Stig Dagerman voor jou

Goede vriend,
Telkens weer kan ik alleen maar met tevredenheid naar mijn vriendenkring kijken en vaststellen hoe gezegend ik ben met die bonte verzameling mensen die me kunnen verrijken en, indien nodig, opvrolijken; vrienden, kortom, die de wereld in mijn richting laten draaien.
Niet gedraald, kameraad, ik wil vandaag een nieuw en, voor mij, belangrijk hoofdstuk toevoegen aan onze kruisbestuiving: Stig Dagerman (waarvan hier een foto). Hij is een van de redenen dat ik bijna Germaanse ging studeren (en wie weet doe ik het op een dag toch nog, al kan je nu ook Frans-Zweeds studeren en mag je ’t dus niet echt meer Germaanse noemen).
Om te beginnen bij het begin: mijn leraar Nederlands uit het vierde jaar, dezelfde man overigens die ook met één zinnetje mijn interesse voor Céline wekte, zei op een dag iets over een genie uit Zweden dat aan een razend tempo een uiterst donker oeuvre had bijeengeschreven.
Ik heb toen eerst zijn roman ‘Het verbrande kind’ gelezen, die staat in mijn vaders bibliotheek, net zoals ‘Dood op krediet’ van Céline; ouders die hun kinderen geen reservoir bieden, zijn geen ouders; het kan een bibliotheek zijn, of een verzameling insecten of muziekinstrumenten of een spinnenwebbenzolder met veel oude kisten, maar er moet iets zijn waarin een kind zichzelf kan verliezen en ontdekken.
‘Het verbrande kind’, dat was in januari 1997. Als ik vertel dat het volgende boek Goethes Werther was en dat dat me opmonterde, dan weet je ’t wel. Het is een gitzwart boek, het is de dood en depressie in letters gevat.
Ik was er zo van onder de indruk dat ik niks meer las van Stiggie. Pas in de vakantie van tweede kan waagde ik me aan zijn debuut ‘De slang’ uit 1945. Het was een erg warme zomer toen ik het las en je weet dat mijn appartement de hitte enkel nog vermenigvuldigt. De eerste zin van ‘De slang’ gaat zo: ‘Het was zo heet dat je koffie had kunnen branden op de spoorrails.’ Ik heb het niet uitgelezen. Het was geweldig goed, maar ik voelde me zo waanzinnig beroerd dat ik het terug in de kast heb gezet. In de plaats las ik dan maar Jeroen Brouwers’ essay over Dagerman, waarvan ik me alleen maar kan herinneren dat ik me schouderophalend afvroeg waarom die achtendertig bladzijden zonodig moesten worden uitgegeven.
Precies twee jaar geleden, toen ik dus al een tijdje op zoek was naar werk en ik dacht dat de journalistiek misschien wel een interessant spoor was, las ik ‘Duitse herfst: een naoorlogse reportage’ waarin Stiggie verslag doet van zijn reis door Duitsland, vlak na de oorlog. Je kan je wel voorstellen dat dat geen erg vrolijke literatuur was, maar vrolijkheid is geen literair criterium.
Pas op dat moment begon ik me te interesseren voor de mens Stig Dagerman. Hij werd geboren in 1923 en opgevoed door zijn grootouders. Toen hij zestien was, werd zijn grootvader vermoord en stierf zijn grootmoeder van de shock. In het verhaal ‘Memoires van een kind’ schreef hij dat daaruit de wens om te schrijven geboren werd: ‘...dat wil zeggen in staat te zijn te vertellen hoe het voelt om te rouwen, geliefd te zijn geweest, eenzaam te worden.’ En eenzaam werd hij inderdaad, in de jaren daarna: hij ging naar het station om onder mensen te kunnen zijn. ‘Ik droomde en droomde dat ik een keer op het Centraal Station zou staan met een kaartje naar China in mijn zak dat ik te voorschijn zou halen als de politie kwam. Maar ik had nooit een kaartje naar China.’
Hij was al van jongs af bij de syndicalisten, ’t zou de omgekeerde wereld zijn als ik jou zou moeten uitleggen wat dat betekent. Doet hij je ook niet een beetje denken aan Orwell (‘all writing is political’) als hij schrijft dat zijn schrijverschap moet dienen ‘niet als doel maar als middel. Ik werd redacteur van een revolutionair, antifascistisch jeugdblad waarvan het eerste nummer in beslag werd genomen en ik was geweldig trots toen ik merkte dat het de politie soms drie weken kostte om mijn (schooljongens)post door te lezen.’
Ja, man, Stig leefde in een tijd waarin je nog overtuigd links kon zijn, en niet links tegen beter weten in, zoals vandaag. Maar dat zal jij wel niet met me eens zijn.
- Ik weet onderhand dat je interesse gewekt is, al ben ik lang niet zeker dat zijn schrijfstijl je zal kunnen bekoren. Maar daar kunnen we dan weer over discussiëren en dat is goed. -
Het liep niet goed af met Stig. Op zijn zesentwintigste had hij vier romans gepubliceerd, een verzameling kortverhalen, vier toneelstukken en een reisreportage – om nog te zwijgen van zijn bijdragen aan allerlei tijdschriften. En toen, toen hield het op en slaagde hij er niet meer in iets af te werken. Op zijn eenendertigste werd hij gevonden in zijn garage, hij had zichzelf vergast.
Hoewel zijn teksten je meesleuren naar een onvermoede en peilloze diepte waarvan het moeilijk in te beelden valt dat je er nog ooit uit kan klimmen, gaat er toch ook een onverwachte troost van uit: die onvoorstelbaar eenzame diepte is me namelijk vreemd. Het is misschien een ziekte van onze tijd om een dipje of zelfs ongelukkig zijn te verwarren met echte depressie die je van binnen uit verteert (en misschien moeten we zelfs in dat geval proberen niet te wanhopen). Op die manier kijk ik in het –toegegeven, omwille van de literaire kwaliteit soms lokkende- ravijn van Stig Dagerman en besef ik dat ikzelf nog veilig boven sta.
Het was een knappe man, Stig Dagerman, al zou ik niet goed weten hoe zijn gezicht te beschrijven; goedmoedig misschien. Een jongen die oude mevrouwtjes over straat helpt. Hij vond het vreselijk dat hij nooit zou weten of hij met zijn geschrijf het hart van de wereld zou raken (om het met zijn woorden te zeggen) en dat valt er een beetje aan te zien. Een denker. Peinzend. Nooit voldaan.
Bernlef heeft nogal hard op zijn oeuvre gezwoegd, maar vandaag wordt Dagerman niet meer uitgegeven in het Nederlands. De boeken die ik van hem heb, dragen allemaal het stempel ‘afgevoerd’ uit de bibliotheek… In 2003 vond ik in Londen ‘The games of night’. Maar verder lijkt hij een beetje een standbeeld te zijn geworden: aanvaard als belangrijk figuur, maar vergeten en enkel nog bezocht door een koppel duiven.
Dat moet volstaan, waarde vriend. Kom snel eens langs en dan leen ik je een boek, als je tenminste belooft er goed voor te zijn. Groet!

<< Home