Friday, March 10, 2006

dit is de honderdste tekst

(Schrijven is een oefening in God. Geloven is twijfelen en herbevestigen.)

Ik stond aan je deur vannacht, maar je was niet thuis. Ik heb niet aangebeld, want ik wist dat je niet thuis was en daarom misschien niet zou opendoen. Je zit daar in de verte.
Terwijl ik aan je deur stond, was ook ik niet thuis. Ik was een uur tevoren op stap gegaan, mijn voeten waren begonnen en de rest was gevolgd. Eigenlijk ga ik liever heen dan weer. Terug naar huis heeft toch iets van een nederlaag, nee?
Om eerlijk te zijn denk ik dat ik nog altijd niet ben thuisgekomen. In mijn hoofd ben ik nog altijd onderweg, daarom sla ik ’s avonds en ’s nachts aan het zwerven. Het ergst zijn immers de uren voor de ochtend.
Verloren lopen bij daglicht is een beetje triest, alsof je niets beters te doen hebt. Bij nachtlicht past het beter, want dan heb je ook echt niets beters te doen. ’s Nachts is de stad zoveel aangenamer dan overdag: geen auto’s, geen mensen met ogen en de toren van de kathedraal is verlicht voor degenen die, door de storm van koers geslagen, op zoek zijn naar vaste grond.

Tot wie ik mijn gedachten richt tussen al die voetstappen, weet ik niet. Er staan zoveel kerken om me heen dat ik wel gehoord moet worden, maar ik weet niet of er antwoord komt. Ik vang soms iets op, maar misschien is het niet voor mij bedoeld, of begrijp ik het verkeerd, of is het gewoon de weerkaatsing van mijn eigen woorden.
‘Je zegt dat je niet weet of je groot of klein bent,’ zegt een van ons. ‘Je zegt dat je zoekt, maar dat je niet weet wat je zoekt. Je hebt een wereld geschapen en nu weet je niet wat ermee aan te vangen.’
‘Ge zegt dat ge geen woorden meer van leugens kunt onderscheiden. Dat wat je gemaakt hebt, je afgrijselijk toeschijnt en tegelijk ook nietig, terwijl het toch maar één van beide kan zijn. Je zou in een keer je hele wereld willen laten verdwijnen, maar je doet het niet, want je wil niet alleen achterblijven.’
‘Je loopt over straat. Alles wat je ziet, heb je zelf gemaakt. En toch twijfel je en kijk je verbaasd naar je handen en je vraagt je af: hebben die dat gedaan?’
‘Lacrimosa dies illa qua resurget ex favilla judicandus homo reus,’ wordt er gezegd, voor alle duidelijkheid wordt het Latijn gebruikt, dat spreekt iedereen wel een beetje, tientallen keren wordt het gezegd, tot het overal weerklinkt en door de eeuwenoude stenen dringt, maar of het vanbinnen komt of van elders, is nog altijd niet duidelijk. Je weet niet wie aan het woord is, maar je blijft toch luisteren.
‘Je moet in mij geloven, een andere keuze heb je niet,’ wordt er nog gezegd, maar het antwoord gaat verloren als plots de deuren van een café openzwaaien en vrolijke muziek een heel ander verhaal komt vertellen.

(Lacrimosa...: Vol van tranen is de dag waarop de schuldige mens uit het stof zal herrijzen om geoordeeld te worden.)