I Pagliacci
1
Net als in China maken mijn studenten hier ook wel eens acrobatische fouten die ik dan onopgemerkt probeer op te schrijven. In China was dat niet zo moeilijk; als er nog veertig in de klas zitten, loop je wat rond en tussen hoek en kant kribbel je ’t snel even neer. Als je maar met zijn tweeën aan tafel zit, permitteert men zich al wat meer nieuwsgierigheid.
Er is er een tegenover wie ik openlijk toegeef dat ik haar fouten opschrijf, want dat vindt ze een beetje beledigend en haar reactie vind ik dan weer leuk. ‘Pijn je lijd?’ vraagt ze als ik het verschil uitleg met het leiden van Verhofstadt, en toen ze in Gent verloren reed was er gelukkig iemand die haar de weg waste. Want zo leven prinsessen: ze woont in een wereld waar de knapper haar haar verzorgt en deelt sprookjes met Witte Sneeuw. Toch heeft ze ook haar scherpe kantjes, want toen ik vroeg wat ik gezegd had, was haar kordate antwoord: ‘U zeikt.’
Professioneel heeft ze ’t niet voor arbeiders maar aardbereiders en aangaande haar privéleven: ze ontwaakt door de bakker naast haar bed. Ik had haar huwelijksfeest wel willen meemaken, want ze hield een vervolgingsfeest en vertelt dat haar moeder zoveel houdt van haar schoonzonde. Feesten kunnen ze wel in die familie: Vette Dinsdag valt op dezelfde dag als Mardi Gras en chirokampen worden vrijmoedig ingeruild voor een hoerenkamp. Of vegetarianen daar welkom zijn, weet ik niet, noch welke tijdleef daarvoor vereist is. Hopelijk trap ik haar met deze tekst niet op de voetvingers.
2
‘Ik heb nooit ergens pijn, alleen soms vanbinnen,’ zegt iemand in de tekst waaraan ik tegenwoordig mijn tijd besteed. Want dat is wat ik doe: mijn Worddocumentje –een koppelteken had daar niet misstaan, maar ’t mag niet meer, geloof ik- openen, het een beetje verder vullen en daarna weer netjes dichtvouwen. Soms komt daar ook iets van, ga in de winkel maar eens vragen naar Dit is mijn huis, zei het water.
Ja, schrijven... ’t Lijkt wel alsof ik het hier de voorbije twee jaar –twee jaar al; ik weet nog dat ik het bestaan en adres van deze weblog pas met jullie wilde delen toen ik zeker wist dat ik niet na twee weken in China ontmaskerd zou worden: ‘Jij bent helemaal geen leraar, jij bent gewoon een jongen die het allemaal speelt,’ een gevoel dat ik eigenlijk nog altijd niet heb afgeschud- alsof ik hier de voorbije twee jaar dus meer over schrijven heb geschreven dan wat dan ook; meer dan Cobain, seks of mijn obsessie met het afgrijselijke voortschrijden van de tijd. En toch, hierzie, nog een schepje erbovenop: soms denk ik dat schrijven (nog steeds niet te verwarren met publiceren) het meest vredelievende is dat er bestaat. ’t Is een hobby waarvoor je geen landschappen hoeft te verwoesten, zoals golf. Je hoeft er anderen niet mee lastig te vallen, zoals voetbal of feminisme. Je kan er fijn jezelf zijn, dus je hoeft niet te houden van dieren, van arme Palestijnen of van jou. Het maakt geen lawaai, behalve dan de pijnlijke stiltes in relaties waar er maar eentje is die schrijft. Die blijft en de ander gaat meestal. Schrijven is ook democratisch, zelfs analfabeten kunnen het; of sms-en Kimberley en Kevin niet? ’t Helpt verder ook tegen kapitalisme, want het is volstrekt nutteloos, inefficiënt en meerwaarde levert het ook niet bepaald op. Het is ook een hobby waarin liegen aan te moedigen valt, meer zelfs: hoe kwaadaardiger, hoe beter. Als Hitler gewoon een boek had geschreven, zou hij nooit al die dingen gedaan hebben.
Schrap die laatste zin. Toch blijft het een feit: wie schrijft, kan geen groter kwaad aanrichten. Of misschien is het helemaal omgekeerd en moet je de vorige zin nog eens goed herlezen.
Net als in China maken mijn studenten hier ook wel eens acrobatische fouten die ik dan onopgemerkt probeer op te schrijven. In China was dat niet zo moeilijk; als er nog veertig in de klas zitten, loop je wat rond en tussen hoek en kant kribbel je ’t snel even neer. Als je maar met zijn tweeën aan tafel zit, permitteert men zich al wat meer nieuwsgierigheid.
Er is er een tegenover wie ik openlijk toegeef dat ik haar fouten opschrijf, want dat vindt ze een beetje beledigend en haar reactie vind ik dan weer leuk. ‘Pijn je lijd?’ vraagt ze als ik het verschil uitleg met het leiden van Verhofstadt, en toen ze in Gent verloren reed was er gelukkig iemand die haar de weg waste. Want zo leven prinsessen: ze woont in een wereld waar de knapper haar haar verzorgt en deelt sprookjes met Witte Sneeuw. Toch heeft ze ook haar scherpe kantjes, want toen ik vroeg wat ik gezegd had, was haar kordate antwoord: ‘U zeikt.’
Professioneel heeft ze ’t niet voor arbeiders maar aardbereiders en aangaande haar privéleven: ze ontwaakt door de bakker naast haar bed. Ik had haar huwelijksfeest wel willen meemaken, want ze hield een vervolgingsfeest en vertelt dat haar moeder zoveel houdt van haar schoonzonde. Feesten kunnen ze wel in die familie: Vette Dinsdag valt op dezelfde dag als Mardi Gras en chirokampen worden vrijmoedig ingeruild voor een hoerenkamp. Of vegetarianen daar welkom zijn, weet ik niet, noch welke tijdleef daarvoor vereist is. Hopelijk trap ik haar met deze tekst niet op de voetvingers.
2
‘Ik heb nooit ergens pijn, alleen soms vanbinnen,’ zegt iemand in de tekst waaraan ik tegenwoordig mijn tijd besteed. Want dat is wat ik doe: mijn Worddocumentje –een koppelteken had daar niet misstaan, maar ’t mag niet meer, geloof ik- openen, het een beetje verder vullen en daarna weer netjes dichtvouwen. Soms komt daar ook iets van, ga in de winkel maar eens vragen naar Dit is mijn huis, zei het water.
Ja, schrijven... ’t Lijkt wel alsof ik het hier de voorbije twee jaar –twee jaar al; ik weet nog dat ik het bestaan en adres van deze weblog pas met jullie wilde delen toen ik zeker wist dat ik niet na twee weken in China ontmaskerd zou worden: ‘Jij bent helemaal geen leraar, jij bent gewoon een jongen die het allemaal speelt,’ een gevoel dat ik eigenlijk nog altijd niet heb afgeschud- alsof ik hier de voorbije twee jaar dus meer over schrijven heb geschreven dan wat dan ook; meer dan Cobain, seks of mijn obsessie met het afgrijselijke voortschrijden van de tijd. En toch, hierzie, nog een schepje erbovenop: soms denk ik dat schrijven (nog steeds niet te verwarren met publiceren) het meest vredelievende is dat er bestaat. ’t Is een hobby waarvoor je geen landschappen hoeft te verwoesten, zoals golf. Je hoeft er anderen niet mee lastig te vallen, zoals voetbal of feminisme. Je kan er fijn jezelf zijn, dus je hoeft niet te houden van dieren, van arme Palestijnen of van jou. Het maakt geen lawaai, behalve dan de pijnlijke stiltes in relaties waar er maar eentje is die schrijft. Die blijft en de ander gaat meestal. Schrijven is ook democratisch, zelfs analfabeten kunnen het; of sms-en Kimberley en Kevin niet? ’t Helpt verder ook tegen kapitalisme, want het is volstrekt nutteloos, inefficiënt en meerwaarde levert het ook niet bepaald op. Het is ook een hobby waarin liegen aan te moedigen valt, meer zelfs: hoe kwaadaardiger, hoe beter. Als Hitler gewoon een boek had geschreven, zou hij nooit al die dingen gedaan hebben.
Schrap die laatste zin. Toch blijft het een feit: wie schrijft, kan geen groter kwaad aanrichten. Of misschien is het helemaal omgekeerd en moet je de vorige zin nog eens goed herlezen.

<< Home