Kleine Kapelstraat 4
De vrouw van Georges gaat dood. Zij ligt in bed en zij gaat dood. Niet in een keer, maar traag en moeilijk, eerst haar lichaam. Georges heeft het al vaak gezien: zijn ouders en haar ouders en nog een paar andere mensen gingen ook dood. Hij stopt de schep in de zak gemengde zaden. Hij schuift heen en weer met de schep want er ligt teveel op, en hij houdt ook van het geluid van de zaden die terug in de zak vallen. Dan loopt hij naar het duivenhok. De duiven doen onrustig, want ze hebben hem al horen komen. ‘Tsssch,’ zegt Georges, ‘het is al goed,’ en dropt hier en daar een bergje zaden waar de vogels zich onmiddellijk tegoed aan doen. Hij streelt hun kopjes, het stoort ze niet. Hij heeft een krukje in zijn duivenhok, daar zit hij op en hij kijkt naar de vogels.
Georges neemt een duif in zijn handen, het dier zit daar rustig, hij voelt het hartje kloppen. De kop draait heen en weer.
Zij hebben een zoon gehad, een goede zoon, maar hij is dood. Hij was wel in een keer doodgegaan.
Hoelang had Germaine in haar zetel gezeten? Zeker tien jaar. Ze had al lang slechte benen, maar haar hoofd was altijd goed gebleven. Ze maakte elke dag het kruiswoordraadsel en ze keken ’s avonds naar het nieuws.
Georges verlaat het duivenkot en legt de schep terug bij de zaden. Daarna haalt hij aardappelen, maar eerst gaat hij naar binnen en loopt naar de slaapkamer: ‘Germaine. Germaine. Ik ga om eten. Ga je niet mee?’
‘Nee, manneke. Ik blijf hier liggen. Maar wil je het licht aandoen, ik ga mijn krant lezen.’
‘Heb je je bril?’
‘Ja.’
‘Ik ben direct terug.’
‘Ja.’
Vroeger reed ze graag met hem mee. ‘’t Is precies een film, om zo voorbij alles te rijden,’ zei ze dan. Soms was Georges dan helemaal naar Dendermonde gereden, terwijl zij toch op drie plaatsen in het dorp alles konden kopen. Als zij dan terug thuis kwamen, steunde zij soms een beetje langer op hem dan nodig wanneer hij haar in de zetel hielp, zoals lang geleden op de fiets. En dan legde Georges zijn andere arm ook om haar.
Nu gaat ze dood en ligt ze in haar bed en kan ze niet meer in de auto. Georges rijdt naar de winkel en koopt worsten en aardappelen en boter. Hij rijdt traag, want zijn been doet weer moeilijk. Hij moet denken aan Jonas, die denkt dat hij een been van goud heeft. Omdat hij, toen Jonas nog kleiner was, eens een stuk ijzer in zijn broekspijp heeft gestoken en gezegd: ‘Klop eens op mijn been.’ En daarna: ‘Mijn been is van goud. Dat heb ik gekregen van de minister omdat ik zo lang heb gewerkt met een slecht been.’
Met dat Jonas groter en Germaine kleiner werd, wilde Germaine altijd dat ze naast elkaar gingen staan om te kijken wie het grootst was. Dat was toen. Nu groeit Jonas iedereen voorbij en altijd als Marie langskomt, vraagt Germaine of ze haar zoon schoppen geeft. ‘Ik zou dat beter doen,’ zegt Marie dan. En dan wil Germaine rechtstaan om een snoep uit de kast te halen, maar Marie roept: ‘Blijf zitten Germaine, ik heb het u al duizend keer gezegd!’ Ze hebben die snoepen alleen voor Jonas eigenlijk.
Een paar weken geleden, toen Georges zich ook had neergelegd om te slapen, had Germaine gevraagd wat ze met het huis gingen doen.
‘Wat, ermee doen? Wat moeten we ermee doen?’
‘We hebben geen familie meer,’ had ze gezegd.
‘Waarom moeten we iets met ons huis doen?’
‘Ik weet het niet. Later, bedoel ik.’
‘Wat later?’
‘Als we weg zijn. We moeten daar toch eens aan denken.’
‘Ik denk daar niet aan. Ik denk aan het eten en de krant en de duiven. Later is voor later.’
Een paar dagen later hadden de dokters gezegd dat Germaine dood ging, maar dat wisten ze zelf ook al. Dan hadden ze hun gesprek opnieuw gehad.
‘Henk en Marie en Jonas,’ had Germaine gezegd, ‘die zijn eigenlijk onze familie.’ En Georges had dat op een papier geschreven en was naar de notaris gegaan.
Het is een goed huis, denkt Georges terwijl hij terug binnenkomt. Ze hadden het veertig jaar geleden gebouwd en het leek nog altijd nieuw. Dan ziet hij de sparren die Paul en Bianca hadden geplant. Ze hadden hier hun grote huis gebouwd en een zwembad in de tuin gelegd. En dan hadden ze een rij sparren gezet om op hun alleen te kunnen zijn. En de groenten uit de tuin waren zuur geworden en Germaine was ziek geworden.
Hij komt binnen en kijkt in de slaapkamer. Germaine slaapt, hij ziet de krant op haar buik omhoog gaan. Als ze slaapt heeft ze geen pijn, denkt Georges, en hij gaat naar de keuken en maakt iets klaar en hoopt dat zij er ook van zal eten.
Zij hadden elkaar leren kennen in de fabriek. Zij waren veertien jaar en Germaine stond aan de klossen en Georges aan de spoelen. Vier jaar lang zagen zij elkaar terwijl zij naar huis liepen. Thuis kregen ze veel commentaar. Maar toen haar vader ziek werd, had Georges de eenden helpen slachten, en daarna vond haar vader het goed dat Georges haar elke dag naar huis liep. Zij praatten dan over de wereld, die ze niet hadden gezien. Maar zij waren jong en alles moest nog komen.
In de zomer zorgde Georges dat hij fruit had. Na een dag hard werken zaten ze dan in het gras naast de veldweg en het sap liep over hun kin, en hij had zelfs een propere zakdoek bij, ‘maar ik zie u liever blinken.’ En in de winter gaf hij haar zijn sjaal, die zo lang was dat hij haar erin kon wikkelen van haar hals tot bijna aan haar heupen. Het was altijd goed. Zelfs als het verdriet met bakken uit de hemel kwam vallen, was het goed, want dan kwam Georges met de fiets en reed hij zo hard mogelijk door alle plassen en putten, terwijl zij aan hem hing. Hij had dan ook de hele dag gewerkt, hij was ook moe, maar dat ging toch nog allemaal.
Dat is eigenlijk nooit veranderd. Nu hij oud is, heeft Georges soms niet direct zin om uit bed te komen, maar dan denkt hij aan Germaine en de melk en de boterhammen en dan gaat het vanzelf. Hij is geen oude man, maar de man van Germaine, en Germaine is het meisje uit de fabriek van wie hij de naam nog niet kent.
Hij had haar te trouwen gevraagd op de dag van haar achttiende verjaardag. Ze liepen voor de zoveelste keer over hun wegeltje. Vlak voor ze haar straat inliepen, had Georges haar de kapel binnen geleid. Het was een klein kapelletje, links en rechts stonden telkens twee bankjes voor een nis met daarin de heilige Stefanie, die een beetje scheel keek. Door drie kleine raampjes viel de zon naar binnen, de zon hoorde erbij. Ze waren gaan zitten en Georges had gezegd: ‘Germaine, hoelang kennen wij elkaar al?’
‘Kastaar, ge weet dat. Ik ben op mijn veertiende in de fabriek begonnen. Al vier jaar.’
‘Dan zie ik u al vier jaar graag. Gaan wij trouwen?’
Zij waren naar het huis van haar ouders gelopen en hadden alles gezegd. Ze hadden een druppel gedronken en daarna waren ze naar zijn ouders gelopen en daar hadden ze ook een druppel gedronken. Zijn moeder had tegen Germaine gezegd dat Georges haar al vier jaar graag zag.
Daarna waren ze getrouwd en was het huis gekomen en hun zoon. In de winter was Georges haar in sjaals blijven wikkelen en in de zomer had hij haar meegenomen naar een plek waar de zon scheen en dan haalde hij een peer uit zijn zak.
Alleen dat zij hun zoon verloren hadden, denkt Georges. Dat heeft veel kapot gemaakt. Maar tot dan hadden zij altijd plezier gemaakt. En eigenlijk zelfs daarna ook nog, soms, als hij haar mee kon nemen naar de tijd van de peren, voor het allemaal gebeurd was.
Hij is klaar met koken en schept alles op twee borden en loopt naar de kamer, maar onderweg bedenkt hij zich en zet de borden in de oven, waar het eten warm zal blijven. Germaine slaapt nog en hij maakt haar niet graag wakker. Hij zal eerst de potten wassen en daarna gaan kijken.
Georges neemt een duif in zijn handen, het dier zit daar rustig, hij voelt het hartje kloppen. De kop draait heen en weer.
Zij hebben een zoon gehad, een goede zoon, maar hij is dood. Hij was wel in een keer doodgegaan.
Hoelang had Germaine in haar zetel gezeten? Zeker tien jaar. Ze had al lang slechte benen, maar haar hoofd was altijd goed gebleven. Ze maakte elke dag het kruiswoordraadsel en ze keken ’s avonds naar het nieuws.
Georges verlaat het duivenkot en legt de schep terug bij de zaden. Daarna haalt hij aardappelen, maar eerst gaat hij naar binnen en loopt naar de slaapkamer: ‘Germaine. Germaine. Ik ga om eten. Ga je niet mee?’
‘Nee, manneke. Ik blijf hier liggen. Maar wil je het licht aandoen, ik ga mijn krant lezen.’
‘Heb je je bril?’
‘Ja.’
‘Ik ben direct terug.’
‘Ja.’
Vroeger reed ze graag met hem mee. ‘’t Is precies een film, om zo voorbij alles te rijden,’ zei ze dan. Soms was Georges dan helemaal naar Dendermonde gereden, terwijl zij toch op drie plaatsen in het dorp alles konden kopen. Als zij dan terug thuis kwamen, steunde zij soms een beetje langer op hem dan nodig wanneer hij haar in de zetel hielp, zoals lang geleden op de fiets. En dan legde Georges zijn andere arm ook om haar.
Nu gaat ze dood en ligt ze in haar bed en kan ze niet meer in de auto. Georges rijdt naar de winkel en koopt worsten en aardappelen en boter. Hij rijdt traag, want zijn been doet weer moeilijk. Hij moet denken aan Jonas, die denkt dat hij een been van goud heeft. Omdat hij, toen Jonas nog kleiner was, eens een stuk ijzer in zijn broekspijp heeft gestoken en gezegd: ‘Klop eens op mijn been.’ En daarna: ‘Mijn been is van goud. Dat heb ik gekregen van de minister omdat ik zo lang heb gewerkt met een slecht been.’
Met dat Jonas groter en Germaine kleiner werd, wilde Germaine altijd dat ze naast elkaar gingen staan om te kijken wie het grootst was. Dat was toen. Nu groeit Jonas iedereen voorbij en altijd als Marie langskomt, vraagt Germaine of ze haar zoon schoppen geeft. ‘Ik zou dat beter doen,’ zegt Marie dan. En dan wil Germaine rechtstaan om een snoep uit de kast te halen, maar Marie roept: ‘Blijf zitten Germaine, ik heb het u al duizend keer gezegd!’ Ze hebben die snoepen alleen voor Jonas eigenlijk.
Een paar weken geleden, toen Georges zich ook had neergelegd om te slapen, had Germaine gevraagd wat ze met het huis gingen doen.
‘Wat, ermee doen? Wat moeten we ermee doen?’
‘We hebben geen familie meer,’ had ze gezegd.
‘Waarom moeten we iets met ons huis doen?’
‘Ik weet het niet. Later, bedoel ik.’
‘Wat later?’
‘Als we weg zijn. We moeten daar toch eens aan denken.’
‘Ik denk daar niet aan. Ik denk aan het eten en de krant en de duiven. Later is voor later.’
Een paar dagen later hadden de dokters gezegd dat Germaine dood ging, maar dat wisten ze zelf ook al. Dan hadden ze hun gesprek opnieuw gehad.
‘Henk en Marie en Jonas,’ had Germaine gezegd, ‘die zijn eigenlijk onze familie.’ En Georges had dat op een papier geschreven en was naar de notaris gegaan.
Het is een goed huis, denkt Georges terwijl hij terug binnenkomt. Ze hadden het veertig jaar geleden gebouwd en het leek nog altijd nieuw. Dan ziet hij de sparren die Paul en Bianca hadden geplant. Ze hadden hier hun grote huis gebouwd en een zwembad in de tuin gelegd. En dan hadden ze een rij sparren gezet om op hun alleen te kunnen zijn. En de groenten uit de tuin waren zuur geworden en Germaine was ziek geworden.
Hij komt binnen en kijkt in de slaapkamer. Germaine slaapt, hij ziet de krant op haar buik omhoog gaan. Als ze slaapt heeft ze geen pijn, denkt Georges, en hij gaat naar de keuken en maakt iets klaar en hoopt dat zij er ook van zal eten.
Zij hadden elkaar leren kennen in de fabriek. Zij waren veertien jaar en Germaine stond aan de klossen en Georges aan de spoelen. Vier jaar lang zagen zij elkaar terwijl zij naar huis liepen. Thuis kregen ze veel commentaar. Maar toen haar vader ziek werd, had Georges de eenden helpen slachten, en daarna vond haar vader het goed dat Georges haar elke dag naar huis liep. Zij praatten dan over de wereld, die ze niet hadden gezien. Maar zij waren jong en alles moest nog komen.
In de zomer zorgde Georges dat hij fruit had. Na een dag hard werken zaten ze dan in het gras naast de veldweg en het sap liep over hun kin, en hij had zelfs een propere zakdoek bij, ‘maar ik zie u liever blinken.’ En in de winter gaf hij haar zijn sjaal, die zo lang was dat hij haar erin kon wikkelen van haar hals tot bijna aan haar heupen. Het was altijd goed. Zelfs als het verdriet met bakken uit de hemel kwam vallen, was het goed, want dan kwam Georges met de fiets en reed hij zo hard mogelijk door alle plassen en putten, terwijl zij aan hem hing. Hij had dan ook de hele dag gewerkt, hij was ook moe, maar dat ging toch nog allemaal.
Dat is eigenlijk nooit veranderd. Nu hij oud is, heeft Georges soms niet direct zin om uit bed te komen, maar dan denkt hij aan Germaine en de melk en de boterhammen en dan gaat het vanzelf. Hij is geen oude man, maar de man van Germaine, en Germaine is het meisje uit de fabriek van wie hij de naam nog niet kent.
Hij had haar te trouwen gevraagd op de dag van haar achttiende verjaardag. Ze liepen voor de zoveelste keer over hun wegeltje. Vlak voor ze haar straat inliepen, had Georges haar de kapel binnen geleid. Het was een klein kapelletje, links en rechts stonden telkens twee bankjes voor een nis met daarin de heilige Stefanie, die een beetje scheel keek. Door drie kleine raampjes viel de zon naar binnen, de zon hoorde erbij. Ze waren gaan zitten en Georges had gezegd: ‘Germaine, hoelang kennen wij elkaar al?’
‘Kastaar, ge weet dat. Ik ben op mijn veertiende in de fabriek begonnen. Al vier jaar.’
‘Dan zie ik u al vier jaar graag. Gaan wij trouwen?’
Zij waren naar het huis van haar ouders gelopen en hadden alles gezegd. Ze hadden een druppel gedronken en daarna waren ze naar zijn ouders gelopen en daar hadden ze ook een druppel gedronken. Zijn moeder had tegen Germaine gezegd dat Georges haar al vier jaar graag zag.
Daarna waren ze getrouwd en was het huis gekomen en hun zoon. In de winter was Georges haar in sjaals blijven wikkelen en in de zomer had hij haar meegenomen naar een plek waar de zon scheen en dan haalde hij een peer uit zijn zak.
Alleen dat zij hun zoon verloren hadden, denkt Georges. Dat heeft veel kapot gemaakt. Maar tot dan hadden zij altijd plezier gemaakt. En eigenlijk zelfs daarna ook nog, soms, als hij haar mee kon nemen naar de tijd van de peren, voor het allemaal gebeurd was.
Hij is klaar met koken en schept alles op twee borden en loopt naar de kamer, maar onderweg bedenkt hij zich en zet de borden in de oven, waar het eten warm zal blijven. Germaine slaapt nog en hij maakt haar niet graag wakker. Hij zal eerst de potten wassen en daarna gaan kijken.

<< Home