Monday, January 30, 2006

de eerlijke zoeker

Net als zoveel andere Vlamingen heb ik een zwak voor Zuid-Frankrijk. Ik ben er als kind tienduizend keer op vakantie geweest, in zekere zin voelt het een beetje aan als thuiskomen wanneer ze me over de péage naar de Ardèche vervoert. Strikt genomen nog niet helemaal het Zuiden, maar toch al een heel andere wereld.
Ik ben een ervaren copiloot en met de kaart op de knieën en de route in mijn hoofd en voldoende snoep in de handen loodsen we elkaar weg van onze respectieve redenen België te ontvluchten. Voor altijd voor een week. Om te oefenen.

Op de heenreis overnachten we in Hagondange, bij Metz, in een goedkoop hotelletje. ’t Zijn werkelijk extreem lieve mensen die het openhouden, een wat ouder koppel. Toch, zo’n klein hotelletje, het doet altijd een beetje denken aan slechte politieseries, je fantaseert makkelijk de schoten in het donker. ’s Nachts krijg ik ei zo na gelijk, want het koppel naast ons maakt elkaar uit voor alles wat zelfs in het Frans lelijk is. Ik zeg niet dat ik altijd de liefste geweest ben, maar ik begrijp niet dat mensen elkaar zo de duvel aandoen. Daar is volgens mij maar een verklaring voor: ze beseffen donders goed dat ze tot hun laatste snik bij elkaar zullen zijn. Huis clos.
Triestig, maar ook grappig. Als ik een echte man was, zou ik natuurlijk op hun deur gaan kloppen zijn en eventueel ook op zijn gezicht, maar ja, het lief van mijn lief is een seutje, ik geef het toe. Dat wordt nog wat als ik mijn legerdienst ga vervullen.

Geen beter schuiloord dan het huisje waar we terechtkomen. Muren met echte stenen en veel hout tegen het plafond, 't is een verbouwde schuur. Een heerlijk uitzicht op het dal behoedt ons tegen een eventuele verrassingsaanval van aanstormende legers. Ijverige olieverwarming in de woonkamer. (Je ziet ook een grote vlam, maar mist het geknetter van het hout. En je kan ook niet in de sneeuw balkjes gaan klieven.) In de slaapkamer is het koud, maar ik lig naast haar en zij naast mij, probleem opgelost.
We zitten in de kastanjestreek -het verschil tussen ‘marron’ en ‘châtaigne’ is de grootte- en ik word verliefd op kastanjeconfituur op mijn dagelijks Frans brood. Omdat het nu geen toeristenseizoen is (dat is hier het vijfde seizoen, ik denk dat de Fransen pas van hun zomer genieten als iedereen weer weg is), lopen er geen Duitsers met opgetrokken witte sokken of Nederlanders met caravans in de weg. Geen Amerikanen die niet snappen wat ze zien of Belgen waarbij ik niets kan verzinnen. Een enkele vrome pelgrim in Le Puy die ’t net als wij vast niet leuk vindt dat je niet op de maagd mag. Het standbeeld dat over de stad kijkt is niet te bezichtigen, maar er zijn kleine straatjes en een soortement Arabische kerk die veel goed maken.
Mijn Sudoku wordt gerantsoeneerd, want ik begin er zelfs van te dromen en bovendien moet er ook nog wat gewerkt worden: speciaal voor deze reis ben ik een mooi rood schriftje beginnen volpennen. Schriftjes zijn hip, in de supermarkt sta ik er graag naar te kijken.
Op woensdag hebben we zin in berg, dus we rijden naar de Gerbier du Jonc of zoiets, maar stranden in een klein dorpje dat niet alleen zo goed als verlaten is, maar ook verstopt ligt onder pakken sneeuw. Ik wil nog 27 worden, dus we houden het daar voor bekeken en maken rechtsomkeert, nadat grondig onderzoek aantoont dat pipi een sneeuwinzakking van 24 cm kan veroorzaken.
En voor de rest, je kent dat wel: wandelen in bossen, door dorpjes kuieren, bij elke bakker een baguette willen kopen, ondanks het koude weer toch in de rivier willen pootjebaden. De vrede van ongecompliceerde mensen.

Op vakantie voel ik me altijd thuis; op zoek zijn is al een beetje vinden, zoiets, maar dat klinkt alweer te gecompliceerd.