techno en house
1. Letterlijk
Gisteren op het nieuws sprak een betoger over een bedreigd bos: ‘De overheid steekt zijn kop in ’t zand, letterlijk.’
Het gaat me hier niet om ‘zijn’ dat ‘haar’ had moeten zijn; wie kent in godsnaam nog het geslacht van woorden? Nee, dat letterlijk.
Er is iets aan de hand met het gebruik van dat woordje. Een gelijkaardig voorbeeld komt uit mijn onuitputtelijke bron van vermaak en miserie, het middelbaar. De les geschiedenis over de Duitsers. Ik weet het niet meer zeker, maar ik denk dat de leraar het had over de Duitsers die Stalingrad omsingeld hadden en op hun beurt klemgezet werden. Over de miserie van die Duitse soldaten: ‘Wel, mijne heren, de Duitsers zaten toen letterlijk in de puree.’
Ik zie het al voor me, de Feldwebel die zich door meters puree ploegt op zoek naar een communist om dood te maken. Geef toe, daarvoor was dat woordje niet bestemd. Ik vind het niet erg, de taal is van wie ze gebruikt. (Maar er zijn grenzen: ‘graaf’, ‘op een ander’ en ‘dat is erover’ horen niet.)
2. Rozijn
Op woensdagochtend vloek ik altijd, want ik vergeet keer op keer dat mijn bakker dan niet opent. Vanochtend was het weer van dat, ik zag de neergelaten rolluiken en vloekte even, maar in plaats van rechtsomkeert te maken naar mijn dichtstbijzijnde (maar koude) bakker, liep ik verder, zomaar, omdat ik dat mag. ’t Was een goede keuze want enkele straten verder vond ik een bakkerij waar ik nog nooit eerder ging. En raad eens: daar heb ik eindelijk het rozijnenbrood gevonden dat ik zo graag heb! Namelijk: met rozijnen! Meestal krijg je immers wit brood (dat uiteenvalt zodra je eraan denkt het op te eten) met hier en daar een eenzame krent. Nee, dan dit brood: overvloedig! Rijkelijk! Abondant! Toen thuis ook nog eens bleek dat een vriend die hier pompoensoep was komen eten, zijn boter had achtergelaten, was ik helemaal blij. Vandaag zal schitteren, nam ik me voor.
Op de fiets reed ik door een grote plas, met mijn knieën tegen mijn kin, zoals vroeger op mijn BMX.
In de Veldstraat had iedereen zijn eigen kleren aan, dat was ook leuk. Niet iedereen droeg hetzelfde, bedoel ik.
3. China
Het heen-en-weer-gemail met mijn bazin in China is zo goed als afgerond, als er geen financiële kink meer in de kabel komt, ziet het er naar uit dat ik de eerste helft van 2006 opnieuw in Dalian zal zitten.
Tegelijk heb ik China voor een belangrijk deel afgesloten, want Wang Lan Ying en ik zijn er, elk op ons eigen tempo, achter gekomen dat, wel, het is mooi maar het kan niet. Er zijn grenzen.
’t Zal daar in de leegte goed werken zijn aan de familiegeschiedenis. Centjes. Brieven schrijven naar iedereen die ik leuk vind. Rijstnoedels. Chinees.
Gisteren op het nieuws sprak een betoger over een bedreigd bos: ‘De overheid steekt zijn kop in ’t zand, letterlijk.’
Het gaat me hier niet om ‘zijn’ dat ‘haar’ had moeten zijn; wie kent in godsnaam nog het geslacht van woorden? Nee, dat letterlijk.
Er is iets aan de hand met het gebruik van dat woordje. Een gelijkaardig voorbeeld komt uit mijn onuitputtelijke bron van vermaak en miserie, het middelbaar. De les geschiedenis over de Duitsers. Ik weet het niet meer zeker, maar ik denk dat de leraar het had over de Duitsers die Stalingrad omsingeld hadden en op hun beurt klemgezet werden. Over de miserie van die Duitse soldaten: ‘Wel, mijne heren, de Duitsers zaten toen letterlijk in de puree.’
Ik zie het al voor me, de Feldwebel die zich door meters puree ploegt op zoek naar een communist om dood te maken. Geef toe, daarvoor was dat woordje niet bestemd. Ik vind het niet erg, de taal is van wie ze gebruikt. (Maar er zijn grenzen: ‘graaf’, ‘op een ander’ en ‘dat is erover’ horen niet.)
2. Rozijn
Op woensdagochtend vloek ik altijd, want ik vergeet keer op keer dat mijn bakker dan niet opent. Vanochtend was het weer van dat, ik zag de neergelaten rolluiken en vloekte even, maar in plaats van rechtsomkeert te maken naar mijn dichtstbijzijnde (maar koude) bakker, liep ik verder, zomaar, omdat ik dat mag. ’t Was een goede keuze want enkele straten verder vond ik een bakkerij waar ik nog nooit eerder ging. En raad eens: daar heb ik eindelijk het rozijnenbrood gevonden dat ik zo graag heb! Namelijk: met rozijnen! Meestal krijg je immers wit brood (dat uiteenvalt zodra je eraan denkt het op te eten) met hier en daar een eenzame krent. Nee, dan dit brood: overvloedig! Rijkelijk! Abondant! Toen thuis ook nog eens bleek dat een vriend die hier pompoensoep was komen eten, zijn boter had achtergelaten, was ik helemaal blij. Vandaag zal schitteren, nam ik me voor.
Op de fiets reed ik door een grote plas, met mijn knieën tegen mijn kin, zoals vroeger op mijn BMX.
In de Veldstraat had iedereen zijn eigen kleren aan, dat was ook leuk. Niet iedereen droeg hetzelfde, bedoel ik.
3. China
Het heen-en-weer-gemail met mijn bazin in China is zo goed als afgerond, als er geen financiële kink meer in de kabel komt, ziet het er naar uit dat ik de eerste helft van 2006 opnieuw in Dalian zal zitten.
Tegelijk heb ik China voor een belangrijk deel afgesloten, want Wang Lan Ying en ik zijn er, elk op ons eigen tempo, achter gekomen dat, wel, het is mooi maar het kan niet. Er zijn grenzen.
’t Zal daar in de leegte goed werken zijn aan de familiegeschiedenis. Centjes. Brieven schrijven naar iedereen die ik leuk vind. Rijstnoedels. Chinees.

<< Home