Kleine Kapelstraat 9
1
De deur gaat open en waar mijn moeder had moeten staan, staat nu een oude vrouw. Ze kijkt me even aan met lege ogen en dan komt de herkenning en barsten de rimpels alsof ik een steen in haar gezicht gegooid heb. Ze lacht waarschijnlijk, opent haar mond en zegt: ‘Kom binnen.’
2
De deur gaat open en er staat geen kind maar een man. Zij moet even zoeken, maar dan ziet zij hoe hij nog altijd dezelfde is en ze lacht omdat ze blij is en ze schaamt zich ook omdat ze haar kind niet herkent als ze het ziet. Hij lacht niet en of hij zich schaamt weet ze niet. ‘Kom binnen,’ zegt ze en ze lopen samen naar binnen. Zij doet de deur in de gang voor hem open en hij gaat binnen in de woonkamer.
3
De deur gaat open en ik staar naar de scherven die aan elkaar gelijmd zijn tot een gebarsten versie van mijn vader. Ook zijn rimpels trekken samen tot een lach, maar hij kijkt direct naar zijn vrouw –mijn moeder, probeer ik te denken. ‘Jonas is terug,’ zegt zij, maar in zijn ogen verandert niets.
4
Ze vraagt me soms iets, ik zeg niet veel en ik vraag niet veel. Als ik ga slapen, wil ik naar mijn kamer van dertig jaar geleden lopen, maar mijn moeder zegt dat zij daar nu slapen, en ik ga de trap op naar de kamer waar mijn ouders vroeger sliepen. Ik kroop hier wel eens bij hen in bed, begin ik te denken, maar dan zie ik het raam dat uitgeeft op het huis ernaast, en sluit snel de gordijnen. Ik draai de sleutel van de deur in het slot, het wringt.
Dan ben ik veilig in de vreemde kamer en knoop mijn zak open. Mijn portefeuille valt eruit en uit mijn portefeuille glijden drie foto’s. Ik draai de foto van Rudy en Hafad om en lees een paar adressen en dat voelt goed, zelfs na al die tijd. Dan kijk ik naar de foto van Sira en lees wat ze op de achterkant schreef: ‘Ik zal nooit begrijpen dat je weg moest omdat je je hier thuis begon te voelen, maar ik zal je altijd blijven missen.’ De derde foto houd ik even in mijn hand zonder hem te bekijken.
’s Ochtends slaapt mijn vader nog en ik zit met mijn moeder aan de keukentafel. ‘Hij gaat nu snel achteruit,’ vertelt ze, ‘het is goed dat je gekomen bent.’ Ze kijkt me aan en legt haar hand op mijn mouw. ‘Ik weet hoe moeilijk het voor je is.’
Ik bekijk haar hand. Zij weet niet hoe het is om terug te zijn. ‘Ik kan niet lang blijven,’ zeg ik. ‘Een paar dagen ofzo.’ Zij knikt en stelt geen vragen. Zij weet dat zij geen zoon heeft.
Ik ben de vorige avond in het donker toegekomen. Hoe zij hier konden blijven wonen, zal ik nooit begrijpen. Even later loop ik toch naar buiten, want als ik me kan verplaatsen, kan ik niet stilzitten. Ik denk opnieuw aan het huis rechts, maar bekijk het niet. Voor mij staat het grote huis aan de overkant. Er staat een auto voor de garage, die nu groen geschilderd is. Ook het huis ernaast wordt bewoond. ‘We verhuren je huis aan een jong koppel,’ had mijn moeder me jaren en jaren geleden geschreven. Het grote huis, waarin ik drie mensen heb zien sterven, is niet veel veranderd. Ik loop links de straat uit, met mijn handen in mijn zakken, gekneld rond mijn mes en sleutels.
Er zijn in de straat enkele huizen bijgekomen. Helemaal aan het einde zie ik dat het dak van de kleine kapel ingestort is. Er staat een groot geel bord aan de straatkant, een aankondiging van afbraakwerken. Ik wil de kapel binnengaan, maar er rijdt een auto voorbij en dus loop ik gewoon verder. Ik hoef er niet binnen te gaan om te weten wat daar gebeurd is.
De deur gaat open en waar mijn moeder had moeten staan, staat nu een oude vrouw. Ze kijkt me even aan met lege ogen en dan komt de herkenning en barsten de rimpels alsof ik een steen in haar gezicht gegooid heb. Ze lacht waarschijnlijk, opent haar mond en zegt: ‘Kom binnen.’
2
De deur gaat open en er staat geen kind maar een man. Zij moet even zoeken, maar dan ziet zij hoe hij nog altijd dezelfde is en ze lacht omdat ze blij is en ze schaamt zich ook omdat ze haar kind niet herkent als ze het ziet. Hij lacht niet en of hij zich schaamt weet ze niet. ‘Kom binnen,’ zegt ze en ze lopen samen naar binnen. Zij doet de deur in de gang voor hem open en hij gaat binnen in de woonkamer.
3
De deur gaat open en ik staar naar de scherven die aan elkaar gelijmd zijn tot een gebarsten versie van mijn vader. Ook zijn rimpels trekken samen tot een lach, maar hij kijkt direct naar zijn vrouw –mijn moeder, probeer ik te denken. ‘Jonas is terug,’ zegt zij, maar in zijn ogen verandert niets.
4
Ze vraagt me soms iets, ik zeg niet veel en ik vraag niet veel. Als ik ga slapen, wil ik naar mijn kamer van dertig jaar geleden lopen, maar mijn moeder zegt dat zij daar nu slapen, en ik ga de trap op naar de kamer waar mijn ouders vroeger sliepen. Ik kroop hier wel eens bij hen in bed, begin ik te denken, maar dan zie ik het raam dat uitgeeft op het huis ernaast, en sluit snel de gordijnen. Ik draai de sleutel van de deur in het slot, het wringt.
Dan ben ik veilig in de vreemde kamer en knoop mijn zak open. Mijn portefeuille valt eruit en uit mijn portefeuille glijden drie foto’s. Ik draai de foto van Rudy en Hafad om en lees een paar adressen en dat voelt goed, zelfs na al die tijd. Dan kijk ik naar de foto van Sira en lees wat ze op de achterkant schreef: ‘Ik zal nooit begrijpen dat je weg moest omdat je je hier thuis begon te voelen, maar ik zal je altijd blijven missen.’ De derde foto houd ik even in mijn hand zonder hem te bekijken.
’s Ochtends slaapt mijn vader nog en ik zit met mijn moeder aan de keukentafel. ‘Hij gaat nu snel achteruit,’ vertelt ze, ‘het is goed dat je gekomen bent.’ Ze kijkt me aan en legt haar hand op mijn mouw. ‘Ik weet hoe moeilijk het voor je is.’
Ik bekijk haar hand. Zij weet niet hoe het is om terug te zijn. ‘Ik kan niet lang blijven,’ zeg ik. ‘Een paar dagen ofzo.’ Zij knikt en stelt geen vragen. Zij weet dat zij geen zoon heeft.
Ik ben de vorige avond in het donker toegekomen. Hoe zij hier konden blijven wonen, zal ik nooit begrijpen. Even later loop ik toch naar buiten, want als ik me kan verplaatsen, kan ik niet stilzitten. Ik denk opnieuw aan het huis rechts, maar bekijk het niet. Voor mij staat het grote huis aan de overkant. Er staat een auto voor de garage, die nu groen geschilderd is. Ook het huis ernaast wordt bewoond. ‘We verhuren je huis aan een jong koppel,’ had mijn moeder me jaren en jaren geleden geschreven. Het grote huis, waarin ik drie mensen heb zien sterven, is niet veel veranderd. Ik loop links de straat uit, met mijn handen in mijn zakken, gekneld rond mijn mes en sleutels.
Er zijn in de straat enkele huizen bijgekomen. Helemaal aan het einde zie ik dat het dak van de kleine kapel ingestort is. Er staat een groot geel bord aan de straatkant, een aankondiging van afbraakwerken. Ik wil de kapel binnengaan, maar er rijdt een auto voorbij en dus loop ik gewoon verder. Ik hoef er niet binnen te gaan om te weten wat daar gebeurd is.

<< Home