Sunday, May 28, 2006

De dakloze koning

De man naast mij gniffelde. Ik keek op uit mijn boek om hem te laten merken dat ik had gemerkt dat hij gegniffeld had en dat het niet de bedoeling is dat je op de tram met elkaar in gesprek treedt, tenzij er kinderen in het spel zijn of onwetenden die de weg niet kennen.
In de fractie van een seconde dat mijn hoofd en ogen in zijn richting draaiden, werd ik me bewust van mijn verzuurde houding en besloot ik precies het omgekeerde te doen; onze blikken kruisten elkaar en in plaats van mijn lege pendelaarsblik te staren, glimlachte ik flauwtjes. Hij knikte me toe, alsof hij me wilde aanmoedigen verder te gaan op de ingeslagen weg. Daarop gaf hij me de kans hem te bekijken door opnieuw uit het raam te staren.
’t Was een al wat oudere man met een opvallende zilveren baard, zoals koningen die vroeger hadden, maar hij zag er te slim uit om koning te zijn. Tegelijk gaf zijn baard hem iets dakloos. Uit zijn pak viel niets af te leiden, maar zijn gebruinde handen en gezicht –niet dat vakantiebruin van de mediterrane zon, maar van een zwerver die ook striemende regen kent- waren gerimpeld. Het waren niet zozeer rimpels van ouderdom, maar van iemand die al veel geleefd en zichzelf veel aangedaan had en maar weinig spijt kende. Hij straalde uit alles te hebben gezien, zoals ook veelbereisde mensen dat soms hebben, maar dan zonder de arrogantie die daar bij hen dikwijls mee gepaard gaat.
Ik ging op zoek naar de zin waar ik mijn boek had verlaten maar zag vanuit mijn ooghoeken een getaande vinger naar mijn boek wijzen en keek opnieuw op. ‘Die heeft het vrij goed begrepen,’ zei hij, en opnieuw welde uit zijn zilveren baard een sympathieke lach op.
Het boek dat ik las was van een onbekende auteur, maar zijn werk was voor mij van groot belang. Het feit dat er nog iemand bestond die trams nam en van deze auteur hield, gaf me een behaaglijk gevoel.
‘Denkt u?’ vroeg ik, hoewel het ook voor mij duidelijk was dat de auteur een groot inzicht had in een aantal zaken die ik zelf probeerde te doorgronden.
Er ontspon zich een gesprek; het bleek dat we allebei op weg waren naar het station, wat toeliet dat ons gesprek, nu zonder enige haast gevoerd, diepgang kon krijgen. Terwijl we door de Louizalaan spoorden, wees hij naar de shoppende mensen: ‘Het is toch treurig dat de mensen hun beperkte tijd veelal besteden aan het doden van de tijd. Vertier. Anders gaan ze zich vervelen.’ Hij keek een beetje stuurs en staarde door het raam. ‘Er is doorheen de menselijke geschiedenis eigenlijk niet zoveel veranderd. De mensen doen wat ze altijd gedaan hebben, ze spelen nog altijd dezelfde rol. Enkel het decor verandert.’
We stapten uit de tram en wandelden naar de metro. ‘De arena of computerspelletjes. Bij Caesar was het met messteken, bij Kennedy waren het kogels,’ legde hij uit terwijl hij op mijn arm steunde, meer uit vriendschappelijkheid dan omdat hij het nodig had, ‘maar het idee was natuurlijk hetzelfde. Destijds waren ze in de wolken met de ontdekking van Amerika, nu moet absoluut het melkwegstelsel veroverd worden. Begrijp me niet verkeerd, de menselijke nieuwsgierigheid -die je bij een minderheid aantreft- is een goede zaak; anders zou er niet veel te beleven zijn. Maar een echte evolutie kent de mens niet, enkel zijn omstandigheden veranderen. Ik had gedacht dat er naast het streven de fysieke beperkingen te overkomen, ook een poging gedaan zou zijn de mentale tekortkomingen te verhelpen.’
‘De filosofie en de religie?’ wierp ik tegen, maar hij keek even schuin opzij en lachte schamper.
‘De religie wordt veelal gebruikt om die mentale beperkingen net niet het hoofd te hoeven bieden. Het gaat er bovendien meer en meer op lijken dat de mens zich onderwerpt aan de technologie. Hij kan het niet bijhouden. Vroeger hadden de mensen kaarslicht, toen sliepen ze nog genoeg, maar ze hebben onlangs de elektriciteit ontdekt en nu vergeten ze dat zijzelf zwak vlees en bloed blijven.
Ze zijn zo voorspelbaar. Ze kunnen er niet tegen als ik zeg dat niets van wat ze hebben, voor eeuwig is. Kortaangebonden en verwaand, dat zijn ze; voortdurend roepen ze dat ik op hen lijk, maar ik voel me niet echt verbonden met hen. Soms kom ik in de verleiding ze een flink lesje te leren, maar met al hun gesukkel zie ik dat ze zichzelf al genoeg straffen, dus ik houd me aan de belofte die ik, na die ene keer, aan mezelf heb gemaakt: ik kom niet meer tussen! Ik moei me met niets of niemand. Anders is de boot aan en mag ik van hot naar her hollen en ik heb wel betere dingen te doen.
Toch weet het mensdom wel te verrassen, zo nu en dan. Die Mozart kwam aardig in de buurt. Nuja, niet echt natuurlijk, maar toch, ’t deed denken aan de oorspronkelijke vonk. Ik werd ook herinnerd aan mijn eigen enthousiasme, waarom ik aan de hele onderneming was begonnen.
Ik had meteen begrepen dat Mozart heel wat in zijn mars had, zoals zovelen trouwens, maar de meesten die door het kansspel van de genetica in staat worden gesteld iets verhevens te kunnen verwezenlijken, zijn niet in staat zich overeind te houden in het wereldse, en worden verwoest voor ze de kans krijgen zich te manifesteren; bovendien weerstaat niet iedereen aan de lokroep van de vonk.
Alles welbeschouwd zou ik het wel jammer vinden mocht het morgen gedaan zijn –wat niet ondenkbaar is, als je ziet hoe ze bezig zijn. Soms vraag ik me af of ik het opnieuw zou doen. Om die vrije wil kan ik echt niet heen. Anders wordt het helemaal voorspelbaar. Maar er komt zoveel ellende uit voort dat ik niet zeker weet of het wel de moeite loont. Nu goed, de mensen beantwoorden die vraag zelf, want voor alles vinden ze leven heilig, wat hen ook overkomt.’

We kwamen aan in het station. Ik had wel zijn kant uit willen gaan, maar hij verzekerde me dat dat niet de bedoeling was. ‘In een ding ben ik hun evenbeeld,’ grijnsde hij vanuit zijn baard, ‘ik denk ook in de eerste plaats aan mijn eigen plezier.’
Ik had hem nog zoveel vragen willen stellen, maar in het gedrang verloor ik hem uit het oog, anderen wrongen zich langs me heen, hun haast en wereldse bezigheden sleurden me mee en voor ik het wist, was Hij uit mijn leven verdwenen.