Kleine Kapelstraat 3
Het leven van André was simpel: als hij niet op het land moest werken, ging hij op café. Van zijn ouders, die hetzelfde land bewerkt hadden, had hij een paar hectare, een huis en een tegel geërfd, waarop stond:
Er bestaat maar één geluk: de plicht.
Er bestaat maar één troost: de arbeid.
Daarbij zwoer André. Hij werkte hard. Koeien en varkens gingen niet op vakantie, en dus was ook André elke dag van het jaar in zijn stallen of op het land te vinden. Zo was het goed. Zo was het bedoeld.
André had een vrouw, maar die was niet belangrijk. Hij had ook een dochter, Aline. Die was wel belangrijk, hij zag haar graag. Ze had hem altijd goed geholpen met de beesten, Aline was een sterke.
Toen ze achttien werd, zei Aline dat ze naar de universiteit wilde en dat vond André goed. Ze zei dat ze cultuur wilde studeren en dat vond hij niet goed. Dokter of dierenarts, daar wilde hij voor betalen. Cultuur was weggesmeten geld, zei André.
Aline was een sterke en ze stampte op de vloer als een onwillige koe en zei: ik doe het toch. Ik ga werken in een café en ik betaal mijn eigen studies. Dat vond André goed gezegd, want hij geloofde in hard werken, zodat hij zei: het is al goed, ik zal wel betalen. Maar zie maar dat je daarna met je diploma ergens geraakt.
André geloofde in hard werken en in de vier seizoenen. Maar zowel hard werken als de vier seizoenen waren iets van vroeger. Als hij een krant of het nieuws bezag, ging het altijd over de werklozen, de vreemdelingen, de toeristen en andere onnozelaars die alleszins niet bezig waren met hun brood te verdienen. Voor het klimaat hoefde hij zelfs de krant niet open te slaan: hij had zijn hele leven buiten gezeten en zag dat de dingen veranderden. De vogels vertrokken later. De koeien konden tot in november buiten staan. Op het nieuws zeiden ze wel dat ze er iets aan zouden doen, maar dat geloofde André niet. Als ze nog niet eens iets aan die vreemdelingen konden doen. Zijn vrienden op café dachten er ook zo over. Dat waren ook boeren, die werkten ook hard. Die hadden geen tijd voor gezever.
Aline kwam naar huis met een zwarte. Zodra André hem uit zijn dikke auto zag stappen, liep hij langs achter naar buiten en ging in de velden in zijn caravan zitten, waar hij ’s middags soms zijn boterham at. André brieste: een zwarte neger! Wat gingen ze daarvan zeggen op café! Zijn dochter was zeker zot geworden. Hij schopte tegen de deur van de caravan en de deur viel op de grond.
Later, toen haar zwarte vertrokken was, zei André eens goed de waarheid. Dat dat volk niet werkte. Aline zei dat ze hem graag zag en dat André moest zwijgen omdat hij Neger niet kende. Aline was een sterke en ze liet zich niet doen.
Het duurde niet lang of ze wisten in het dorp dat de dochter van Aline kennis had met een neger. Laat jij zoiets binnen, riepen ze op café, of: bij mij zou dat niet lang duren, een poot op mijn erf en ik schiet zijn zwarte vel eraf. André wist niet wat hij moest zeggen, dus hij herhaalde wat Aline gezegd had: dat ze moesten zwijgen omdat ze de Neger van Aline niet kenden. Hij zei dat Aline geen domme kalle was en niet zomaar iets met een luie vreemdeling zou beginnen.
André moest dat zo vaak herhalen dat hij op den duur niet meer wist wat hij zelf dacht. De volgende keer dat Aline en de neger kwamen, bleef hij in zijn zetel zitten. De neger had een naam en hij kwam van Afrika, maar hij werkte toch. Hij had hier gestudeerd voor ingenieur en hij werkte bij een grote maatschappij en hij werkte hard.
André zag hem een paar keer en hij nam er zijn vrede mee. Maar op café veranderde er niets en Aline, die in het weekend regelmatig naar huis kwam, zag dat het voor haar vader niet gemakkelijk was dat zij met Nicolas ging. Ze werd er ambetant van dat haar vader het slachtoffer was van haar keuze. Nicolas vroeg wat er scheelde en ze zei niets. Hij vroeg het opnieuw en ze werd kwaad.
Op zondag zag Aline hoe haar vader met zijn boterham naar de caravan liep. ’s Avonds zei hij dat hij in de kool had gewerkt, maar Aline wist dat hij loog, want ten eerste zat hij zondagmiddag altijd op café en ten tweede moest er met de kool niets gebeuren. Pa, durf je niet meer naar café, wilde Aline vragen, maar zij wilde hem niet vernederen.
Maandagavond vroeg Nicolas wat er scheelde en weer zei ze niets, maar hij drong aan en ze maakten ruzie.
Dat werd almaar erger en de relatie eindigde op een van de maandagen daarna. Aline was niet gelukkig en André ook niet, want op café veranderde er niets, tot hij op een dag zijn glas neerzette en luid zei: de eerste die nu nog iets zegt over mijn dochter, over haar privéleven of over wat ik denk, krijgt mijn riek tussen zijn ribben. Daarna had André geen problemen meer, want boeren respecteren kracht en ze wisten dat André geen zeveraar was en ze gingen om een vreemdeling toch zeker geen ruzie maken.
Er bestaat maar één geluk: de plicht.
Er bestaat maar één troost: de arbeid.
Daarbij zwoer André. Hij werkte hard. Koeien en varkens gingen niet op vakantie, en dus was ook André elke dag van het jaar in zijn stallen of op het land te vinden. Zo was het goed. Zo was het bedoeld.
André had een vrouw, maar die was niet belangrijk. Hij had ook een dochter, Aline. Die was wel belangrijk, hij zag haar graag. Ze had hem altijd goed geholpen met de beesten, Aline was een sterke.
Toen ze achttien werd, zei Aline dat ze naar de universiteit wilde en dat vond André goed. Ze zei dat ze cultuur wilde studeren en dat vond hij niet goed. Dokter of dierenarts, daar wilde hij voor betalen. Cultuur was weggesmeten geld, zei André.
Aline was een sterke en ze stampte op de vloer als een onwillige koe en zei: ik doe het toch. Ik ga werken in een café en ik betaal mijn eigen studies. Dat vond André goed gezegd, want hij geloofde in hard werken, zodat hij zei: het is al goed, ik zal wel betalen. Maar zie maar dat je daarna met je diploma ergens geraakt.
André geloofde in hard werken en in de vier seizoenen. Maar zowel hard werken als de vier seizoenen waren iets van vroeger. Als hij een krant of het nieuws bezag, ging het altijd over de werklozen, de vreemdelingen, de toeristen en andere onnozelaars die alleszins niet bezig waren met hun brood te verdienen. Voor het klimaat hoefde hij zelfs de krant niet open te slaan: hij had zijn hele leven buiten gezeten en zag dat de dingen veranderden. De vogels vertrokken later. De koeien konden tot in november buiten staan. Op het nieuws zeiden ze wel dat ze er iets aan zouden doen, maar dat geloofde André niet. Als ze nog niet eens iets aan die vreemdelingen konden doen. Zijn vrienden op café dachten er ook zo over. Dat waren ook boeren, die werkten ook hard. Die hadden geen tijd voor gezever.
Aline kwam naar huis met een zwarte. Zodra André hem uit zijn dikke auto zag stappen, liep hij langs achter naar buiten en ging in de velden in zijn caravan zitten, waar hij ’s middags soms zijn boterham at. André brieste: een zwarte neger! Wat gingen ze daarvan zeggen op café! Zijn dochter was zeker zot geworden. Hij schopte tegen de deur van de caravan en de deur viel op de grond.
Later, toen haar zwarte vertrokken was, zei André eens goed de waarheid. Dat dat volk niet werkte. Aline zei dat ze hem graag zag en dat André moest zwijgen omdat hij Neger niet kende. Aline was een sterke en ze liet zich niet doen.
Het duurde niet lang of ze wisten in het dorp dat de dochter van Aline kennis had met een neger. Laat jij zoiets binnen, riepen ze op café, of: bij mij zou dat niet lang duren, een poot op mijn erf en ik schiet zijn zwarte vel eraf. André wist niet wat hij moest zeggen, dus hij herhaalde wat Aline gezegd had: dat ze moesten zwijgen omdat ze de Neger van Aline niet kenden. Hij zei dat Aline geen domme kalle was en niet zomaar iets met een luie vreemdeling zou beginnen.
André moest dat zo vaak herhalen dat hij op den duur niet meer wist wat hij zelf dacht. De volgende keer dat Aline en de neger kwamen, bleef hij in zijn zetel zitten. De neger had een naam en hij kwam van Afrika, maar hij werkte toch. Hij had hier gestudeerd voor ingenieur en hij werkte bij een grote maatschappij en hij werkte hard.
André zag hem een paar keer en hij nam er zijn vrede mee. Maar op café veranderde er niets en Aline, die in het weekend regelmatig naar huis kwam, zag dat het voor haar vader niet gemakkelijk was dat zij met Nicolas ging. Ze werd er ambetant van dat haar vader het slachtoffer was van haar keuze. Nicolas vroeg wat er scheelde en ze zei niets. Hij vroeg het opnieuw en ze werd kwaad.
Op zondag zag Aline hoe haar vader met zijn boterham naar de caravan liep. ’s Avonds zei hij dat hij in de kool had gewerkt, maar Aline wist dat hij loog, want ten eerste zat hij zondagmiddag altijd op café en ten tweede moest er met de kool niets gebeuren. Pa, durf je niet meer naar café, wilde Aline vragen, maar zij wilde hem niet vernederen.
Maandagavond vroeg Nicolas wat er scheelde en weer zei ze niets, maar hij drong aan en ze maakten ruzie.
Dat werd almaar erger en de relatie eindigde op een van de maandagen daarna. Aline was niet gelukkig en André ook niet, want op café veranderde er niets, tot hij op een dag zijn glas neerzette en luid zei: de eerste die nu nog iets zegt over mijn dochter, over haar privéleven of over wat ik denk, krijgt mijn riek tussen zijn ribben. Daarna had André geen problemen meer, want boeren respecteren kracht en ze wisten dat André geen zeveraar was en ze gingen om een vreemdeling toch zeker geen ruzie maken.

<< Home