maar; toen ging ze weg. ’t Is vreemd hoe een mens het goed kan hebben bij een ander terwijl die ander plannen maakt om te vertrekken. Misschien houden we daarom zoveel van degenen die we niet kunnen houden, omdat we voelen dat het niet blijft duren.
Chocomelk maken terwijl we nog op waren mocht niet, ‘dat doet iedereen’, eerst moest ik helpen de dekens opwarmen. Van al dat dommelen kreeg ik slaap en zij dorst.
Volgens mij dronk ze helemaal niet zo graag chocomelk en wilde ze mij gewoon weten doen wat ik dan deed, het tegenstribbelen en de pantoffels die zoek waren en het licht dat niet aan mocht en mijn klachten uit de keuken terwijl ik in een pannetje roerde.
2. Ik heb eens een lief gehad toen er nog geen internet was. We waren jong en ongelukkig en schreven elkaar voortdurend gigantisch lange brieven. Als ik vandaag jong en romantisch zou willen zijn, ik zou wel weten wat gedaan: niks e-mail, brieven!
Elke dag –tijdens de les, thuis, op de bus- schreef ik. Thuis bladerde ik door Humo’s en kranten om dingen uit te knippen: haar naam in hoofdletters of foto’s van dikke dieren of (aangepaste) eindejaarsvraagjes of een boom voor in de kantlijn.
In die brieven ging het dan over alles wat niet goed was en dat was nogal wat. We woonden twintig km van elkaar en waren trots dat we het ondanks die enorme afstand toch probeerden. We zagen elkaar ook graag, dat hielp.
3. Ik heb eens een lief gehad dat niet gelukkig was. Of beter, ze was wel gelukkig, maar te broos. Haar ouders waren gek, dat is waar, maar ze had ook veel redenen om gelukkig te zijn. Dat hielp niet: op haar balans woog alles naar beneden. Geluk was iets dat woog, ze was er niet mee vertrouwd; als ze huilde, kon ze zichzelf zijn. Ongelukkig zijn, dat begreep ze. Geluk kun je niet uitleggen, dat moet je durven aanvaarden zoals het komt.
Je moest er heel voorzichtig mee omgaan, ’t was eigenlijk geen meisje om bij een jongen te zijn. Op den duur is ze toch wel gelukkig geworden, geloof ik, maar dat was na mij, toen ze al wat eelt had.
4. Ik heb eens een lief gehad, zomaar, omdat iedereen het deed. Het was zomer, Zwitserland, CM-kamp en haar vriendin kwam vragen of ik het wilde aanmaken. Mijn haar was toen groen en zij droeg een t-shirt van Jim Morrison, daardoor pasten we bij elkaar, vond ze. Het is trouwens daar en toen dat ik mijn eerste tongzoen heb gekregen, maar niet van haar. Gekregen, zeg ik, want ’t was voor mij ook een verrassing.
5. Ik heb eens een lief gehad dat mooi was. Daar kon ik echt geen seconde van afblijven, zo mooi vond ik haar. Ik heb een zwak voor onbetwistbaar vrouwelijke handen en vingers, tja, ieder zijn ding. Haar vingers waren lang en rank, ik had er echt ontzag voor, ze had er tien en in de rest van haar lijf was ik ook geïnteresseerd. (Er woonde in die tijd een baby onder mij, dat beest huilde elke nacht en wij vroegen elkaar dan altijd af of het onze schuld was.)
Ik vond haar geweldig mooi, maar ja, ik was verliefd. Op dat moment was ik ook wel een oorlog begonnen of symfonieën gaan schrijven, als het moest. Geen probleem, maar gelukkig was ze even tevreden met chocomelk.
Even maar; toen ging ze weg. ’t Is vreemd hoe een mens het goed kan hebben bij een ander terwijl die ander plannen maakt om te vertrekken. Misschien houden we daarom zoveel van degenen die we niet kunnen houden, omdat we voelen dat het niet blijft duren.

<< Home