Gent-Brussel (kleine ode aan Céline)
Zo is het begonnen. ‘Dames en heren, de trein van 18.56 naar Brussel-Tongeren heeft ongeveer tien minuten vertraging.’
Een man op een bankje, toevallig ’t bankje waar ook ik op zat. Hij dronk fruitsap uit blik met kleine korte slokjes. Bij ’t horen van de aankondiging bleef z’n drinkhand even hangen op weg naar zijn mond en hij draaide zijn hoofd naar me. ‘Varkens.’
‘Pardon?’
‘Vunzige varkens, dat zijn het.’ Hij schudde zijn kleine hoofd, een nietig gebaar eigenlijk, ’t was in ’t algemeen geen indrukwekkende kerel, een klein rond sloddermannetje met een petje op zijn kaalheid en kleren waarin hij niet bij de koning zou zijn ontvangen, om ’t zo maar eens te zeggen.
‘Bedoelt u het treinpersoneel?’
‘Die ook. De kinkels van het openbaar vervoer zijn altijd te laat en de smeerlappen van de belastingen altijd te vroeg. De klootzakken van de bedrijven naaien je langs alle kanten en dan heb je nog de vreemdelingen en de negers die je ’t leven zuur maken, als ze ’t niet te druk hebben elkaar in stukken te hakken.’
Dat laatste was me d’r teveel aan. ‘Nee, meneer, werkelijk...’
‘Langs alle kanten, zeg ik je. Twintig jaar lang heb ik stroop gegoten in een koekjesfabriek, hoor je dat? Twintig jaar, we hadden ’t best goed samen, mijn stroopmachine en ik. En dan, hop, van de ene dag op de andere, tussen twee koekjes in zeg maar, verhuist de hele zwik naar ’t Verre Oosten.’
‘China?’
‘China, Polen, Orval... weet ik veel... ’t Verre Oosten, met de trein haal je ’t niet ‘s ochtends. Van ’t ene koekje op ’t andere was ik eruit geflikkerd...’ Hij keek een beetje stuurs voor zich uit en nam nog een slokje van zijn sapje terwijl de omroepster de trein aankondigde. Maar die zagen we zelf ook wel.
We stonden op en gingen samen met honderd anderen zo dicht mogelijk bij de sporen staan. We wilden in de trein, niet eronder, maar vanop afstand leek ’t misschien alsof honderd trieste pendelaars gezamenlijk besloten hadden dat ze ‘r nou werkelijk flink genoeg van hadden. Ik vond ’t een tikkel deprimerend en vroeg voor de gezelligheid aan mijn buur of ik ‘m op de trein nog even gezelschap mocht houden. Ik wou wel ‘ns weten hoe het zat met zijn koekjes.
‘Mij best,’ antwoordde hij, ‘als je maar niet gaat denken dat ik van de mannen ben. De vrouwen, godverdomme, ik moet er niet van weten, maar ’t is toch beter dan op je eigen soort te kruipen.’ Hij liet er nog een flink ‘godverdomme’ op volgen, met een overdreven rollende r, ’t leek wel dat ie ‘t geluid van zijn machine miste... Hij had er plezier in om te vloeken, die man, ’t scheen hem warm te houden op dat perron tussen al die kleumende fatsoenlijke pendelaars die op het punt stonden onder of in de trein terecht te komen.
Ik wees naar zijn trouwring. ‘Bent u getrouwd?’
‘Nee, gelukkig niet, stel je voor... ’t Idee met een vrouw samen te leven... Ongelukkig zijn kan ik best op mijn eentje, daar heb je ‘r geen twee voor nodig, al zou ’t vast wel helpen. Nee, die ring, da’s zo’n beetje mijn eigen uitvinding, die draag ik om ergens aan werk te raken. Zo’n baas denkt waarschijnlijk dat hij minder van zijn loner te vrezen heeft als die thuis nog iemand heeft op wie hij zich wat kan uitleven... dat verdeelt de ellende een beetje, als het ware... Nu de koekjes uit Turkije of Tsjechië komen, ben ik natuurlijk op zoek naar een beetje betaald werk. Maar ’t land staat niet vol stroopmachines, dat komt ervan als mensen gezond gaan eten. En ze vinden me ook nog eens te oud. Hoe oud schat jij me, hé? Hoe oud schat jij me, zeg eens? Nou, precies... Alsof dat jong geteisem het beter kan dan ik. Lui zijn ze trouwens ook, ’t is een doffe ellende met jong volk te moeten werken.’
We zaten ondertussen op de trein en ploegden langzaam het station uit, de trein leek er nog niet veel zin in te hebben. ‘Nu hebben ze iets nieuws verzonnen om ’t bloed vanonder je nagels te halen,’ gromde hij. ‘Ze willen tegenwoordig dat je zelfstandig werkt. Dat zei zo’n aap in pak me vandaag, hij was minstens half zo jong en dubbel zo dwaas als ik. Weet je wat dat betekent, werken als zelfstandige? Weet je dat? Dat betekent dat ze je nog sneller leegzuigen, dat betekent het. Ik heb altijd onder contract gewerkt, ze stalen me de kleren van het lijf, maar je kon het tenminste nog eens nalezen in je contract. ’t Stond precies uitgespeld hoe ze ’t zouden aanpakken om je loon te halveren. Als zelfstandige ben je een blinde in het donker, langs alle kanten komen ze als hongerige roofdieren op je af: de wolven van de sociale zekerheid en de belastingen rijten je aan flarden en daarna, uitgerekend wanneer je denkt: ik heb het toch overleefd, dan komen de aaseters van de verzekeringen en de mutualiteiten... Zelfs de mutualiteiten willen een grotere hap van je als je zelfstandig werkt... RSZ, RVA, btw-nummers, hoofd- en bijberoep, langs alle kanten bestoken ze je met papier... allemaal willen ze ’n hap van je en allemaal vinden ze elkaar dieven en schurftige klootzakken: de bedrijven schudden de schuld van zich af, ’t is de staat, zeggen ze, die pakt alles van ons af, regel het zelf maar... en de staat pakt het dan af van je, zodra je ‘rnaar kijkt, spat die staat uiteen in honderd hongerige honden die kwijlend op je afkomen op zoek naar iets lekkers... de belastingdienst, de pensioenen, de hulpkas... allemaal vinden ze ’t elkaars schuld en terwijl ze vechtend over straat rollen hullen ze je in een stofwolk van papier en valse informatie en ondertussen schudden ze je zakken leeg, nemen nog een hap hier en daar... altijd met de glimlach en hoogachtend, dat wel...’
Hij kwam op dreef, je kon het zien. Met zijn vuist sloeg hij op het tafeltje tussen ons in, zijn trouwring tikte mee op het ritme van zijn woede. Zijn gezicht liep rood aan, alsof hij d’r hier en nu komaf mee zou maken. ‘Schoften, dat zijn het,’ brieste hij, hij ging er zelfs recht voor staan om ’t nog eens te herhalen voor de hele wagon. ‘Schoften, liegen is hun moedertaal! Ze hebben allemaal een bloedhekel aan elkaar, de vakbonden en de mutualiteiten en de rijksdiensten en de belastingen en de verzekeringen en de werkgevers, ze vinden mekaar het goorste uitschot dat er bestaat, maar er is één zaak waarom ze verbroederen, één gemeenschappelijk streven, een hoger doel waarvoor ze hun ziekelijk gedrag even koest willen houden en dat is hun gedeelde wens om je zo grondig mogelijk te naaien in alle scheuren van je lijf, tot je leeggebloed en uitgeteerd wandelen wordt gestuurd. Dan gooien ze je ’n pensioentje toe: je hebt verloren, zeggen ze, maar hier is wat geld om ’t nog wat langer uit te zingen... denk nog maar eens na over wat een zielig geval je bent, dan mag je creperen...’
Hij stond erbij te zwaaien en te schudden, zijn hele lijf had ter plekke een nieuwe dans uitgevonden, vol woedend gestamp, maar nu was hij een beetje uitgeraasd en hij stond stil en staarde naar zijn vuilwitte sportschoentjes. Hij was onder de indruk van zijn eigen woorden, geloof ik, hij had zijn eigen einde precies beschreven en ’t leek dat hij daar nu gelaten op stond te wachten.
‘Wat doe jij eigenlijk?’ vroeg hij plots, om ’t even allemaal te kunnen vergeten.
‘Ik schrijf,’ fluisterde ik, want ik vond het niet nodig bij ’t hele treinpubliek die meewarige blik te zien verschijnen waaruit vooral veel minachting sprak, van och, ’t is een artiestje, hij zal wel slecht zijn, want erg mooie kleren draagt hij niet en op tv hebben we ‘m nog nooit gezien. Nee, dan liever de reactie van mijn kameraad, die stak het tenminste niet onder stoelen of banken. ‘Klootzak,’ schold hij en begon weer te stampen en te zwaaien, ‘klootzak die je bent. ’t Is jouw soort waarmee de ellende telkens weer begint. En hoe leef je daarvan, hé, van dat schrijven van je, ’t land propt je zeker vol geld?’
‘Ik krijg subsidies,’ bekende ik.
‘Dat zeg ik net. Hier een beetje zitten luisteren naar mijn verhaal over de vijand en je bent er zelf één... Jij vindt ongetwijfeld vlot je weg in die hele papiermolen, geef maar toe... Of nee, eigenlijk heb je gelijk: zuig ze maar leeg, de parasieten, vreet maar van hun geld, zolang je niet door de mand valt. Ik zou ’t zelf niet kunnen, na twintig jaar stroopmachines heb je geen verbeelding meer in je, en de waarheid interesseert me nog minder. ’t Streven naar waarheid is iets voor degene die ‘m niet kent, daarom hoort jouw soort niet bij de rest van ’t volk... de rest van ons wil er niks meer mee te maken hebben...’
Hij werd stil en ging weer zitten. We praatten nog wat over ’t weer, dat sneeuw in de stad verspilde moeite was en ook nog over de prijs van een treinticket. Daarover maakte hij zich nog even kwaad, maar toen was ’t gedaan, hij had geen energie meer. In Brussel namen we afscheid, ik ging eruit en hij bleef zitten. ‘’t Ga je goed,’ zei hij, zonder verwijten of verwachtingen. Ik bleef nog wat staan op ’t perron en zag hoe de trein opnieuw de duisternis opzocht, voor sommigen houdt het nooit op.
Een man op een bankje, toevallig ’t bankje waar ook ik op zat. Hij dronk fruitsap uit blik met kleine korte slokjes. Bij ’t horen van de aankondiging bleef z’n drinkhand even hangen op weg naar zijn mond en hij draaide zijn hoofd naar me. ‘Varkens.’
‘Pardon?’
‘Vunzige varkens, dat zijn het.’ Hij schudde zijn kleine hoofd, een nietig gebaar eigenlijk, ’t was in ’t algemeen geen indrukwekkende kerel, een klein rond sloddermannetje met een petje op zijn kaalheid en kleren waarin hij niet bij de koning zou zijn ontvangen, om ’t zo maar eens te zeggen.
‘Bedoelt u het treinpersoneel?’
‘Die ook. De kinkels van het openbaar vervoer zijn altijd te laat en de smeerlappen van de belastingen altijd te vroeg. De klootzakken van de bedrijven naaien je langs alle kanten en dan heb je nog de vreemdelingen en de negers die je ’t leven zuur maken, als ze ’t niet te druk hebben elkaar in stukken te hakken.’
Dat laatste was me d’r teveel aan. ‘Nee, meneer, werkelijk...’
‘Langs alle kanten, zeg ik je. Twintig jaar lang heb ik stroop gegoten in een koekjesfabriek, hoor je dat? Twintig jaar, we hadden ’t best goed samen, mijn stroopmachine en ik. En dan, hop, van de ene dag op de andere, tussen twee koekjes in zeg maar, verhuist de hele zwik naar ’t Verre Oosten.’
‘China?’
‘China, Polen, Orval... weet ik veel... ’t Verre Oosten, met de trein haal je ’t niet ‘s ochtends. Van ’t ene koekje op ’t andere was ik eruit geflikkerd...’ Hij keek een beetje stuurs voor zich uit en nam nog een slokje van zijn sapje terwijl de omroepster de trein aankondigde. Maar die zagen we zelf ook wel.
We stonden op en gingen samen met honderd anderen zo dicht mogelijk bij de sporen staan. We wilden in de trein, niet eronder, maar vanop afstand leek ’t misschien alsof honderd trieste pendelaars gezamenlijk besloten hadden dat ze ‘r nou werkelijk flink genoeg van hadden. Ik vond ’t een tikkel deprimerend en vroeg voor de gezelligheid aan mijn buur of ik ‘m op de trein nog even gezelschap mocht houden. Ik wou wel ‘ns weten hoe het zat met zijn koekjes.
‘Mij best,’ antwoordde hij, ‘als je maar niet gaat denken dat ik van de mannen ben. De vrouwen, godverdomme, ik moet er niet van weten, maar ’t is toch beter dan op je eigen soort te kruipen.’ Hij liet er nog een flink ‘godverdomme’ op volgen, met een overdreven rollende r, ’t leek wel dat ie ‘t geluid van zijn machine miste... Hij had er plezier in om te vloeken, die man, ’t scheen hem warm te houden op dat perron tussen al die kleumende fatsoenlijke pendelaars die op het punt stonden onder of in de trein terecht te komen.
Ik wees naar zijn trouwring. ‘Bent u getrouwd?’
‘Nee, gelukkig niet, stel je voor... ’t Idee met een vrouw samen te leven... Ongelukkig zijn kan ik best op mijn eentje, daar heb je ‘r geen twee voor nodig, al zou ’t vast wel helpen. Nee, die ring, da’s zo’n beetje mijn eigen uitvinding, die draag ik om ergens aan werk te raken. Zo’n baas denkt waarschijnlijk dat hij minder van zijn loner te vrezen heeft als die thuis nog iemand heeft op wie hij zich wat kan uitleven... dat verdeelt de ellende een beetje, als het ware... Nu de koekjes uit Turkije of Tsjechië komen, ben ik natuurlijk op zoek naar een beetje betaald werk. Maar ’t land staat niet vol stroopmachines, dat komt ervan als mensen gezond gaan eten. En ze vinden me ook nog eens te oud. Hoe oud schat jij me, hé? Hoe oud schat jij me, zeg eens? Nou, precies... Alsof dat jong geteisem het beter kan dan ik. Lui zijn ze trouwens ook, ’t is een doffe ellende met jong volk te moeten werken.’
We zaten ondertussen op de trein en ploegden langzaam het station uit, de trein leek er nog niet veel zin in te hebben. ‘Nu hebben ze iets nieuws verzonnen om ’t bloed vanonder je nagels te halen,’ gromde hij. ‘Ze willen tegenwoordig dat je zelfstandig werkt. Dat zei zo’n aap in pak me vandaag, hij was minstens half zo jong en dubbel zo dwaas als ik. Weet je wat dat betekent, werken als zelfstandige? Weet je dat? Dat betekent dat ze je nog sneller leegzuigen, dat betekent het. Ik heb altijd onder contract gewerkt, ze stalen me de kleren van het lijf, maar je kon het tenminste nog eens nalezen in je contract. ’t Stond precies uitgespeld hoe ze ’t zouden aanpakken om je loon te halveren. Als zelfstandige ben je een blinde in het donker, langs alle kanten komen ze als hongerige roofdieren op je af: de wolven van de sociale zekerheid en de belastingen rijten je aan flarden en daarna, uitgerekend wanneer je denkt: ik heb het toch overleefd, dan komen de aaseters van de verzekeringen en de mutualiteiten... Zelfs de mutualiteiten willen een grotere hap van je als je zelfstandig werkt... RSZ, RVA, btw-nummers, hoofd- en bijberoep, langs alle kanten bestoken ze je met papier... allemaal willen ze ’n hap van je en allemaal vinden ze elkaar dieven en schurftige klootzakken: de bedrijven schudden de schuld van zich af, ’t is de staat, zeggen ze, die pakt alles van ons af, regel het zelf maar... en de staat pakt het dan af van je, zodra je ‘rnaar kijkt, spat die staat uiteen in honderd hongerige honden die kwijlend op je afkomen op zoek naar iets lekkers... de belastingdienst, de pensioenen, de hulpkas... allemaal vinden ze ’t elkaars schuld en terwijl ze vechtend over straat rollen hullen ze je in een stofwolk van papier en valse informatie en ondertussen schudden ze je zakken leeg, nemen nog een hap hier en daar... altijd met de glimlach en hoogachtend, dat wel...’
Hij kwam op dreef, je kon het zien. Met zijn vuist sloeg hij op het tafeltje tussen ons in, zijn trouwring tikte mee op het ritme van zijn woede. Zijn gezicht liep rood aan, alsof hij d’r hier en nu komaf mee zou maken. ‘Schoften, dat zijn het,’ brieste hij, hij ging er zelfs recht voor staan om ’t nog eens te herhalen voor de hele wagon. ‘Schoften, liegen is hun moedertaal! Ze hebben allemaal een bloedhekel aan elkaar, de vakbonden en de mutualiteiten en de rijksdiensten en de belastingen en de verzekeringen en de werkgevers, ze vinden mekaar het goorste uitschot dat er bestaat, maar er is één zaak waarom ze verbroederen, één gemeenschappelijk streven, een hoger doel waarvoor ze hun ziekelijk gedrag even koest willen houden en dat is hun gedeelde wens om je zo grondig mogelijk te naaien in alle scheuren van je lijf, tot je leeggebloed en uitgeteerd wandelen wordt gestuurd. Dan gooien ze je ’n pensioentje toe: je hebt verloren, zeggen ze, maar hier is wat geld om ’t nog wat langer uit te zingen... denk nog maar eens na over wat een zielig geval je bent, dan mag je creperen...’
Hij stond erbij te zwaaien en te schudden, zijn hele lijf had ter plekke een nieuwe dans uitgevonden, vol woedend gestamp, maar nu was hij een beetje uitgeraasd en hij stond stil en staarde naar zijn vuilwitte sportschoentjes. Hij was onder de indruk van zijn eigen woorden, geloof ik, hij had zijn eigen einde precies beschreven en ’t leek dat hij daar nu gelaten op stond te wachten.
‘Wat doe jij eigenlijk?’ vroeg hij plots, om ’t even allemaal te kunnen vergeten.
‘Ik schrijf,’ fluisterde ik, want ik vond het niet nodig bij ’t hele treinpubliek die meewarige blik te zien verschijnen waaruit vooral veel minachting sprak, van och, ’t is een artiestje, hij zal wel slecht zijn, want erg mooie kleren draagt hij niet en op tv hebben we ‘m nog nooit gezien. Nee, dan liever de reactie van mijn kameraad, die stak het tenminste niet onder stoelen of banken. ‘Klootzak,’ schold hij en begon weer te stampen en te zwaaien, ‘klootzak die je bent. ’t Is jouw soort waarmee de ellende telkens weer begint. En hoe leef je daarvan, hé, van dat schrijven van je, ’t land propt je zeker vol geld?’
‘Ik krijg subsidies,’ bekende ik.
‘Dat zeg ik net. Hier een beetje zitten luisteren naar mijn verhaal over de vijand en je bent er zelf één... Jij vindt ongetwijfeld vlot je weg in die hele papiermolen, geef maar toe... Of nee, eigenlijk heb je gelijk: zuig ze maar leeg, de parasieten, vreet maar van hun geld, zolang je niet door de mand valt. Ik zou ’t zelf niet kunnen, na twintig jaar stroopmachines heb je geen verbeelding meer in je, en de waarheid interesseert me nog minder. ’t Streven naar waarheid is iets voor degene die ‘m niet kent, daarom hoort jouw soort niet bij de rest van ’t volk... de rest van ons wil er niks meer mee te maken hebben...’
Hij werd stil en ging weer zitten. We praatten nog wat over ’t weer, dat sneeuw in de stad verspilde moeite was en ook nog over de prijs van een treinticket. Daarover maakte hij zich nog even kwaad, maar toen was ’t gedaan, hij had geen energie meer. In Brussel namen we afscheid, ik ging eruit en hij bleef zitten. ‘’t Ga je goed,’ zei hij, zonder verwijten of verwachtingen. Ik bleef nog wat staan op ’t perron en zag hoe de trein opnieuw de duisternis opzocht, voor sommigen houdt het nooit op.

<< Home