scherven van elders
Jonas is dood. Hij was naar de Dampoort gefietst omdat hij daar nog ergens water dacht te kunnen vinden. Maar ’t schijnt dat er op die grote parking naast het station raketinstallaties stonden en die werden bestookt met langeafstandsraketten vanuit Zeeland. Hij is dood, maar we hebben ons verdriet nodig voor onszelf.
Het begint me allemaal een beetje teveel te worden. B. en E. die aan het Sint-Pietersstation wonen, hebben twee weken geleden hier hun intrek genomen; al zeggen sommigen dat het hier in de wijk ook niet veilig is omdat we hier vlakbij die voetgangersbrug in het Keizerpark hebben met de twee grote pylonen die zo goed op raketten lijken. Om nog te zwijgen over de bruggen van de Visserij. In ieder geval, B. en E. zijn goede vrienden, maar zo op elkaars lip moeten zitten, en dan nog in zulke omstandigheden, dat komt een vriendschap nooit ten goede; gek hoe je je zelfs op die momenten nog kan ergeren aan elkaars kleine kantjes, elkaars aanwezigheid. Maar dit weekend zullen ze met de fiets naar Kortrijk vertrekken, waar ze een onderkomen hopen te vinden bij E.’s ouders. Van daar zullen ze naar Frankrijk proberen raken.
Hoewel er overal doden en gewonden vallen, zijn de mensen nog het meest kwaad om het bombardement op Sint-Baafs. Dat is zo’n beetje ons Dresden: geen enkel strategisch nut, maar wel een morele klap. Al lijkt het erop dat de Nederlanders het omgekeerde bereiken van wat ze wilden: iedereen staat nu achter de regering. ‘We moeten ons toch niet gewoon laten uitmoorden,’ klinkt het overal flink, en misschien hebben ze wel gelijk. Toch juich ik niet als ik hoor dat het Binnenhof, de waterkering of Schiphol getroffen werden door onze jongens. Er wonen daar mensen die ’t waarschijnlijk ook niet leuk vinden gedood te worden. En die het ook niet kunnen helpen dat hun leiders en legers het niet kunnen vinden met de rest van de wereld.
In mijn keuken staan nog enkele blikjes. Als de sirenes klinken en we met zijn allen naar de kelder van de overburen vluchten, ben ik altijd bang dat iemand ermee aan de haal gaat. Maar ik laat ze staan; als de hele wereld gek geworden is en ik in deze chaos verondersteld word te overleven, wil ik nog tenminste dat houvast: blikjes eten horen thuis in de keuken. Daarom zet ik ook de niet-ingekaderde foto’s telkens weer recht als we na het veiligheidssignaal naar boven klauteren.
Ik vraag me trouwens af of het wel zo veilig is in die kelder. Als het gebouw instort, ben je voorgoed begraven. Er zijn er die gewoon in hun auto gaan zitten. Er is natuurlijk geen benzine meer, vluchten kan niet. ‘Maar de straat wordt niet gebombardeerd,’ beweren ze, ‘en als je je raampjes dichthoudt, ben je toch al beschermd tegen rondvliegende scherven.’ Maar overal staan wrakken, en toen ze de Ter Platen-brug misten, is toch de hele Heuvelpoort omgeploegd. Drie mensen die in het Citadelpark zaten omdat ze dachten dat ‘ze toch zeker geen bommen op bomen gaan gooien,’ lieten daarbij het leven. Het huis van mijn moeder ging in vlammen op, maar die zit gelukkig al veilig in Wallonië. Dat hoorde ik twee weken geleden, vlak voor het telefoonnetwerk crashte. Ik ben eens naar het puin gaan kijken, maar ‘t was onbegonnen werk om in al dat oorlogsstof op zoek te gaan naar herinneringen.
Ik heb gehoord dat ze snel terrein winnen op het kanaal Gent-Terneuzen, dat nog aangelegd is door koning Willem I, toen we nog allemaal in hetzelfde koninkrijk der Verenigde Nederlanden woonden. Maar dat is geschiedenis en dat weet dus niemand. Enkel vandaag telt: straks zijn ze hier. Ik moet denken aan een Perzische satraap wiens stad in handen viel van de vijanden. Hij werd bij hun zegevierende leider gebracht en terwijl ze samen naar de verwoesting van de stad keken, sprak de overwinnaar tot de gevallen vorst: ‘Kijk eens, wij branden je stad plat.’ De gevallen vorst antwoordde: ‘Maar sire, het is niet mijn stad. Het is uw stad nu. En uw stad wordt platgebrand door uw eigen soldaten.’ Maar dat is ook geschiedenis.
Ik hoop dat ze zacht zullen zijn voor onze vrouwen, en dat de mannen niet voor elke beweging omvergeknald zullen worden. Ik weet niet of ik blijf, ik heb nog geen afscheid genomen van het Gent dat ik me herinner, een Gent zonder stof en autowrakken en zwarte rookwolken en donkere kringen onder de ogen van de Gentenaars.
Het begint me allemaal een beetje teveel te worden. B. en E. die aan het Sint-Pietersstation wonen, hebben twee weken geleden hier hun intrek genomen; al zeggen sommigen dat het hier in de wijk ook niet veilig is omdat we hier vlakbij die voetgangersbrug in het Keizerpark hebben met de twee grote pylonen die zo goed op raketten lijken. Om nog te zwijgen over de bruggen van de Visserij. In ieder geval, B. en E. zijn goede vrienden, maar zo op elkaars lip moeten zitten, en dan nog in zulke omstandigheden, dat komt een vriendschap nooit ten goede; gek hoe je je zelfs op die momenten nog kan ergeren aan elkaars kleine kantjes, elkaars aanwezigheid. Maar dit weekend zullen ze met de fiets naar Kortrijk vertrekken, waar ze een onderkomen hopen te vinden bij E.’s ouders. Van daar zullen ze naar Frankrijk proberen raken.
Hoewel er overal doden en gewonden vallen, zijn de mensen nog het meest kwaad om het bombardement op Sint-Baafs. Dat is zo’n beetje ons Dresden: geen enkel strategisch nut, maar wel een morele klap. Al lijkt het erop dat de Nederlanders het omgekeerde bereiken van wat ze wilden: iedereen staat nu achter de regering. ‘We moeten ons toch niet gewoon laten uitmoorden,’ klinkt het overal flink, en misschien hebben ze wel gelijk. Toch juich ik niet als ik hoor dat het Binnenhof, de waterkering of Schiphol getroffen werden door onze jongens. Er wonen daar mensen die ’t waarschijnlijk ook niet leuk vinden gedood te worden. En die het ook niet kunnen helpen dat hun leiders en legers het niet kunnen vinden met de rest van de wereld.
In mijn keuken staan nog enkele blikjes. Als de sirenes klinken en we met zijn allen naar de kelder van de overburen vluchten, ben ik altijd bang dat iemand ermee aan de haal gaat. Maar ik laat ze staan; als de hele wereld gek geworden is en ik in deze chaos verondersteld word te overleven, wil ik nog tenminste dat houvast: blikjes eten horen thuis in de keuken. Daarom zet ik ook de niet-ingekaderde foto’s telkens weer recht als we na het veiligheidssignaal naar boven klauteren.
Ik vraag me trouwens af of het wel zo veilig is in die kelder. Als het gebouw instort, ben je voorgoed begraven. Er zijn er die gewoon in hun auto gaan zitten. Er is natuurlijk geen benzine meer, vluchten kan niet. ‘Maar de straat wordt niet gebombardeerd,’ beweren ze, ‘en als je je raampjes dichthoudt, ben je toch al beschermd tegen rondvliegende scherven.’ Maar overal staan wrakken, en toen ze de Ter Platen-brug misten, is toch de hele Heuvelpoort omgeploegd. Drie mensen die in het Citadelpark zaten omdat ze dachten dat ‘ze toch zeker geen bommen op bomen gaan gooien,’ lieten daarbij het leven. Het huis van mijn moeder ging in vlammen op, maar die zit gelukkig al veilig in Wallonië. Dat hoorde ik twee weken geleden, vlak voor het telefoonnetwerk crashte. Ik ben eens naar het puin gaan kijken, maar ‘t was onbegonnen werk om in al dat oorlogsstof op zoek te gaan naar herinneringen.
Ik heb gehoord dat ze snel terrein winnen op het kanaal Gent-Terneuzen, dat nog aangelegd is door koning Willem I, toen we nog allemaal in hetzelfde koninkrijk der Verenigde Nederlanden woonden. Maar dat is geschiedenis en dat weet dus niemand. Enkel vandaag telt: straks zijn ze hier. Ik moet denken aan een Perzische satraap wiens stad in handen viel van de vijanden. Hij werd bij hun zegevierende leider gebracht en terwijl ze samen naar de verwoesting van de stad keken, sprak de overwinnaar tot de gevallen vorst: ‘Kijk eens, wij branden je stad plat.’ De gevallen vorst antwoordde: ‘Maar sire, het is niet mijn stad. Het is uw stad nu. En uw stad wordt platgebrand door uw eigen soldaten.’ Maar dat is ook geschiedenis.
Ik hoop dat ze zacht zullen zijn voor onze vrouwen, en dat de mannen niet voor elke beweging omvergeknald zullen worden. Ik weet niet of ik blijf, ik heb nog geen afscheid genomen van het Gent dat ik me herinner, een Gent zonder stof en autowrakken en zwarte rookwolken en donkere kringen onder de ogen van de Gentenaars.

<< Home